Ontdekking van oud-Hebreeuwse handschriften
De 15e Febr. 1948 werd de directeur van „the American School of Oriental Research" te Jeruzalem opgebeld door vader Brutus Sowmy van het orthodoxe Syrische Markusklooster aldaar. Hij wilde met dr. John Trever een paar oud-Hebreeuwse handschriften bekijken. De volgerade dag kwam vader Brutus met zijn broeder Karim en opende een kleine lederen tas, waaruit vijf boekrollen kwamen, gewikkeld in krantenpapier, benevens een klein fragment.
De grootste rol was opgerold met het einde naar buiten en de laatste kolommen, die op één blad perkament stonden, waren losgeraakt, doordat de draad het begeven had. Treves copiëerde een paar regels van de tekst, om die wat nauwkeuriger te bestuderen en stelde voor het handschrift te laten fotograferen. Hij hoorde nu ook, hoe vader Brutus er aan gekomen was.
Zwervende! Bedoeïnen, op weg van het Jordaandal naar Bethlehem, waren bij een grot gekomen, dicht bij het noordelijk einde van de Dode Zee. De grot was gedeeltelijk ingestort, zodat de hoofdingang geblokkeerd was en slechts een kleine opening over was. Blijkbaar waren een paar potten, die de boekrollen hadden bevat, stuk gegaan, zodat de inhoud aan de dag was gekomen. De Bedoeïnen haalden de rollen te voorschijn en scheurden de omhulsels er af. Zij lieten het eerst hun vondst zien aan de Arabische sheik in Bethlehem. Deze meende, dat het Syrisch schrift was en verwees hen naar de Syriërs in Bethlehem, die op hun beurt hen verwezen naar de metropoliet Athanasius Jeschu Samuel van het klooster te Jeruzalem. Door bemiddeling van deze werden de rollen verkocht aan 't Markusklooster, en nu wensten de monniken hulp, met het oog op de catalogisering van hun nieuwe bezit.
Het bleek later, dat de Bedoeïnen de rollen ontdekt hadden in de late zomer van 1947. In het einde van Augustus toonden zij aan één van de Syrische priesters de vindplaats. Maar door de geweldige hitte was het deze slechts mogelijk een paar minuten in de grot te blijven. Hij vertelde, dat hij niet alleen stukken had gezien van de omhulsels, doch ook talrijke fragmenten van handschriften, scherven van de potten, in welke de rollen verzegeld hadden gelegen, en sporen van graven in de nabijheid.
De Bedoeïnen beweerden, dat zij ook een paar onbeschadigde potten hadden gevonden, die zij nu gebruikten.
Toen de Syriërs Treves hadden verlaten, begon hij direct de studie van de gecopiëerde regels. Het bleek, dat hij te doen had met een stuk uit Jesaja 65 vs. 1. Reeds de volgende dag werden de Syriërs overgehaald, de rol bij Treves te laten ter fotografering. Ondanks allerlei moeilijkheden konden Treves en zijn collega- dr. Brownlee in de eerstvolgende dagen vier van de vijf rollen fotograferen, gedeeltelijk in zwart-wit en gedeeltelijk in kleuren. De laatste rol bleek in te slechte conditie te zijn om uitgerold te kunnen worden.
Met het oog op de onzekere toestanden m het land, hadden de Syriërs de rollen vóór einde Maart 1948 buiten het land in veiligheid gebracht. Ook de Amerikaanse geleerden verlieten toen het land. Intussen was de belangrijkste vraag voor het beoordelen van de waarde van de vondst, de kwestie van de ouderdom van de tekst, voorlopig beantwoord geworden.
Het is een eigenaardig feit, dat wij tot nu toe werkelijk oude Hebreeuwse handschriften misten. Paradoxaal kan men het zó uitdrukken, dat, terwijl we oude handschriften hebben van het Nieuwe Testament, we slechts nieuwe hebben van het Oude Testament. En dit geldt niet slechts relatief genomen, doch ook absoluut. De papyrusvondsten van de laatste decenniën, vooral de Chester-Beatty verzameling, gaan terug tot de tijd, voordat het Christendom had overwonnen onder Constantijn, en de opkomst van de grote kerkbijbels, vertegenwoordigd door de prachtige handschriften als de Codex Vaticanus en Sinaïticus. Terwijl de oudste Nieuw-Testamentische papyrus handschriften minder dan twee eeuwen verwijderd zijn van het vervaardigen van de originele geschriften, is deze tijdsruimte voor de Hebreeuwse grondtekst één of twee duizend jaar. De oorzaken van dit verschijnsel kunnen hier niet behandeld worden. De oudste Hebreeuwse handschriften van de Bijbel van grotere omvang, dateren van ongeveer 900 a 1000 na Christus.
Reeds bij de eerste vluchtige bestudering van de tekst van Jesaja, meende Treves een treffende gelijkenis te vinden met de zogenaamde papyrus Nash, die in Cambridge bewaard wordt, stamt uit de tijd kort vóór de geboorte van Christus en het bekende gebed „Schema" (Hoor, Israël) en de tien geboden bevat. De indruk, dat men hier te doen had met een handschrift van hoge ouderdom, werd nog versterkt bij de voortgezette studie van de teksten. De 15e Maart kwam de bevestiging van de meest competente zijde, n.l. van prof. W. F. Albright, de eminente semitist en kenner van de godsdiensthistorie, die in een brief als zijn mening meedeelde, dat het geschrift ouder was dan de Nash papyrussen, waarschijnlijk stamde van 100 vóór Christus. Hij wenste zijn landslieden geluk met „the greatest manuscript discovery of modern times".
We hebben eindelijk een authentiek handschrift van één der belangrijkste boeken van de Bijbel uit de tijd van vóór de verwoesting van Jeruzalem, waarschijnlijk van vóór de geboorte van Christus en misschien zelfs uit de tweede eeuw vóór Christus. Daarbij, in volmaakte conditie. Er zijn verschillende redenen, waarom van vervalsing geen sprake kan zijn. Prof. Millar Burrows is al begonnen met een tekstcritisch onderzoek van deze Jesajarol te publiceren. Voor zover men nu reeds heeft kunnen zien, bevat deze oude tekst geen revolutionnerende varianten, doch stemt tamelijk wel overeen met de Masoretische tekst.
De overige drie handschriften, die gefotografeerd zijn, bevatten deels stukken uit een commentaar op de profeet Habakuk, met kleine tekstdelen, gevolgd door een korte verklaring, deels stukken van een niet- Bijbels geschrift, dat men de voorlopige naam heeft gegeven van „Seictarian Document".
Dan blijft nog over de rol, die nog niet ontrold is. Maar ook hier heeft men goede hoop binnen afzienbare tijd dit handschrift te kunnen ontrollen. Hoewel in de twee duizend jaar, dat het in de grot moet hebben gelegen, veel door de tand des tijds heeft geleden, bevindt het zich toch nog altijd in een toestand, die veel beter is dan die van vele papyrus-handschriften, die in de laatste decenniën door egyptische fellahs aan het licht zijn gebracht. Deze ontdekking is een buitengewone vondst, die de stoutste verwachtingen overtreft. En toch is het niet alles. We hebben ons hier alleen bezig gehouden met dat deel van de vondst, die zich in de handen der Christenen bevindt. Maar er is ook nog een andere helft, die het eigendom van de Joden is geworden, n.l. van de Hebreeuwse universiteit te Jeruzalem. Nadere details hierover zijn gepubliceerd in een artikel van H. L. Ginsberg in het Decembernummer van het „Bulletin of the American Schools of Oriental Research".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's