De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoort naar Mijne stem

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoort naar Mijne stem

8 minuten leestijd

Dat is de titel van de Hollandse vertaling van het boek van Franz Werfel : „Höret die Stimme". Het is vertaald door H. J. Smeding, en in 1940 verschenen bij de Wereldbibliotheek te Amsterdam.

Gaarne wil ik met een enkel woord de aandacht vestigen op dit merkwaardig boek, dat in roman-vorm gegoten is, doch om zijn inhoud van groot belang is voor elke theoloog. Ook onze theologische studenten moesten allen dit boek lezen in verband met hun studie van het Oude Testament en Godsdienstgeschiedenis, vóór hun candidaatsexamen.

De schrijver begint dit boek met te vertellen van een reisgezelschap van een vijftal Engelsen, dat eerst de Dode Zee bezoekt en vandaar een tocht naar Jeruzalem maakt. Eén van hen, die aan een soort toevallen lijdt, voelt weer een aanval naderen. Op het Tempelplein komt het over hem — doch in plaats van een toeval, krijgt hij een visioen, waarin hij het leven van de profeet Jeremia aan zich voorbij ziet gaan. Dit is de eigenlijke inhoud van dit boek.

Om verschillende redenen acht ik dit boek de moeite van het lezen méér dan waard. In de eerste plaats om de grondige studie, die de schrijver gemaakt moet hebben van de godsdiensten van Israël, Egypte en Babyion. De wijze, waarop hij de Tempel, de Tempeldienst, Koning Josia en het leven aan diens hof beschrijft, doet ons terstond gevoelen : deze schrijver moet een zoon zijn van het oude volk : alleen een geboren Israëliet kan zich zó inleven in en kan zó aanvoelen het leven van Jeremia en zijn omgeving.

In de tweede plaats om de wijze, waarop hij beschrijft de inspiratie van de profeet. Nergens elders heb ik ooit een beschrijving gevonden, die zó nabij komt aan wat het geweest moet zijn voor een profeet, wanneer ,,het Woord des Heeren tot hem geschiedde". Werfel beschrijft dit totaal anders dan b.v. Stefan Zweig in zijn boek: „Jeremias". Bij Zweig beeldt Jeremia zich in, dat de stem des Heeren tot hem komt, terwijl in werkelijkheid zijn moeder hem roept. Hier zien wij de al te dikwijls gevolgde methode om psychologisch te verklaren, wat de Schrift ons tekent als de roeping en inspiratie van een profeet. Wat in de Schrift een levende werkelijkheid is : de openbaring Gods aan Zijn volk door de mond van Zijn profeten, wordt hier voorgesteld als een proces in het zieleleven van de profeet, waaraan geen openbarings-werkelijkheid ten grondslag ligt. De profeet is een religieus genie, die scherper, hoger, dieper, verder ziet dan zijn volks- en tijdgenoten — doch niet de mond Gods. Wat hij tot zijn volk te zeggen heeft, is feitelijk niets anders dan een weergave van wat hij innerlijk doorleeft. Zijn woord is feitelijk eens mensen woord, en niet Gods Woord.

Tegenover zulk een zielkundige verklaring, die het Woord Gods loochent en verkracht, doet weldadig aan de wijze, waarop Werfel hetzelfde gebeuren beschrijft.

In een hoofdstuk, getiteld : ,,De stem van buiten en van binnen" (blz. 73 v. v.), beschrijft hij de openbaring des Heeren, ons verteld in Jeremia 1.

Na een zeer vermoeiende dag is Jeremia uitgeput in slaap gevallen.

„Doch deze slaap kan nauwelijks het tiende deel van een uur geduurd hebben, of hij wijkt even plotseling als hij gekomen is en laat een heldere waaktoestand achter. Dit is immers het onuitsprekelijke van wat er nu gebeurt, dat Jeremia minder droomt dan ooit, dat hij waakt, helder en fris als na een rust van vele. uren en volledig de werkelijkheid en waarheid in zich meester is. Hij richt zich op en staart het nachtelijk vertrek in. Wat is er gebeurd ? Het vak van het raam is door iets verduisterd. Van buiten dringt het naar binnen en verdeelt zich naar alle kanten, zodat het de hele kamer vult; niets vaag-warrelends, maar alles helder en af tot in het fijnste blaadje. Een dicht bloesemtakwerk is het, dat overdadig naar binnen dringt en als een net langs de wanden voortrankt. Alsof er voor het venster plotseling een boom groeide, welks takken de kamer in reiken. De twijgen van de amandelboom zijn het, die het vroegst in 't jaar ontwaken, vlak na de winter, als zich verder nog geen knop vertoont. De tijd van de. bloeiende amandel is nu met het Pascha reeds vele weken voorbij. En toch, het takwerk van het ontwaken, de bezieling, de morgenstond, de jeugd, dringt onophoudelijk voort door het raam. Talloze knoppen springen open, wit en rose, ontvouwen zich en vallen af, terwijl weer anderen zwellen.

Met zijn handen zou Jeremia de ontroerende bloesemrijkdom kunnen grijpen, twijg voor twijg, bloem voor bloem. Maar hij verroert zich niet op zijn legerstede. Hij weet: dit is een gezicht! Het is hem zelfs niet geheel onbekend, dit gezicht van de bloesemtakken, al heeft het nooit ook maar een honderdste deel van deze duidelijkheid en volledigheid bereikt. Hij houdt z'n adem in. Zijn gehoor is op het uiterste gespannen. De stem moet komen, de stem die hij immers kent, zij het ook als korte, zwakke influistering of als verre holle aanroep, die als van bergen omlaaggalmt, als bedrieglijke echo of als een prikkelend manen binnen in z'n eigen hoofd. Steeds, als een gezicht en de stem hem overvielen, is hij daarvoor gevlucht en heeft hij zich met wilde hartkloppingen verstopt. Als een minderjarige, nog niet manbare, word hij beangst door de vrees voor de vervulling der manbaarheid. Vandaag echter — dat weet hij — vandaag helpt hem geen vlucht meer, want hij is manbaar voor God geworden.

En de stem komt juist op het ogenblik, dat hij haar komst verwacht. Een klare en zachte mannenstem. Donkerrond vervult zij de hele kamer. Elke muurspleet, elke houtkerf is even vol van haar. Maar vreemd ge­ noeg heeft de stem geen plaats, vanwaar haar golvingen worden uitgezonden. Zij ontstaat en verbreidt zich opeens overal. De hele ruimte brengt haar voort. Het is of zij er altijd geweest is, slechts verduisterd door het algemene gedruis der zwoegende wereld. Nu schijnt dit al-gedruis te sterven, waardoor de stem aan leven wint. Doch ook Jeremia is een ruimte. En ook hem vervult het al-gedruis, dat zich nu terugtrekt en de stem vrijgeeft. Deze vult daardoor niet alleen de uitwendige ruimte rondom Jeremia, maar ook de inwendige ruimte die hij zelf is. De stem spreekt binnen en buiten tegelijk. Een dubbel geluid, dat elkaar dekt.

En de mannenstem zegt zacht en helder : ,,Jirmejahu " (de Hebreeuwse vorm van de naam ,,Jeremia").

Na een tijdje antwoordt de geroepene hijgend : ,,Hier ben ik".

In dit antwoord ligt nog een laatste rest van listige lafheid. Want dit ,,hier ben ik" is niet voldoende.

Want anders is de formule om Gods stem te doen verschijnen en haar vast te houden. De priester Eli had deze formule de jonge profeet Samuel toevertrouwd en Baruch's mond heeft haar hiervoor herhaald, niet zonder verborgen machtiging. Jeremia weet precies wat hij doen moet. Maar misschien gaat het nog één keer voorbij. Het gaat hem niet voorbij. Weer vult zich de ruimte, waarvan ook hij een deel is, tegelijk en gelijkmatig met de donkerronde stem, die spreekt : ,,Jirmejahu !"

Overwonnen en met afnemende vrees opent Jeremia als een angstig biddende z'n handen en zegt de formule: ,,Spreek, Heere, Uw knecht-hoort". 

Nu schrijden de Woorden der stem haast tastbaar om het bed en verzamelen zich aan het hoofdeinde. Want niet meer gelijktijdig en gelijkmatig is opeens het fluisterende klankleven, maar het schijnt om Jeremia's hoofd aan dichtheid toe te nemen :

„Ik heb u gekend, eer dat ik u in de moederschoot formeerde. Ik heb u geheiligd, eer dat gij uit de baarmoeder voortkwaamt. Ik heb u de volken tot profeet gesteld". (Jer. 1 vers 5).

Binnen en buiten, als twee tonen van éénzelfde hoogte, weerklinkt het driemaal gelijke „Ik heb". Vreemd, onbegrijpelijk vreemd is de boodschap, die het brengt. Nooit heeft Jeremia in zijn verborgenste verborgenheid gedacht, dat hij tot het werktuig van een goddelijk plan bestemd zou zijn, dat hij, Hilkia's en Abi's schuchtere zoon, een mens als vele andere, vóór zijn geboorte reeds zoveel toekomst te dragen had "

Dit fragment is voldoende om duidelijk te maken dat Werfel een gans andere kijk heeft op de roeping en inspiratie van een profeet, als Zweig en vele anderen. Hier gaat de openbaring Gods, het Woord des Heeren, niet op in een innerlijk zielsproces.

Neen, hier is het Woord des Heeren iets, dat van buiten af komt tot de profeet, die zelf nooit aan zoiets gedacht heeft; die telkens weer zich verzet en zijn God en Diens vreselijke opdracht tracht te ontvluchten. Hier wordt alle recht gedaan aan wat Jeremia (20 vs. 7) zelf uitroept : „Heere, Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden ; Gij zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht!"

Ook dit boek is maar een menselijke, gebrekkige poging om het ondoorgrondelijke wonder van het spreken Gods door Zijn profeten te beschrijven. Doch de hier geboden beschrijving is aannemelijk, omdat zij die openbaring als een werkelijkheid erkent en Gods Woord niet maakt tot eens mensen woord.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Hoort naar Mijne stem

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's