De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Woord Gods en Heilige Schrift

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Woord Gods en Heilige Schrift

9 minuten leestijd

Voor de traditioneel gelovige mens klinkt het wellicht wat vreemd, als wijl Woord Gods en Heilige Schrift zo naast elkander zetten. Is dat dan niet hetzelfde ? Is er een distantie tussen Gods Woord en de Heilige Schrift ?

In onze tijd zijn er niet weinig mensen, die het vreemd vinden als men de Heilige Schrift zo maar voor het Woord Gods houdt. Zij vinden het heel gewoon, om tussen deze beide een afstand te stellen, zodat wij in de Heilige Schrift als zodanig nog niet het geopenbaarde Woord Gods hebben, doch een menselijk getuigenis omtrent een openbaringsgeschieden. Zij menen, dat dit getuigenis allerminst kan beantwoorden aan het waarachtig goddelijke. Omdat er zulk een onoverbrugbare afstand is tussen God en mens, zou dit niet kunnen.

Daarmede is dan ook de aanleiding voor deze critische instelling op de Heilige Schrift aangewezen. God is zo oneindig boven het schepsel verheven, dat een mensenwoord nooit bij machte kan zijn Zijn waarheid op een gelijkwaardige wijze te bevatten of ook maar uit te drukken — zo zegt men.

De enig juiste consequentie van dit standpunt zou dus zijn, dat van openbaring eigenlijk geen sprake kan zijn, althans niet in die zin, dat wij op menselijke wijze enige kennis van God zouden kunnen hebben.

Het behoeft niet gezegd, dat de Schriftgelovige mens niet achterstaat in de erkenning van de oneindige verhevenheid Gods boven het schepsel Zijner handen. Dit berust bij» hem dan ook niet op een Godsbegrip, want hij weet, dat een begrip niet anders is dan een hersenschim, een gedachte, welke in onze hersenen rondzweeft.

Hij erkent echter, dat niet een begrijpende functie van de menselijke rede, maar een openbarende werkzaamheid Gods bij de mens het besef der goddelijke Majesteit wekt, zodat ook de heiden daarvan iets gevoelt.

Dit besef leidt niet tot een redelijke consequentie, dat God niet kan gekend worden door de mens, maar dat God niet kan gekend worden, tenzij Hij zich aan de mens bekend maakt — en dat op een wijze, welke met de nederige en afhankelijke staat van schepsel zijn, overeenkomt.

Hij verstaat ook, dat hij zelfs tot deze en dergelijke overwegingen niet kan komen, en dat ook de critische mens niet vermocht God in zijn redeneringen te betrekken, indien God zich onbetuigd had gelaten.

Derhalve zijn wij zo vrij te beweren, dat deze critische houding jegens de Heilige Schrift haar grond niet kan vinden in geloof — hetwelk correlaat is aan de openbarende daad Gods —, maar in een wijsgerige gevolgtrekking uit het besef, dat God boven deze wereld verheven is.

Deze gevolgtrekking redeneert uit een idee van een anders zijn van God, welke absoluut wordt gesteld tegenover de idee van een evenzeer absoluut gedacht niet- God-zijn van het schepsel.

De redenering gaat nog verder. Het goddelijk zij.n wordt verenigd met dé idee van het enige, absolute zijn, waartegenover het menselijke als een niet-zijn wordt gewaardeerd.

Op die wijze wordt niet slechts een oneindige afstand tussen God en wereld gezet, maar deze afstand wordt tot een onoverbrugbare klove. In beginsel wordt dit tot een absoluut dualisme, een'eeuwige gescheidenheid, waartussen geen relatie zelfs denkbaar kan zijn, op straffe van hemel en aarde te vermengen.

De Schriftgelovige erkent als de meest vanzelfsprekende zaak de waarheidsmomenten, welke tot deze wijsgerige redeneringen aanleiding kunnen geven. Hij erkent niet alleen de verheven Majesteit Gods, waarvoor hij in aanbidding neerknielt. Hij erkent die God als de Schepper aller dingen, omdat hij de werkelijkheid daarvan in het geloof aanschouwt. Maar hij weet zich ook in alle dingen afhankelijk van die God, als de God des levens.

Deze levende werkelijkheid doet hem beseffen, dat God, ondanks Zijn verhevenheid, een God van nabij is, niet verre van een iegelijk van ons. Hij staat in de realiteit van de Godsopenbaring. De wereld is vol van de heerlijkheid des Heeren — en dat ondanks de ellende van ons menselijk bestaan.

De levende werking der Godsopenbaring in het geloof, dat aan haar gepaard gaat, doet enerzijds de eeuwige werkzaamheid Gods ontdekken op een wijze, welke de ziel overweldigt, maar anderzijds wordt zij daarin gewaar, dat de verborgenheid Gods zich over haar heeft ontsloten.

Men kan dit alles wel verwerpen als mystiek, maar dan spreekt men niet.vanuit de werkelijkheid des geloofs, maar vanuit een negatie der gemeenschap met God, welke de grond is der ware religie.

Voor het geloof is het dus zó, dat de verhevenheid Gods Hem niet in de weg staat, om tot de mens af te dalen en deze te betrekken in de verborgenheid Zijner gemeenschap.

Daarom kan openbaring voor het geloof ook geen probleem zijn.

Immers het geloof verstaat dat openbaring een verborgenheid is, waarin de menselijke rede niet kan indringen en waarover niet te philosopheren valt, omdat God de Verhevene is. Maar het geloof leeft uit de verborgen omgang met God. Het leeft uit de werkelijkheid der openbaring.

In die verborgen omgang gaat God met de mens om als met een mens.

Daarom kan ook het feit, dat God Zich openbaart, gelijk Hij Zich openbaart, voor het geloof geen aanleiding zijn om de openbaring tot een kwestie van discussie te maken : b.v. dat de Heilige Schrift geen Gode gelijkwaardige Godsopenbaring kan zijn en als zodanig niet voor Gods Woord kan worden gehouden, dat wij geen goddelijke waarheden hebben, daarover niet beschikken kunnen, e.d.g.

Zoals reeds werd opgemerkt, zijn dit redeneringen vanuit een Godsbegrip, maar niet vanuit de realiteit des geloofs.

Ook de Schriftgelovige verstaat zeer wel, dat wij, mensen. God niet kennen, zoals Hij zich zelf kent. Hij beseft klaar en duidelijk, dat de menselijke rede niet vermag in het eeuwige Wezen Gods in te dringen.

Hij beseft ook, dat openbaring zulk een met de goddelijke zelfkennis gelijkwaardige Godskennis uitsluit, en dat openbaring als zodanig een andersoortig, wijl schepselmatig kennen van God werkt, en dus een geschapen ken-gestalte onderstelt. Maar daarom dan ook een door God in die openbaring gegeven en door Zijn scheppende daad bepaalde gestalte.

Daarom is het een niets zeggende critiek, als iemand 'beweert, dat wij geen adaequate Godskennis hebben. Deze critiek kan alleen zin hebben tegenover een pantheïst, die zijn eigen rede Voor een modus van de goddelijke rede houdt.

Wat dit alles nu met de hoofdvraag te maken heeft : Gods Woord en de Heilige Schrift ?

Wel, dat de scheiding van Gods Woord en de Heilige Schrift uit een vooropgezet openbaringsbegrip opkomt, hetwelk met de werkelijkheid der Godsopenbaring niet rekent. De Heilige Schrift wordt aan een openbaringsbegrip onderworpen, dat op zijn beurt weer afhankelijk is van een Godsbegrip. Het geloof daarentegen leeft uit het feit der openbaring en verstaat, dat God door Zijn openbaring te kennen geeft, wie Hij jegens de mens is. De ganse Godsopenbaring is op de mens gericht en daarom is zij tegelijkertijd openbaring van de mens in zijn bestaan voor God.

De Godsopenbaring staat in een levende relatie van God en mens, zij heeft de levensbetrekking, welke met de schepping gegeven is tussen God en de mens tot achtergrond en is in deze betrekking werkzaam.

De Godsopenbaring doet haar licht opgaan over de weg, die God met de mensheid neemt, van het begin der schepping tot de voleindiging. Daarom neemt de. Godsopenbaring haar weg door de historie en heeft zij ook zelf een geschiedenis, gelijk deze in de Heilige Schrift wordt voorgesteld.

Dit is trouwens ook de visie der geloofsbelijdenis. Men denke slechts aan de vraag van de Catechismus: Waaruit weet gij dat? Uit het heilig Evangelie, hetwelk God zelf eerst in het Paradijs geopenbaard heeft en daarna door de heilige Patriarchen en Profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der Wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld. (Vr. 19).

Hier wordt in enkele voorname punten de geschiedenis der openbaring geschetst, welke intussen veel nauwkeuriger en uitgebreider kan worden beschreven, als wij die van de beginne af vervolgen en de ganse Bijbelse geschiedenis onder dit aspect beschouwen. Zij vangt aan met de schepping, welke haar hoogtepunt bereikt in de schepping van de mens, die naar het Beeld Gods werd geschapen.

Naar het Beeld Gods geschapen !

Dat heeft met de openbaring ook iets te maken, aangezien de mens, die zo hogelijk door God wordt onderscheiden, geroepen is een levende Godsopenbaring te zijn en een profeet des Allerhoogsten.

Dit werpt zijn licht op heel de Godsopenbaring, omdat de mens naar zijn schepping en bestemming daarbij is betrokken.

Er is geen andere Godsopenbaring dan aan de mens, op de mens gericht, voor de mens bestemd en derhalve ook op de mens afgestemd. Aard en gestalte der openbaring zijn door de Wil Gods omtrent de mens bepaald. Daarom ook is het volkomen misplaatst om deze als niet adasquaat, niet gelijkwaardig met het Wezen Gods, van de hand te wijzen. De Schrift weet van geen andere openbaring dan aan en voor de mens, een openbaring, waartoe de mens is geschapen, waarin hij werkzaam en dienstbaar zal zijn krachtens zijn roeping.

Het is eigenlijk zó, dat God in Zijn openbaring niet alleen tot de mens komt, maar dat de mens naar de orde zijner schepping en naar zijn bestemming als profeet, priester en koning, levende Godsopenbaring is en behoort te zijn.

Dit wordt trouwens daarin bevestigd, dat God ook in de gevallen mensheid nog profeten en priesters en koningen tot Zijn dienst verwekt heeft, en mensen roept om Zijn W^oord te bedienen en Zijn getuigen te zijn.

Aangezien nu de Godsopenbaring geen andere dan openbaring aan de mens is, en geen andere bedoelt te zijn, geeft zij niet alleen te kennen wie God is jegens de mens, maar laat zij ook het licht opgaan over de mens, over zijn oorsprong, wezen, roeping en bestemming.

Zij geeft tegelijkertijd kennis van God en van ons zelf.

Zo is de Godsopenbaring niet alleen op de mens aangelegd, maar de mens is krachtens zijn schepping ook op de openbaring Gods aangelegd.

Schepping en openbaring komen beide uit de Wil Gods omtrent de mens voort en zo leert de Heilige Schrift dan ook, dat het profetische Woord uit die zelfde Wil is voortgekomen. Dat wil dus zeggen, dat de menselijke gestalte der openbaring een werk Gods is voor de mens.

Omdat de Heilige Schrift uit de Wil Gods is voortgekomen naar het getuigenis van de Heilige Geest, hetwelk ook bevestigd wordt in het hart van Gods kind (Ned. Gel. bel., art. 5), belijdt de kerk, dat de Heilige Schrift Gods Woord is.

Wij willen niet beweren, dat daarmede alle vragen, die zich op het stuk der Heilige Schrift voordoen, zijn beantwoord of van de hand gewezen, doch men zal zich bij het zoeken naar een antwoord op dit standpunt des geloofs moeten bewegen om tegenover dit getuigenis verantwoord te zijn en niet op grond van allerlei overwegingen, die buiten dit getuigenis omgaan, een distantie stellen, welke er niet is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Woord Gods en Heilige Schrift

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's