De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoort naar Mijne stem

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoort naar Mijne stem

15 minuten leestijd

II. (Slot).

Op een tweede fragment uit dit merkwaardige boek wil ik nog de aandacht vestigen. Koning Joachas wordt door Farao gevangen genomen, van de troon vervallen verklaard en als rijksgevangene weggevoerd naar Egypte, met zijn moeder Hamutal en zijn broeder Mathanja.

Jeremia gaat mee (volgens Werfel's verhaal). In Egypte vat hij liefde op voor een Egyptisch meisje, He-Nut-Dime, dat hij Zenua noemt. Zij drinkt met vreugde Jeremia's woorden in, als hij haar spreekt van de Heere, de Allerhoogste God. Doch juist, als zij op het punt staat, met Jeremia in het huwelijk te treden, wordt zij plotseling ernstig ziek. En Zenua sterft.

Dan komt Jeremia in volle opstand tegen de Heere, zijn God. Hij gaat tot de Egyptische priester Cher-Hep, om zich door hem te laten inleiden in de geheimen van Egypte's godsdienst.

,,Jeremia had de pijl naar de Heere van zijn ziel afgeschoten.

Hij bevond zich in een kaMer in de weststad, in het land van de ondergang, waarover Cher-Hep onbeperkter heerste dan Farao. Op een harde brits lag hij uitgestrekt. Voor zijn ogen leefde in het sterke fakkellicht aan de wanden het bonte schilderwerk, dat in brede repen de vaart van de zonnebark door ), het land der verzamelde duisternissen (het dodenrijk) voorstelde. Nog steeds begreep Jeremia niet alles van deze afgodische waanvoorstellingen, maar zijn hart raasde in smart en woede. Om dat, wat hij nu dacht, deed en van plan was, vervloekte hij zichzelf, alleen om de Heere te straffen, die ieder doodde, die hij liefhad en hem naakt achterliet en te gronde richtte als Zijn ergste vijand. Zijn geliefde had slechts om zijnentwil moeten sterven, genadeloos vermoord op de vastgestelde dag der vreugde : Zenua, die de Heere had gezocht.

Zo geeft Jeremia als een opstandige zich over aan de godsdienst van Egypte. Door vele zware oefeningen moest hij ingewijd worden en zich voorbereiden om het rijk van de dood te leren doorzoeken. Door een langdurig vasten en het gebruik van een bepaalde drank worden alle lichamelijke driften gedood en voor de zinnen de grenzen der werkelijkheid uitgewist. En eindelijk komt het ogenblik, dat Jeremia met de priester Cher-Hep als zijn leidsman, de tocht gaat maken door het ,,Amenti" : het Egyptische Dodenrijk.

Temidden van alles, wat hij daar ziet en hoort, dringt zich aan Jeremia steeds sterker het gevoel op, dat dit alles toch eigenlijk onwezenlijk is.

,,Het is waar, 't was geen gewoon voorttrekken, maar een heel bijzondere vlieggang, waartoe Jeremia zich ineens in staat voelde. Hij zweefde, door z'n benen slechts af en toe een beetje te bewegen, over het wind-gekamde woestijnzand, 't welk te doorwaden anders een moeizaam en langzaam werk was".

,,Het doel lag duidelijk voor hen, waar de zinkende zon de aardschijf moest snijden. De afstand daarheen was niet te schatten, maar toch naderden zij het doel schijnbaar met grote snelheid. Jeremia had het gevoel, niet met het geheel, maar slechts met een deel van zijn leven daar te zijn, als een schaduw, als een van die spoken, die door de priesters tot leden van Osiris verklaard worden". (Osiris is de Egyptische god van het Dodenrijk).

,,Jeremia voelde plotseling, dat hij op de wankele planken van een platboomd voertuig stond. Ze voeren op de stroom Ur-Nes, de Nijl van de nacht, achter de zonnebark aan". Een der roeiers, ,,roei de krachtig met zijn riem, die hij toch niet in zwart water, maar in een weerstandsloze leegte scheen te stoten". Het was een bijzondere eer, om de dodenwereld op de stroom van de nachtzon te mogen bevaren. ,,Want aan beide in het nevelig grijs zich oneindig ver uitstrekkende rivier-oevers, trok schimmig voetvolk voort, in niet minder oneindige hoeveelheid". Dit zijn de armsten der armen. Geen ziel uit de aanzienlijke en eerwaardige huizen der twee en veertig gouwen van Egypte bevindt zich onder hen, maar slechts slaven, lijfeigenen, horigen, boeren, handwerkers en dienstmannen, voorzover ze niet door hun eigen meesters voor het gemak en de gewoontelust van deze naar een betere oponthoudsplaats werden meegenomen.

,,Hier gaf Jeremia zich. voor het eerst rekenschap van een weten, dat in hem steeds sterker aangroeide. Hij geloofde niet, dat dit slechts een zeer levendige droom was. En toch was dit alles onmetelijke verten verwijderd van een echt gezicht . . .. . Het zekerste van dit alles scheen nog de koele, droge hand van Cher-Hep te zijn, die zacht de zijne hield. Dit alles was er, maar slechts als door een oproep van het eigen dieper weten. Was de Amenti een onechte plaats? Geen duidelijk woord des Heercn over verblijf en lot van de doden was er ooit vernomen . . . . "

Van het ene nachtuur overgaand in het tweede, wordt de voorthijgende stoet aan beide oevers steeds dunner, hoe verder zij komen. ,,Steeds kleiner, steeds gezeefder, steeds ,,beter" werd de .schare van de voortdringenden. Waarop hoopten zij, daar toch voor deze landen overal dezelfde formule met z'n ganse verschrikking sloeg : De dood is vervelend ! Geen echt lijden en geen echte vreugde scheen deze zielen beschoren te zijn, maar een zinneloos verlangen, een lege onrust, die hen vervelend heen en weder draaide.

Aan de oever van het land van het vierde nachtuur landde de roeiboot. Onmiddellijk danste er een werveling van jonge vrouwen om Cher-Hep en Jeremia. Zij hebben het vermogen om de toestand van hun zijn, of liever niet-zijn in vreemd gonzende gezangen uit te drukken. Deze vrouwen waren alle als zonder gezicht. Een van haar hurkte aan Jeremia's voeten neer en tsjirpte krekelachtig een lied, terwijl ze deed alsof ze zich op een langhalzige fluit begeleidde. Haar hed komt hierop neer: „Geniet de liefde, zo lang ge leeft". Want de dood is zo vervelend.

„Want hier in de diepte, in dit droevige oord, hier wankelt en wiegelt ons bleek-lege lijf, Niet wetend van vader of moeder of broeder. Hier loochent zelfs 't hart onverschillig zijn kind. Hier zetelt de Dood, de volmaakte, zo noem ik Het leed, dat de liefde in ons niet meer liefheeft. Wie leeft, drinkt het zuivere water des levens, Ik echter versmacht in mijn eeuwige dorst. Zo dicht bij de stroom en ik dorst en ik dorst En weet niet meer wie ik of waar ik hier ben En ween, als een zucht van de lucht van de oever Mij weer heeft doen weten van liefde, die liefheeft".

Heel sterk herinnert ons dit alles aan de wijze, waarop ook de Griekse dichter Homerus het dodenrijk beschrijft als een „leven" in een grijs-nevelig land, waar de schimmen benijden hen, die nog het licht der zon aanschouwen. Welk een verschil met het blij vooruitzicht dergenen, die wensen, ontbonden en met Christus te zijn en Hem in Zijn heerlijkheid te mogen aanschouwen.

Jeremia trekt verder met Cher-Hep en komt in het land van het vijfde nachtuur, dat de naam draagt : „Gouw van alle uitgedachte en denkbare mogelijkheden der .schepping". Daar ziet hij angstwekkende gestalten, de belichaming van een onontwarbaar gewoeker van droomgeboorten, beeldflarden, gedachtenverbindingen en gedachtensprongen der menselijke verbeeldingskracht, zoals die losbandig omvliegen in de geest der mensen. Het zijn niet slechts zinneloze, maar dikwijls ook schaamteloze en goddeloze verschijningen. Alleen hij, die. zoals Cher-Hep, hun naam weet, heeft macht over hen.

,,Jeremia, de priesterzoon uit Anathoth, die voor het heiligdom des Heeren eens in de Paschanacht de reinheid van zijn leven tot op de bodem had doorzocht — hier in de diepten der Amenti dacht hij van schaamte en weerzin te vergaan. Nu begon hij te begrijpen, dat hij door deze zondige afdaling niet de Heere, maar zichzelf had gestraft. Waren de uitspatting en de ontucht van het menselijk denken zo mateloos, dat daarvoor een eigen rijk moest worden gesticht en geen tijd voldoende was om deze op te zuigen en uit te branden ? Waren zij bovendien zo duivels, dat zich onder alle geschapen vormen, die het onuitgesproken denken der ziel verbergt, niet één enkele troostrijke, godgevallige bevond ?

Een zijdelingse blik overtuigde Jeremia, dat Cher-Hep in deze hel der vermenging van alle geschapen vormen niet leed. Hij scheen integendeel tevreden te zijn, dat hij aan het hoofd van een hel stond, welker duizelingwekkende geheimen zijn geest spelenderwijs beheerste... Veel. wist Cher-Hep van het werkelijke en onwerkelijke, oneindig veel meer dan Jeremia. Maar één ding had Osiris hem niet geleerd : te onderscheiden tussen goed en kwaad, tussen rein en onrein, tussen schaamte en ontbloting. De bliksemende zwaardhouw van de walging, die eeuwig van de hemel door de aarde in de diepte vaart en het heelal onverbiddelijk in tweeën deelt, die kende hij niet".

Nog ontzettender en gruwelijker en goddelozer worden de gedrochten, die hen in de volgende nachturen omringen, totdat het dieptepunt is bereikt : hun vaart gaat door de woonplaats van Apep, de oerslang. Zelfs de hand van Cher-Hep wordt ijskoud, maar hij weet de naam van dit monster en dondert het toe in de volslagen duisternis : ,,Apep, oerslang, die mij wil dwingen mijn god in stukjes te breken !"

„Op het bezwijken hiervoor stond de tweede dood, de dood in de dood, geen gewoon uitgedoofd worden, maar een wetend dood-zijn, alleen voorstelbaar voor de tweemaal gestorvene. Zelfs Cher-Hep scheen thans van de diepste vrees vervuld te zijn. Jeremia voelde echter geen vrees "

Maar bij Jeremia rijst de gedachte : ,,Egypte echter, voelde dat niet, dat het de dubbele dood al lang schuldig was ? Was het niet voor Apep bezweken en had het niet God in stukken gebroken en in ontelbare delen verscheurd ? " Want Egypte dient niet de enige ware God, doch heeft Hem verbrokkeld in honderden afgoden, die het aanbidt en dient! „Om dit zondigen tegen de éénheid van de Enige was de Amenti (het Dodenrijk) tot heerseres van het Tweeland (Egypte) geworden. Want de verbrokkeling der enige Eenheid en Waarheid dwingt de mensen, hoe vertwijfeld ze zich ook in een roes storten, de zinneloze dood tot hun koning aan te stellen. Welk een huiver doorschokte Jeremia, toen hij in Apep's diepste hel zeker was van Israel's uitverkiezing !"

Verder gaat de tocht, langs het paleis der beslissing, waar de zwijgzame Osiris temid­den van zijn twee en veertig diervormige dodenrechters het oordeel van toelating of afwijzing uitsprak, waar de zielen der doden om strijd zich trachtten vrij te pleiten van zonden. „Smart om (deze nog in de dood misleiden, greep Jeremia aan".

Dan komen zij in het oord der zaligen. ,,Maar o, wat een zaligheid was dat, die niet waarlijk van de onzaligheid der eerste gouwen verschilde en in echtheid en waarheid ver voor de gouwen der aanvechtingen en van het gericht onderdeed ? ! Hadden de zielen daarom het aardse leed van het sterven en zovele dwalingen, angsten en beproevingen op de wegen der Amenti doorstaan, om nu het uit-geleefde leven eeuwig te herkauwen als de flauwe herinnering aan een lang verteerde spijs ? Waarlijk, hier stond aan de oever van de Ur-Nes een visser, wiens grootste vreugde het eens was geweest zijn snoer uit te werpen en dit peinzend na te kijken. Ook thans maakte zijn Ka (d.i. zijn ziel) dezelfde beweging. Met een goedgemikte zwaai wierp hij het vistuig uit. Maar er was geen snoer aan de hengel en geen hengel aan het snoer en er was geen water met vissen, waar het in viel. Niets was er dan het lege vissersgebaar van een bedrogen . en zichzelf bedriegende schim".

Zo is het overal in dit oord der zaligheid in het Egyptische dodenrijk. „Zaligheid sprak niet uit hun trekken, doch iets gedwongens, dat uit verwachte bevrediging en ingetreden teleurstelling slap gemengd was. Wel was het te zien, dat al deze menselijke schijngestalten slechts uit goedaardigheid en zwakte zich in dit afgesproken werk schikten, om voor de goden van Egypte geen spelbreker te zijn. De zaligen waren als een wreed beheerst volk, dat alleen omdat het tussen een vreselijke orde en een vreselijke wanorde te kiezen heeft, de orde kiest. Met ontroerende inspanning stelden ze de zaligheid voor, die ze niet hadden. Schrijvers zaten er, die, zonder papyrus op hun knieën, zonder stift niets in het niets inschreven. Vrouwen begoten zonder water even ijverig de planten van een groentetuin, die er niet was. Maaiers maaiden met grote zwaai geen koren. Jagers spanden krachtig geen boog voor geen wild, dat toch binnen schotsafstand voorbij scheen te vliegen. Families zaten aan een eettafel. Jakhalskoppen schoven hun traag de verdroogde spijzen van de dodenoffers toe. Vaders, moeders, broeders en zusters zagen elkaar niet, brachten lege handen naar de mond, maakten matte kauwbewegingen en waren blijkbaar verstoord over hun geringe eetlust, zowel als over het ontbreken van de spijzen. En dit was al de hoogste zaligheid, de vervulling van alle gebeden, die een eerbaar huisvader tot de goden van Egypte richtte : ééns, met de zijnen verenigd, in Auli (het oord der zaligheid) te mogen tafelen.

De zijnen ? Niemand zag iemand. Het was als in de narretoren. De wezenskern, de ziel van de ziel, bleef verkleefd aan een laatste, niet weg te denken ikzucht, die haar verbood de buurman ook maar te zien".

„Walgend keek Jeremia naar dit spel. Ka (de ziel) had zich staande gehouden, deze troebele afspiegeling van de mens, deze Amenti van het ik, die slechts zichzelf kende en eigenzinnig en ikzuchtig aan het misleidworden vasthield. En deze afschuwelijke ellende, die niet loskwam van zichzelf, die nooit de verterende drift had gevoeld om omhoog te stijgen naar de enige Schepper van de wereld, deze ellende hielden Cher- Hep en geheel Egypte voor zaligheid ? !

,,Jeremia weet niet hoe het gebeurt. Er is geen influistering van de Heere over hem gekomen, maar een plotseling verhoogd bewustzijn. Gods vreugde, deze wilde steekvlam van zijn leven. Hij is Zenua ineens vergeten. Hij is de wil tot zonde, de wraaklust en het verlangen vergeten, die hem hier heen dreven, ja zelfs zijn walging. Niets anders is er in hem dan de zekerheid van een hoger heil, van een waardiger zaligheid en een overstromend erbarmen met deze zielen, die door de dood kinds geworden, hun belachelijk leven als nog belachelijker spel herhalen. En ofschoon er geen woord tot hem werd gericht, weet hij, dat het niet zijn eigen zonde, maar goddelijke bedoeling was, die hem naar de doden af deed dalen. Want hij is gezonden om de doden de waarheid en de troost te brengen, dat ook over hen de Heer des levens heerst, die de dood verwerpt en die niet vergeten kan, wat Hij schiep. En de geheiligde, die onder de volkeren der wereld als profeet is gesteld, hij breidt z'n armen uit en troost het dodenvolk met de troost van Israël :

,,Hoort ook gij, Amenti, de Heere is onze God, de Heere is enig !" j

En opeens is alles weg en komt Jeremia tot zichzelf. Hij richt zich op — en bevindt zich nog steeds in zijn cel.

Veel in dit verhaal is fantasie van de schrijver. Doch niet zijn beschrijving van Egypte's godsdienst, die hij doorzien en tot op de bodem gepeild heeft. Hoe leeg, hoe ijdel, hoe troosteloos is zulk een verwachting voor een leven na de dood, een zaligheid, die geen zaligheid is, in vergelijking met de hemelse erfenis, die Christus voor ons verwierf en in het Vaderhuis bereidt voor al de Zijnen".

Eenzelfde meesterschap in het peilen van een godsdienst toont Werfel in het hoofdstuk; „De tocht door de sterrenhemel". Hier is Jeremia in Babylon, weer in opstand tegen zijn God. Daar moet hij op bevel van de koning in de nacht der wereld-vernieuwing en lotsbestemming optreden als sterregetuige. En als hij met Nebukadnezar en de priester Samger Nebu de tocht door Babylon's sterrenhemel maakt, dan komt weer een vreemd gevoel bij hem op. In Egypte's Amenti was het: ,,Wat is de dood vervelend " Hier is het : „Wat zijn de sterren ijl !" Het is alles onwezenlijk, onwerkelijk, ijdel en leeg. ,,Het gevoel, dat hij ervaart, is teleurstelling die tot een twijfelend onbehagen en eindelijk tot een duidelijke argwaan groeit: ook het schouwen van de sterren was geen echt ,,gezicht", evenmin als het schouwen der doden een echt gezicht was. Had hem midden in de Amenti de ontmaskerende gedachte beslopen : ,,de dood is vervelend", thans besluipt hem een niet minder ontmaskerende gedachte : ,,de sterren zijn ijdel!" ,,Als de sterren de hemelse heirscharen der engelen zijn, dan hebben zij hun Heer vergeten en loven nog slechts hun eigenwaan".

„Kunt gij niet zwijgen, zoon Jakobs ? Drijft de onruststïchter van uw hart u weer om onrust te stichten ? " 

Neen, Jeremia kan tenslotte niet meer zwijgen ! „Ook al weet hij precies, wat hij met deze woorden op Mardoek's heiligste plaats waagt, hij kan ze toch niet tegenhouden. Aan hem voltrekt zich thans de heiliging van zijn geboorte, die hem als een profeet onder de volken heeft gesteld. En wat hij het dodenvolk van Amenti geprofeteerd heeft, dat profeteert hij thans op een veel gevaarlijker plaats aan het sterrenvolk van Babel en het Universum :

,,Hoort, Mardoek en alle sterren, de Eeuwige is onze God, de Eeuwige is enig !"

Werfel's boek is de moeite van het lezen overwaard, omdat het ons te beter doet beseffen de rijkdom van Gods beloften, die niet leeg en niet ijdel zijn. Deze wereld gaat voorbij met al haar heerlijkheid, maar het Woord van onze God bestaat in der eeu­wigheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Hoort naar Mijne stem

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's