De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Waarheidsvraag

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Waarheidsvraag

11 minuten leestijd

Hieronder vindt u het verslag van wat door mij op de Jaarvergadering van de Gereformeerde Bond is gezegd. Het is geen woordelijke weergave van het door mij daar gesprokene, hier en daar vulde ik aan, vereenvoudigde of veranderde ik één en ander. Zakelijk is dit artikel gelijk aan het gehouden referaat.

Als wij ons willen bezinnen op de Waarheidsvraag, dan willen wij ons niet bezig houden met probleemstellingen, zoals die in de godsdienst-wijsbegeerte op haar plaats zijn. Hiervoor moge ik verwijzen naar een artikel van de hand van prof. Severijn in de Vox Theol., 13de jaargang, waarin schrijver onderscheid laat zien in methode en beginsel van de godsdienst-wijsbegeerte, die wijsbegeerte is, en als zodanig zich slechts kan bezighouden met algemene religieuze beseffen en theologie met haar eigen maatstaf en beginsel, in de Openbaring gegeven. "Wie — zegt schrijver — naar de waarheid der religie vraagt, vraagt naar de waarheid der openbaring. De waarheid van de openbaring is de openbarende God.

De vraag naar de waarheid/ is voor ons van grote betekenis, immers, onze Bond bedoelt niet anders dan verbreiding en verdediging van de waarheid in de Ned. Hervormde Kerk. Dat ik over de vragen aangaande de waarheid spreek, vindt mede z'n aanleiding in het feit, dat er nauwelijks één conferentie of kerkelijk gesprek is, waarop de waarheidsvraag niet in het geding blijkt te zijn.

Er is waarheid in de opmerking, door prof. Gunning aangehaald in de „Blikken in de Openbaring" (Voorrede, deel I) : ,,Wij strijden niet om der waarheid de overwinning te bezorgen, de waarheid is een gewonnen zaak, zij zal zichzelve wel behoeden; wordt zij niet gevat, voor wie haar niet vat, strekt het tot schade, zij verliest er niets bij, zij gaat haar wereld scheppende en ons tenslotte allen zonder onderscheid overwinnende gang".

Dit is wel juist. Groen blijft groen, al zouden alle mensen van bruin of blauw gaan spreken. Zo óok : zonde blijft zonde, al zouden wij nog massaler dan nu een herwaardering aller waarden krijgen. ,,Het Oude Testament zal wel voor het zijne zorgen", heeft iemand gezegd in antwoord op de vele aanvallen, op het Oude Testament gedaan ; zo zou ik kunnen zeggen : ,,de waarheid zal wel voor het hare zorgen, zij zal overwinnen".

Maar dat neemt niet weg, dat er nog een andere kant is. Kan ik die waarheid benaderen, haar kennen, en hoe sta ik er persoonlijk tegenover ?

Deze vragen zijn in het gebeuren in de kerk van uitnemende betekenis. Ik kan het niet anders zien, dan dat bij velen het zoeken naar de waarheid van groter gewicht schijnt te zijn dan het kennen van de waarhet en het leven uit de waarheid. Er is aan allerlei kant een relativisme op te merken, waarbij uiteindelijk de mens maat aller dingen is, maar dan de Christelijke mens met z'n Christelijk inzicht, met z'n Christelijke rede, waarbij alle oordeel uitsluitend een subjectiviteit is.

Slechts enkele momenten moge ik als een voorbeeld van de actualiteit der hier liggende vragen noemen. Ik denk aan wat ik las in het Weekblad van de Ned. Herv. Kerk, 9 April 1949 : ,,Om de Gemeenschap der Kerk".

Het ging over de vraag naar de bezinning of de verantwoordelijkheid tegenover bepaalde minderheidsgroepen. Een buitengewone ernstige en delicate taak, omdat het hierbij niet gaat om welwillendheid, maar om verantwoordelijkheid, niet allereerst om eenheid, maar om waarheid. Wij beseffen allen, hoe moeilijk het is, voor iemand, wiens geloofsovertuiging omtrent Jezus Christus en de waarheid, een bepaalde vorm heeft aangenomen, een medemens te ontmoeten, wie het ook om dezelfde Heer en Heiland gaat, maar die geheel anders is in denken en spreken. Het zal dan nodig zijn, te verstaan, dat het niet gaat om onze mening, maar om dezelfde Heer.

Een ander voorbeeld : De vrijzinnige predikanten in Haarlem werden benoemd tot hulppredikers van de Ned. Herv. Kerk en de kerkeraad achtte het van dringend belang, dat zij geregeld de vergaderingen van de kerkeraad bijwoonden, zulks om gestalte te geven aan het nieuw kerkelijke denken, dat in deze opdracht vorm vindt. De Kerk van Haarlem wilde de Waarheidsvraag niet zoeken te ontlopen, maar haar op de rechte wijze in het geding betrekken ; men wil elkaar binnen de ruimte der kerk (typisch Barthiaanse term) ontmoeten voor het aangezicht Gods.

In hetzelfde nummer van het Weekblad der Ned. Herv. Kerk lezen wij een aanbeveling voor de Paascollecte : ,,De gedachte herleeft, dat wij eerst binnen de Kerk, tussen de kerkelijke richtingen de theologische tegenstellingen, de politieke inzichten tot klaarheid zouden moeten zijn geraakt, wilden we iets ondernemen op het gebied van de gemeenschappelijke en eendrachtige arbeid aan datgene, waartoe de kerk als geheel geroepen is ten behoeve van de kerk en de samenleving.

Het Moderamen van de Generale Synode is diep overtuigd, dat een sanering van het kerkelijke leven binnen de Hervormde Kerk onmogelijk is, als de Kerk haar gelaat niet richt naar de taak, die zij heeft tegenover de samenleving, waarbinnen zij staat. Eerst dan zal de gezondmaking der Kerk zich kunnen voltrekken, wanneer zij in eendrachtige verantwoordelijkheid voor deze taak gedwongen wordt tot de bezinning op de inhoud van haar verkondiging en op de wezenlijke zin van haar arbeid, d.w.z. dat deze taak haar drijven moet naar een hernieuwde confrontatie met Jezus Christus en Zijn Woord".

Het zal goed zijn, wanneer wij op ons laten inwerken, wat van allerlei kant tegenover een starre houding ten aanzien van de vragen van Woord en Belijdenis ons wordt toegevoegd. Alle critiek zonder meer af te wijzen, getuigt van weinig zelfkennis. Naast zich neerleggen van wat anderen als gevaren van het vasthouden aan het staan op de grondslag van de Schrift en de Belijdenis zien en vrezen, leidt tot een zich opsluiten in eigen kring en daardoor tot een dode verstarring. Bovendien, zit in alle critiek en in elke aanval niet menigmaal een waarschuwing voor het op de spits drijven van een bepaalde waarheid ?

Zo herinner ik aan een artikel van dr. Dippel in „De Waagschaal" (11 Mei 1946), waarin hij op de volgende felle wijze van leer trekt: ,,Er is een opkomende orthodoxe reserve, die zich als een koude, natte mist over het kerkewerk dreigt te leggen, die alle kerkelijke uitzicht en christelijke verwachting uitdooft, en als een duivelse verzoeking dreigt te vallen over hen, die krachtens belijdenis omtrent zijn van Christus vooraan moesten kunnen en durven gaan in de zekerheid van het geloof, geleid te worden door de schaduwen des doods. In deze kring, die zo theologisch zeker opgeroepen wordt, leeft geen werkelijke theologie als zelfcritiek van de kerk, maar als reserve tegenover en critiek op anderen. Er is reserve tegen iedere theologie, die nieuwe wegen gaat".

Dr. Lekkerkerker in ,,De Reformatie in de Crisis" (over het belijden der kerk) wijst er op, hoe de vage proponentsformule de zeer dynamische weg van het belijden der kerk de onzekere omschrijving van de fundamenten, die niet mogen worden aangetast, ze betekenen alle een zwakke plek, die invalspoort kan worden voor een nieuwe geest- en hoofdzaak-misère. Dr. Lekkerkerker meent, dat ze ook de ruimten en openheid betekenen voor het werk van de Heilige Geest. Hij schrijft: „tenslotte laat de H. Geest zich ook niet garanderen met mechanisch juridische maatregelen en overdrachten".

Voor dat eerste zijn we inderdaad bevreesd, en dit temeer, wanneer wij lezen, hoe b.v. ds. Nieuwpoort een merkwaardige tegenstelling gaat contstruëren, als hij schrijft (Waagschaal, 28 2 '47) : „Niet de belijdenis op zichzelf is belangrijk, maar datgene wat beleden wordt. En niet de Schrift zelf is belangrijk, maar dat, wat in de Schrift wordt betuigd. De formule wil volgens ds. Nieuwpoort niets anders zijn dan een herinnering aan het feit, dat we in de kerk zijn. Daarnaast lezen wij menigmaal artikelen, waarin betoogd wordt, hoe het kerkelijk gesprek langs Schrift en belijdenis heen tot niets leidt. Het is nu eenmaal, schrijft ds. Tromp (Waagschaal 14 12 '46, onmogelijk „zonder vooroordeel, buiten kerk en belijdenis en dogma om, tot de volle inhoud van het Evangelie te kunnen naderen".

Welk een grootste gemene delers, wat een schamelheden en daardoor ook een prediking, die op de duur een gemeente moet ondervoeden.

Dr. Miskotte acht het een van de kwalen van de empirische kerk, de aversie van de leer.

Het is evenwel niet zo, volgens dr. Miskotte, dat leer op zichzelf, gezag als zodanig, enz., naar eigen aard gezond zouden zijn en gezond zouden maken. In de Schrift is leer nooit dogma in de zin van onherroepelijke, redelijke formulering van een bovennatuurlijke waarheid.

Ik moet met citeren ophouden ; ik doe het node, maar ik kan me bij het lezen van al deze dingen nooit onttrekken aan de klem van de vraag : „geef mij een punt, waar ik staan kan". Niet allerlei mening, niet eigen ervaring, maar alleen de waarheid Gods zal mij dat punt van uitgang, dat rustpunt, ook dat eindpunt kunnen zijn. Ik zie Luther staan met de Bijbel in z'n hand „en van dat Woord" — zei Luther — „zult ge afblijven". Ik denk aan Kohlbrugge met z'n Bijbel in z'n hand. Die Bijbel is hem haast te zwaar ; nauwelijks kan hij het Boek vasthouden.

Door dat Woord alleen zullen wij ons laten gezeggen en laten leiden. Op drijfzand kunnen we geen huis bouwen en zeker geen kerk.

Eén van de dingen, die men ons in de discussies over de Waarheidsvraag telkens weer voorhoudt, is dat men zegt : „maar immers, wij kennen ten dele", en men denkt daarbij aan 1 Cor. 13 vs. 9 en 10. Onze kennis is onvolmaakt en eerst straks komt het volkomene.

Het zou te ver voeren, om de exegese van deze tekst nauwkeurig na te gaan ; ongetwijfeld is de kennisse Gods, zoals die deel is van de gelovigen op aarde, niet gelijk te stellen met die van de gezaligden in de hemel; reeds oud is de onderscheiding tussen een theologia viatorum en een theologia visionis (van aanschouwing).

Paulus wijst in dit verband op het voorbijgaande karakter van de gaven, zelfs van de meest uitnemende.

Ook van de kennis zegt Paulus, dat zij zal teniet gedaan worden, en dit kan niet wijzen op de kennis Gods, zoals deze leeft in het hart van wie de Heere vrezen. Het eeuwige leven is immers dit, dat ,,zij U kennen". (Joh. 17 VS. 3). Calvijn tekent bij deze tekst aan :

Daarom moeten wij het er voor houden, dat de kennis Gods, die wij nu uit het Woord hebben, weliswaar een zekere is en een waarachtige en één, die niets verwards in zich heeft of iets duisters, maar dat zij in verhouding verre af is van die klare openbaring, die wij verwachten. Zij is minder doorzichtig dan de visie, de kennis, die in de grote dag openbaar zal worden ; er is dus een duidelijke openbaring Gods in het Woord, naardat wij nodig hebben.

Een verkeerd gebruik wordt wel gemaakt van het Woord uit 1 Cor. 8 : ,,De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht". Hier keurt, zegt Calvijn, de Apostel de kennis niet af, maar de trots en de hoogmoed, die goddelozen daaruit vergaderen, anders zou Paulus ons bevelen, sceptici te zijn, die altijd aarzelen. Maar hij keurt geen bedriegelijke en opgesmukte verscheidenheid goed. 

Maar er staat toch geschreven in 1 Cor. 2 vs. 14 : „de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn". Wijst dit erop, dat er een dubbele waarheid is, een tweeërlei waarheid, een waarheid voor de geestelijke mens, die niet gelden zou voor de natuurlijke, een andere waarheid voor de natauurlijke mens en een andere waarheid voor de geestelijke mens ? Het is er verre vandaan. Het doet ons denken aan de discussie uit de dagen van Schortinghuis. De natuurlijke mens heeft geen oog voor de .waarheid Gods, voor de dingen, die des Geestes Gods zijn. Het licht van de zon is er wel, maar een blinde heeft er niet aan ; zo ook voor de natuurlijke mens is de waarheid er wel, maar er is in zijn binnenste niets, dat met dat licht correspondeert, het dringt niet in hem door.

Een ander woord, dat in de discussie over het kennen van God naar voren komt, vindt ge in Gal. 4 vs. 9: „en nu, nu gij God kent, ja, veel meer door God gekend zijt ...." Het is wel eens zó voorgesteld, alsof in dat tweede lid het eerste werd ontkend, en opgeheven ; de Galatiërs zouden God niet kennen, maar God de Galatiërs wel; ook de geestelijke mens heeft dus geen kennis Gods, maar God wel van de geestelijke mens. Dit is in genen dele de bedoeling van de apostel, die wel degelijk de correlatie vasthoudt tussen de kennis van God tot de mens en de kennis van de mens van God. Paulus komt veel meer tot de hogere, rijkere gedachte, die de andere in zich sluit. De intieme gemeenschap tussen God en Zijn Kerk is voorwaarde voor alle ware kennis. Uit de liefde van God tot Zijn volk vloeit voort een liefde tot God, uit de kennis van God tegenover Zijn volk vloeit voort, dat dat volk de Heere leert kennen.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Waarheidsvraag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's