De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Is er een getuigenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Is er een getuigenis

van de Heilige Geest buiten het Woord om?

12 minuten leestijd

Het werk over de Heilige Geest, dat dezer dagen verscheen onder redactie van prof. dr. J. H. Bavinck, dr. P. Prins, prof. dr. G. Brillenburg Wurth, waarover wij elders in ons orgaan spreken gaf ons aanleiding in een zijner hoofdstukken om deze vraag onder de ogen te zien.

Er is uit verschillend oogpunt trouwens aanleiding voor deze vraag. Wij denken b.v. aan zovele mystieke verschijnselen der geestdrijverij, die gepaard gaan aan onverschilligheid jegens'het Woord. Kan er geestelijk licht zijn zonder het Woord ? Wij denken aan een in onze dagen niet zelden gebruikte uitdrukking : Schepper Geest (in Pinksteroverdenkingen) en wat men ten berde brengt over belemmeringen voor het werken des Heiligen Geestes, waarbij men zich vaak zoekt los te maken van de strengen des Evangelies.

Woord en Geest liggen in het algemeen genomen in ons theologisch denken, dat naar de Heilige Schrift wil georiënteerd zijn, in saamwerking verbonden.

Dit heeft een goede grond en is ook zeer verklaarbaar. Het Woord wordt dan verstaan, in de zin, waarin de apostel Johannes daarvan getuigt in de aanvang van zijn Evangelie. Het Woord is de tweede Persoon, de Zone Gods,  door Wie alle dingen gemaakt zijn, hét scheppende Woord, en het openbarende Woord, hetwelk van de beginne af tot de mens heeft gesproken.

Dit is alzo het Woord, de Zoon, die de werken Gods doet, gelijk Hij zelf betuigt. Hij openbaart zich door de profetie en ten slotte in de vleeswording als de Christus, d.w.z. de Gezalfde. Hij is gezalfd met de Heilige Geest en dat niet met mate. Zo is dan de Zoon in alle werken Gods vergezeld door de Heilige Geest. Calvijn noemt Woord èn Geest dan. ook kenmerkend de handen Gods, door welke Hij Zijn werken bestelt.

In die zin neemt de Geest Gods deel aan alle werken des Zoons en in zoverre kan Hij ook Schepper worden genoemd. Hij schenkt het leven en de kracht aan het schepsel. (Vgl. Zondag 10 Heid. Catech.).

Indien wij in dit verband over Woord en Geest spreken, kan men de Geest van het Woord niet scheiden, al blijven zij als goddelijke Personen toch onderscheiden en al hebben zij een eigen persoonlijk ambt in de vervulling van de werken Gods.

In zoverre kan men veilig zeggen : Geen werking des Geestes zonder het Woord. En dat mag worden toegepast op alle werken Gods van schepping, openbaring, verzoening en herschepping.

Doch hiermede is de vraag nog slechts in één Opzicht beantwoord.

Het Woord, dat vlees is geworden, de Christus, wordt onderscheiden van het profetische Woord, hetwelk door Christus, onze hoogste Profeet en Leraar, werd geschonken, zoals het in de Heilige Schrift voor ons ligt en door Zijn kerk wordt bewaard. Dit Woord is ook een werk Gods, waaraan de Heilige Geest heeft medegewrocht.

Dit Woord echter is onderscheiden van de Christus. Het is Gods Woord en als zodanig een levend Woord en een kracht Gods, maar wij kunnen niet zeggen, dat de Heilige Schrift de Christus is, of dat zij de Heilige Geest is.

In dit verband is de vergelijking met een mensenwoord gerechtvaardigd. Wanneer een mens spreekt, openbaart hij daarin, wat in zijn ziel omgaat. Hij geeft daaraan gestalte, maar het woord gaat in die gestalte niet op, het werkt door in de ziel van de hoorders en brengt deze in beweging. De spreker dringt door zijn woord in de ziel van zijn hoorder in. Er is in het woord iets van de spreker, maar toch is het woord de spreker niet.

Het merkwaardige nu is, dat zulk een mensenwoord in een overgeleverde gestalte, hetzij deze door het geheugen of in het schrift blijft bewaard, zijn psychische werking niet inboet, maar, gehoord of gelezen, de oorspronkelijke rede weer oproept met de daaraan gepaard gaande voorstellingen en gevoelens. Althans — want dat moet er bij gezegd —, voorzover de hoorder of lezer daarvoor gedisponeerd is.

Men kan dus niet zeggen, dat het woord de spreker is, maar het maakt openbaar, wat er in hem omging, ook al is hij reeds lang niet meer in het land der levenden.

Alle vergelijking gaat mank, maar de bedoeling kan duidelijk zijt.

Het profetische Woord is niet de hoogste Profeet en Leraar zelf, die het gesproken heeft, maar het behoudt ook in de overgeleverde gestalte zijn profetische kracht van openbaring voor de hoorder — en nu ook voorzover deze daarvoor gedisponeerd is !

Dit laatste verdient bijzondere nadruk. Immers het mensenwoord, waarover wij bij vergelijking spraken, wordt geboren in een menselijke ziel, gaat over de aardse dingen, zoals deze in de ziel verschijnen. Het is een menselijk woord over menselijke zaken en menselijke beschouwingen.

Gods Woord echter is uit God. Het is geestelijk, betreft goddelijke dingen, die geestelijk worden onderscheiden, ook al komt het tot ons in de gestalte van het menselijke, aardse, schepselmatige.

Daarom zal een mens het als een mensenwoord verstaan, want de natuurlijke mens verstaat niet de dingen, die des Geestes Gods zijn. En daarom vraagt Gods Woord een geestelijke gesteldheid, een toebereid hart, hetwelk geestelijk verstaat. Wij denken ook aan de gelijkenis van het zaad, dat in de goede aarde valt. Er moet een geestelijke ontvankelijkheid zijn, wil het Woord als Gods Woord worden ontvangen en erkend.

Dat wil nog niet zeggen, dat het Woord Gods ook de ,,natuurlijke" mens niets te, zeggen heeft en dat er ook bij hem niet iets van de goddelijke Majesteit wordt aangevoeld.

Een zeker gevoelen van de heerlijkheid en verhevenheid Gods kan niemand ontkennen, die bij de schoonheid der schepping en haar wonderen wordt bepaald. Ook daarin wordt de kracht en de werking van Woord en Geest enigermate openbaar, ofschoon de vijandschap van het zondige mensenhart dit zoekt te verdringen.

Zo gaat er ook van de Heilige Schrift op de natuurlijke mens wat uit van de verborgen kracht des Woords. Ook al wil hij het als een gewoon mensenwoord verstaan, waarderen en beoordelen, kan hij niet ontkomen aan het gevoelen van een verborgen anders-zijn. Het is toch geen gewoon mensenwoord. En toch kan men Gods Woord in het menselijk woord niet beluisteren.

Hoe kan het dan wèl ? Hoe zal men bij machte zijn deze verborgenheid te verstaan ?

Worden wij hier mogelijk gezet bij een werking van de Heilige Geest buiten het Woord om ?

Deze vraag is niet overbodig, en er zijn er, die welbewust of blijkens hun gedragingen, een bevestigend antwoord geven.

Of ontmoet de dominé ze niet, die generlei vrucht verwachten van het lezen van Gods Woord, van de prediking des Woords en de kerkgang, zolang zij niet eerst ,,licht krijgen" ?

Er zijn er, die niettemin plichtsgetrouw lezen en naar gewoonte trouw opgaan naar de kerk, omdat het licht mogelijk komen kan, doch er zijn er ook die maar niet lezen, en maar niet naar de kerk gaan, omdat zij geen licht hebben.

Dezulken verwachten alzo een werking van de Heilige Geest buiten het Woord om.

Deze dwaling kan nog verder gaan. Men kan zich verbeelden licht te hebben en het geestelijk leven gans en al buiten het Woord te kunnen kennen en genieten.

Een zodanig mysticisme komt op uit een geestdrijverij, welke met het waarachtig geloof niets van doen heeft en daar, waar het nog een schijn van vroomheid tracht te bewaren, het leven der kerk ondermijnt.

Het is daarom van groot gewicht er op te letten, dat de Heilige Schrift steeds de nadruk legt op het horen des Woords, op het blijven in het Woord, en dat de apostel Petrus, over de wedergeboorte sprekende, wijst op de wederbarende kracht des Woords, n.l. het Woord, dat onder ons verkondigd wordt, — hier kan dus geen misverstand zijn —. (Vgl. 1 Petrus 1 vs. .23-25). 

Daar elders wordt ook op de werking des Heiligen Geestes in de wedergeboorte gewezen, (vgl. Joh. 3 e.a. plaatsen), zodat er geen onzekerheid kan blijven op dit punt. De wedergeboorte is een werk van Woord en Geest, evenals alle werken Gods werken van Woord en Geest zijn. Dit geldt derhalve ook van het geloof, hetwelk een gave Gods wordt genoemd. 

Een iegelijk, die gelooft, dat Jezus is de Christus, is uit God geboren. (1 Joh. 5 vs. 1)

Wedergeboorte en geloof zijn alzo innerlijk verbonden, zodat ook van een wederbarend geloof wordt gesproken. Dat wil ook weer niet zeggen, dat het geloof op zichzelf wederbarende kracht heeft, maar geloof gaat aan wedergeboorte en wedergeboorte aan geloof gepaard.

Zo is er dan ook bij het waarachtig geloof geen scheiding in de werking van Woord en Geest, omdat het een werk Gods is in en door Christus, de Gezalfde. Ook hierin blijft het van kracht, dat Woord en Geest als de handen Gods zijn in de toevergadering tot het lichaam van Christus en de openbaring van de heerlijkheid der kinderen Gods.

De Heilige Geest leidt ze in de Waarheid en zo hebben wij ook in de weg des heils nog geen werking des Heiligen Geestes buiten het Woord om kunnen aanwijzen.

Maar nu de zekerheid des geloofs ?

Dat is de worsteling der reformatoren en de worsteling der kinderen Gods.

Steeds verneemt men, het Woord. Het Woord is de grond en de zekerheid des geloofs.

Ja, maar, hoe ben ik zeker van mijn geloof in het Woord, n.l. dat het Woord Gods Woord is ?

Men kan zeggen : de toepassing en bevestiging van het Woord aan mijn ziel. De ervaring, dat het profetische Woord ook in mijn leven Zijn waarheid bewijst!

Dat is zonder twijfel belangrijk in het leven van de Christen.

Maar is dan de bevinding de grond der zekerheid ? Wordt de bevinding dan de grond van ons geloof ?

Deze bevinding, de ervaring van Gods Waarheid in ons leven, is inderdaad een vertroostende en bevestigende kracht. Wie dat ontkent, weet niet van bevinding te praten. Bevinding is wandelen met God. Van Henoch wordt dit in onderscheiding gemeld. Hij wandelde met God.

De bevinding kan echter geen grond zijn, omdat deze ten slotte haar waarheid en kracht alleen aan het Woord kan toetsen, zodat de grond en regel toch weer in het Woord ligt.

Sommigen menen, dat de zekerheid des geloofs een werking des Geestes is buiten het Woord om.

Dit kan alleen verstaan worden, in zoverre die zekerheid dan betrokken wordt niet op de bevestiging van het Woord in het leven, maar op de waarheid van het Woord. Dan gaat 't dus om de zekerheid, dat het Woord, zoals wij dat kennen en bevinden, de Waarheid, Gods Woord is.

Dit raakt dus aan de generale vraag, of de Heilige Schrift, Gods Woord is en wij tenslotte ons toch niet verlaten op een mensenwoord.

Dit gaat dus niet zozeer buiten het Woord om, want het gaat om de goddelijke Waarheid des Woords. En deze vraag kan zich alleen voordoen, omdat de Heilige Schrift zich als Gods Woord aandient.

De zekerheid des geloofs wil vaststaan in de wetenschap, dat de Heilige Schrift het waarachtig getuigenis Gods is. Zij wil de adem Gods daarin ontdekken, om het zo uit te drukken. Denk aan het woord van Petrus : Het profetische Woord, dat zeer vast is. Dat is het. Daarop komt het aan. En dan zegt de belijdenis in art. 5 : de Heilige Geest getuigt in onze harten, dat zij van God zijn.

De laatste grond wordt alzo in dit getuigenis des Heiligen Geestes aangewezen. Is dit nu een getuigenis des Heiligen Geestes buiten het Woord om ? En is de zekerheid des geloofs een werk van de Heilige Geest buiten het Woord om ? Gods Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen Gods zijn ?

Deze vragen kunnen met het Woord alleen maar de Heilige Schrift op het oog hebben, want geen werk van schepping en openbaring gaat buiten de Christus om.

Buiten de Heilige Schrift gaat echter het getuigenis des Heiligen Geestes, dat de zekerheid des geloofs werkt, ook niet om. Immers het geloof heeft altijd betrekking op het geopenbaarde Woord. Het gaat in de zekerheidsvraag om de zekerheid van het geopenbaarde W^oörd, om de levende stem Gods. Mijn schapen horen Mijn stem

Dat deze vraag nochtans kan opkomen, schuilt daarin, dat de Zoon en de Heilige Geest, ondanks de innige verbondenheid, toch hun eigen persoonlijke ambt vervullen. Het Woord, de Christus, is het Leven en het licht der mensen, nochtans is het de Geest Gods, die de kracht en het leven in het schepsel wekt en werkt.

Buiten de werken Gods, die naar buiten treden, is het de Geest, die de diepten Gods onderzoekt, gelijk Hij door de apostel Paulus openbaart.

Daarom is Hij ook de Geest der profetie. De Heilige Geest getuigt uit de diepten Gods, en zo is het ook de Heilige Geest, die  in de Waarheid leidt en de zekerheid des geloofs schenkt, gelijk Hij ook de zekerheid van het kindschap betuigt in het hart van Gods kind.

Indien wij dit nu geheel op zich zelf beschouwen, kan dit aanleiding zijn om van een werk des Heiligen Geestes buiten het Woord om te spreken. Maar dat werk staat niet op zich zelf, doch staat in het geheel van de vervulling van de Raad Gods in de rechtvaardiging en heiliging Zijner gemeente door Woord en Geest, die daarin ook de Wil des Vaders volbrengen.

Dit neemt intussen niet weg, dat bij wijze van onderscheiding gezegd kan worden, dat de Heilige Geest de zekerheid des geloofs werkt in onze harten, gelijk ook de hemelse Paracleet de inwendige Getuige is, dat de Heilige Schriftuur Gods Woord is. Maar juist daarin ligt ook de grond der gebondenheid aan dat Woord voor het ganse leven in al zijn betrekkingen.

Dat nu is het zwakke punt in zo menige beschouwing, die in onze dagen kan worden vernomen, waarbij die binding aan de Heilige Schrift niet wordt erkend, althans niet in de zin der belijdenis, onder het voorwendsel, dat deze het werk des Heiligen Geestes in de weg zou staan. Dit hangt samen met een Schriftbeschouwing, welke het gezag en de waarde der Heilige Schrift afhankelijk stelt van menselijke begrippen omtrent God en Zijn openbaring.

Daarover later.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Is er een getuigenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's