Voorstellen voor de Classicale Vergadering
Voorstel tot wijziging van artikel 2 van het Reglement op de Generale Kas.
In het Reglement op de Generale Kas worde artikel 2, alinea 1, aldus gelezen :
Artikel 2.
De; inkomsten van deze kas bestaan uit:
a. verplichte jaarlijkse bijdragen van tenminste 60 cent van hen, die op belijdenis des geloofs tot lidmaten werden aangenomen.
Toelichting.
Het is absoluut noodzakelijk, dat de inkomsten van de Generale Kas aanmerkelijk worden verhoogd. De waarde van het geld is sedert de instelling van de Generale Kas zeer veel gedaald, terwijl de aanvragen, die bij de Generale Kas inkomen in deze tijden zeer zijn toegenomen. De Generale Kas verstrekt toelagen tot het stichten van kerken, pastorieën en andere kerkelijke gebouwen en het onderhouden van reeds bestaande ; tot het predikantstraktement of tot het pensioen van emeriti-predikanten, voor nagelaten betrekkingen van predikanten, n.l. weduwen en ongehuwde kinderen; ten slotte nog voor andere kerkelijke doeleinden, ter beoordeling van de Synode.
De nood, die er in vele gemeenten heerst is onrustbarend groot. In vele gevallen moet de hulp van de gehele Kerk uitblijven, doordat de Generale Kas geen voldoende middelen tot uitkering bezat.
Volgens een door de Generale Synode genomen besluit, worden de Provinciale Kerkbesturen uitgenodigd vóór 25 September 1949 en de Classicale Vergaderingen vóór 15 Juli 1949 de consideratien, door President en Secretaris of door Praeses en Scriba getekend, op de ommezijde van deze circulaire, met vermelding aan het hoofd of zij door de Provinciale Kerkbesturen dan wel door de Classicale Vergaderingen gegeven zijn, in te zenden.
Het behoeft nauwelijks opgemerkt, dat de verhoging van 35 cent per jaar op zich zelf geen aanleiding kan zijn om daarover lang te praten.
Maar de Generale Kas heeft onder ons altijd op bezwaren gestuit en dit heeft zijn oorzaak in de ongelukkige kerkelijke situatie, tengevolge waarvan door dergelijke centrale instellingen bijdragen worden gevraagd, die veelal tot steun worden aangewend van doeleinden, die naar ons inzicht en gevoelen met de waarachtige belangen der kerk niet overeenkomen of althans in een zodanige geest worden behandeld, dat wij bezwaar moeten maken.
Het ligt voor de hand, dat deze bezwaren opnieuw voor de geest komen, nu de Synode deze verhoging voorstelt. De bronnen vloeien niet zo ruim meer als voorheen. De Paascollecte blijft beneden de raming. De instandhouding van de opzet van al het kerkewerk eist klaarblijkelijk, dat men dit tekort moet zoeken aan te vullen.
Vandaar dit voorstel tot verhoging. De toelichting noemt verschillende objecten van ondersteuning uit deze Kas, maar noemt ten slotte ook andere kerkelijke doeleinden, ter beoordeling van de Synode.
Dit maakt het nu juist zo bezwaarlijk. Er zijn verschillende doeleinden, waarvoor wij gaarne een beroep doen op de gemeenten en waarvoor zij ook bereid zijn te geven.
Doch hoe wil men bereidheid verwachten van degenen, die uit principieel oogpunt worden verhinderd of belemmerd om hun medewerking te geven aan verschillende dingen, waarvoor de Synode vraagt, omdat men bezwaar heeft door geldelijke steun te helpen in stand houden, dat men krachtens de belijdenis niet in overeenstemming kan achten met een gezond kerkelijk leven, of wat daaraan bevorderlijk kan zijn.
Derhalve zal dit voorstel door de zelfde bezwaren worden gedrukt als de Paascollecte en bij velen geen steun vinden.
In de practijk zal het wel voorkomen, dat gemeenten ook zelf gesteund zijn of steun ontvangen uit de Generale Kas. In zulke gevallen zal men zich moeilijk kunnen onthouden, want het is duidelijk, dat bezwaar om bij te dragen, ook bezwaar om te ontvangen betekent.
Het voorstel spreekt van verplichte bijdrage, hoewel hier bij de geldende bepalingen van dwang geen sprake kan zijn.
Voorstel tot invoeging van een nieuw artikel 2* in het Reglement op het Hoger Onderwijs en wijziging van artikel 7 van het Reglement op het Examen.
In het Reglement op het Hoger Onderwijs worde ingevoegd een nieuw artikel 2* van de volgende inhoud :
Tot nadere vorming voor de pastorale arbeid der aanstaande Evangeliedienaren houdt de Nederlandse Hervormde Kerk bovendien een Seminarium in stand, waar de candidaat gedurende een tijdvak van vier maanden en in internaatsverband op het examen tot toelating tot de Evangeliebediening en tevens op de latere ambtspractijk wordt voorbereid.
De rector, conrector en docenten worden benoemd door de Generale Synode, die hun opdrachten vaststelt.
Inzake de op dit Seminarium te geven lessen en het te volgen studieplan doet de rector, na overleg met de andere docenten, een voorstel aan de Algemene Synodale Commissie voor iedere volgende viermaandelijkse periode, met dien verstande, dat steeds bijzondere aandacht zal worden besteed aan de practijk van het gemeentelijk leven, de pastorale zorg in de gemeente, het werk onder de jeugd en de arbeid onder hen, die van het Evangelie zijn vervreemd, dit laatste met inschakeling van het Instituut van „Kerk en Wereld".
Verder worde aangebracnt de volgende zinsneden en wijzigingen :
In artikel 12 worde aan alinea 2 de volgende zinsnede toegevoegd : „In het kerkelijk album ingeschreven vrouwelijke theologische studenten zijn ook bevoegd de viermaandelijkse studietijd aan het Seminarium en de lessen te volgen".
Aan artikel 15 worde een tweede alinea toegevoegd van de volgende inhoud : ,,De salariëring enz. van de rector en conrector van het Seminarium bedoeld in artikel 2*, en van de doceren den krachtens een leeropdracht ingevolge artikel 2 van dit Reglement, wordt door de Generale Synode vastgesteld en verzekerd".
Artikel 16, eerste alinea, worde aldus gelezen : „Voor het bijwonen van de lessen, die vanwege de Kerk worden gegeven, wordt, gedurende hoogstens vier jaren, jaarlijks een som van ƒ 50.— betaald, terwijl voor het afleggen van het examen, bedoeld in het Reglement op het Examen, artikel 7a, een bedrag aan examengeld van ƒ 40.— wordt gevorderd".
Aan artikel 17 worde een tweede alinea toegevoegd van de volgende inhoud : „De nadere regelingen van lesrooster, studiegang, vacantietijden en verblijfskosten aan het in artikel 2* bedoelde Seminarium, worden in een huishoudelijk reglement geregeld, vast te stellen door de Algemene Synodale Commissie".
In het Reglement op het Examen worde de volgende wijzigingen aangebracht : In het Reglement op het Examen worde artikel 7 aldus gewijzigd :
Aan artikel 7c worde aan het slot toegevoegd : „Dit bewijs wordt afgegeven door de rector van het in artikel 2* van het Reglement op het Hoger Onderwijs bedoelde Seminarium, .na ingewonnen advies van de docent in de kerkmuziek, wanneer een candidaat gedurende een volledige seminarieperiode de lessen in de de kerkmuziek aldaar getrouw gevolgd heeft".
Aan artikel 7 worde een nieuw sub g toegevoegd van deze inhoud :
„Een verklaring van de rector van het Seminarium, bedoeld in artikel 2* van het Reglement op het Hoger Onderwijs, dat de candidaat de voorgeschreven tijd aldaar met vrucht is werkzaam geweest.
Aan candidaten, die bij het afleggen van hun kerkelijk voorbereidend examen de 35-jarige leeftijd hadden bereikt, kan op hun verzoek door de Algemene Synodale Commissie dispensatie worden gegeven van de verplichting tot een viermaandelijks verblijf op het Seminarium, alsmede van het getuigschrift, bedoeld in dit artikel sub c".
Het bestaande g van het artikel 7 wordt h.
Toelichting.
De bedoeling van de voorgestelde wetswijzigingen en aanvullingen, is om het Seminarie voor de opleiding vap Hervormde predikanten 20 spoedig mogelijk te doen functioneren, aangezien dit geacht moet worden een uiterst groot belang te zijn voor het kerkelijke leven.
Volgens een door de Generale Synode genomen besluit, worden de Provinciale Kerkbesturen uitgenodigd vóór 25 Sept. 1949 en de Classicale Vergaderingen vóór 15 Juli 1949 de consideratiën, door President en Secretaris of door Praeses en Scriba getekend, op de ommezijde van deze circulaire, met vermelding aan het hoofd of zij door de Provinciale Kerkbesturen dan wel door de Classicale Vergaderingen gegeven zijn, in te zenden.
De Generale Synode der Nederlandse Hervormde Kerk.
H. J. F. WESSELDIJK, Preses.
E. EMMEN, Scriba.
Beginnen wij bij de toelichting, dan is het duidelijk, dat de bedoeling is aan de opleiding tot predikanten een Seminarium te verbinden.
Een Seminarium is een opleidingsinstituut voor a.s. Dienaren des Woords. Wij zouden dus ook de opleiding der kerkelijke Hoogleraren Seminarium kunnen noemen, zodat dit nieuwe Seminarium een aanvullend karakter draagt.
In het algemeen is er dan ook geen aanleiding om bezwaar te maken tegen zulk een instelling en het ware denkbaar dat onze studenten, nadat zij aan de Universiteit de vereiste graad hebben behaald, de eigenlijk kerkelijke opleiding geheel aan een Seminarium verkregen. In zoverre behoeft er ook geen bezwaar te zijn tegen dit aanvullend Seminarium.
Toch geeft dit voorstel redenen tot ernstige bedenkingen.
1e. Waarom maakt men zulk een haast met dit, instituut? 't Ware toch gewenst, dat men deze zaak liet wachten, totdat de voorbereiding ener nieuw kerkorde zover gevorderd is, dat men allengs aan de invoering van een nieuwe kerkorde kan beginnen. Die geloven, haasten niet, maar hier ontkomt men niet aan de indruk, dat iets moet worden doorgedreven.
2e. Deze haastige spoed wekt temeer bevreemding, als wij er op letten, dat er een bepaald gebrek is aan predikanten. Het verplicht verblijf aan het Seminarium zal voor vele studenten verlenging van de studietijd betekenen en wat niet minder bezwaarlijk is, verhoging van de onkosten met ƒ 100.- per maand, hetgeen voor de meesten een belasting en oorzaak van zorg zal zijn. Wij laten de vraag in het midden, welke invloed dit zal hebben op jonge mensen, die voor de keuze staan of zij theologie of een andere faculteit zullen studeren.
3e. Moeten wij ernstig bezwaar maken tegen de inschakeling van het instituut Kerk en Wereld. (Vgl. al. 4).
4e, Gaat ons bezwaar tegen het voorgestelde in al. 5 over de wijziging van art. 12. Wij zijn van oordeel, dat uit de Heilige Schrift klaar en duidelijk blijkt, dat het ambt van de Dienst des Woords voor de vrouw niet is bestemd. Het is daarmede niet in overeenstemming, dat zij tot het kerkelijk voorbereidend examen en tot het hulppredikerschap wordt toegelaten. Tevergeefs wijst men wellicht op verkregen rechten, want het zo even opgemerkte behoorde te nopen tot maatregelen om daaraan een einde te maken. Het kan met de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift niet overeenkomen, dat men nu weer nieuwe rechten bij de oude voegen wil. Het ware beter, die oude rechten te doen uitsterven en geen nieuwe rechten toe te kennen door haar toe te laten tot een Seminarium, dat de strekking heeft de opleiding voor de Dienst des Woords te voltooien.
5e. Wat het internaatsverband betreft, ook daartegen zijn bedenkingen aan te voeren. Het kan bevorderlijk zijn aan een clubgeest en het is de vraag, of dit in het algemeen reeds wenselijk is, maar wanneer men die opzettelijk wil kweken, is onder de huidige omstandigheden en bij de wind, die door de kerk waait, het gevaar niet denkbeeldig, dat zulk een clubgeest tienmaal schadelijker zal zijn voor het kerkelijk leven als de gewraakte dominocratie onder de Organisatie van 1816.
6e. Veel van onze bezwaren zou er weg vallen, indien de Synode en al haar organen de kerkelijke weg volgden, zodat bij al het kerkelijk handelen van de binding aan de belijdenis werd uitgegaan en dit ook van de a.s. Dienaren des Woords werd verlangd.
Dit is nu juist, wat men klaarblijkelijk niet wil, ook al zegt men, dat de kerk naar de belijdenis toe moet worden geleid. Indien dat ernst is, zou men dit Seminarium tenminste aan de belijdenis binden.
Wie echter op ,,fundamenten en perspectieven" let, hetwelk in „De Hervormde Kerk" wordt aangekondigd als een „proeve van hernieuwd reformatorisch belijden", moet onder de indruk komen van de ingezonken geestelijke toestand, als dit nu het hoogste is, dat men kan opbrengen.
Wat zal dit voor de geest van het Seminarium doen verwachten ?
7e. Ten slotte komt het ons voor, dat het gemis van de vaste grondslag der belijdenis tot willekeur kan leiden.
Dit is te meer bedenkelijk wegens de grote invloed, aan het rectoraat toegekend. Voor het proponents-examen heeft de candidaat volgens dit voorstel een verklaring nodig van de rector, dat hij gedurende de voorgeschreven tijd aldaar met vrucht is werkzaam geweest. De beoordeling en strekking daarvan is dus geheel in de handen van de rector gelegd. Wij achten het juister, dat deze woorden ,,met vrucht" achterwege werden gelaten en de beoordeling van de ,,vrucht" der opleiding aan de kerk bij de toelating tot de Dienst des Woords werd voorbehouden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's