MEDITATIE
Die in Christus Jezus zijn
Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest. Romeinen 8 vers 1.
Geen verdoemenis.
De rijkdom der zaligheid wordt op treffende wijze gekenmerkt door deze negatieve omschrijving. Tegenover de nacht der eeuwige duisternis komt het heldere licht van de eeuwige dag het scherpst uit. Waaraan zal ieder van Gods kinderen meer worden ontdekt, dieper ingeleid en met meer schrik worden vervuld, dan voor wat begrepen ligt in dat éne woord „verdoemenis". Wereldlingen en naam-christenen hebben dit woord óf uit hun woordenboek geschrapt óf zó van zijn kracht beroofd, dat er van de verschrikking van de eeuwige dood of de angst der hel niets meer is overgebleven. Ook kunnen zij in de valse verzekerdheid van eigen zaligheid, blind voor de schrikkelijke toekomst die hen wacht, met een lichtzinnigheid, die ongelooflijk is, aan de zware klem van dit machtige woord „verdoemenis" zelfbewust de oren toesluiten met de valse gedachte : „dat is niet voor mij weggelegd".
Wie zal ze tellen, die menen in te zullen gaan en niet zullen kunnen?
Daarom, lezer of lezeres, hebt gij al iets van de ontzetting niet alleen, maar óók de onafwijsbare juistheid van de uitspraak van het allerheiligst recht Gods over u, arme zondaar, Ieren kennen, zoals de dichter van de 116de Psalm in de welbekende woorden weergeeft :
Ik lag gekneld in banden van de dood. Daar d' angst der hel mij alle troost deed missen.
Zo onafwendbaar wordt voor de ontdekte zondaar het doemvonnis van die God, tegen al Wiens geboden hij gezondigd heeft, dat er geen ontkoming meer is. Is metterdaad het werk der ontdekking van de door God verkoren zondaar één zwarte nacht van wanhoop ?
Niet zo; of de benauwde, van droefenissen omringde, zal in al zijn nood de Heere aanroepen met de ootmoedige smeekbede : „Och, Heer', och, wierd mijn ziel door U gered".
Die smartelijke ontdekking ontledigt de zondaar zo en doet hem zo gans en al alle grond voor de eeuwigheid in zichzelf verliezen, dat hij onder des Heeren genadige leiding en bestiering onder de harde en onbuigzame meester der wet uitgedreven wordt tot de Troon der genade Gods, om in de door God gezonden Zaligmaker van zondaren, de enige Bron van waarachtige en volkomene genade Gods te zien geopend, zodat de dorstige verkwikking vindt bij die geheel enige Fontein des levenden Waters.
En zo waarachtig als eerst de waarheid de ontdekte zondaar neerwierp in de diepte der hel, zo waarachtig wordt hij door Hem, Die nabij gebrokenen van hart en verslagenen van geest is, opgericht uit het stof.
Eerst in die overzetting uit de eerste in de tweede Adam wordt de uitnemende heerlijkheid van de uitspraak van de Apostel als de kostelijkste waarheid gekend en bemind. Geen verdoemenis.
Al de beschuldigers wordt het zwijgen opgelegd ; alle stemmen der veroordeling van zich zelf worden overstemd door de vrijspraak van Hem, Die alleen verklaart: Mijn zoon. Mijn dochter, uw zonden zijn u vergeven ! Al staat ook een heirleger van vijanden op, zo zal toch de Heilige Geest daar binnen betuigen : geen verdoemenis. Al ontwaakte ook de ganse hel met al zijn trawanten om zo een in het naar verderf te trekken, zo zal toch de gezegende Immanuël niet dulden, dat ook maar één haar zou worden gekrenkt. Zo min, als de leeuwen in de kuil ook maar Daniël iets konden doen, omdat God hun muil had toegesloten.
Waarom tóch zó vrij, zó veilig, zó zeker. De Apostel verzuimt niet te omschrijven, voor wie deze heerlijke waarheid van kracht is, n.I. voor degenen, die in Christus Jezus zijn. Deze geheel juiste bepaling van al Gods ware kinderen, doet het helderste licht opgaan, over wat anders onmogelijk, ja, ongerijmd zou zijn.
Het is een droef verschijnsel van onze geesteloze tijd, dat de draagwijdte van deze uitdrukking van de Apostel niet meer wordt verstaan. De grond der zaligheid, der zekerheid zijner zaligheid, wordt gezocht in zichzelf. Waar dit het geval is, lijkt voor zo een ,,geen verdoemenis" ijdele grootspraak. Terwijl juist omgekeerd deze uitnemende verklaring van de Apostel de zodanigen moest ontdekken aan de verkeerde beginselen en practijken waaraan zij zichzelf hebben overgegeven om altijd te leren en nimmer tot kennis der waarheid te geraken.
Christenen zijn niet, die van Jezus zijn of met Jezus gaan of Hem achteraan komen of Hem van verre volgen, maar die in Christus Jezus zijn.
Eerst wanneer de vervolgde in de vrijstad gekomen was, was hij bevrijd van zijn vervolgers. Maar de vrijstad had ook altoos haar poorten open, opdat dezulken de plaats der ontkoming zouden bevinden open te staan.
Zo is er van alle ware-Christ-gelovigen een leven der genade, dat in de Zoon der eeuwige liefde Gods is, zo in Hem, als de ranken in de Wijnstok zijn en onmogelijk vrucht kunnen dragen dan door de gemeenschap van het ware, zaligmakende geloof, dat Christus en al Zijn goederen deelachtig maakt.
Zo leren, die in Christus Jezus zijn, verstaan het woord van hun Zahgmaker : Die mijn vlees niet eet, en mijn bloed niet drinkt, kan Mijn discipel niet zijn.
Dat in Hem zijn sluit uit, in iemand anders te zijn. 't Is onmogelijk krachtens de bediening des Heiligen Geestes twee heren te dienen. Liefhebbers van zichzelf kunnen onmogelijk liefhebbers Gods zijn.
Door de krachtdadige roeping Gods, de innerlijke vernieuwing des levens door wedergeboorte en bekering, zijn zij, dood in zonde en in misdaden zijnde, door de Vorst des levens levend gemaakt, om nu voortaan in Hem te zijn, uit Hem te leven, door Hem te bezitten, wat Hij krachtens eigen zoen- en kruisverdiensten verworven heeft.
Zo kan er geen verdoemenis meer zijn, van degenen, die in Christus Jezus zijn, of de gezegende Borg moest niet zelf het handschrift hunner zonden hebben uitgewist.
Zo kan ook het kind des Heeren alleen maar in Christus Jezus in-zijnde, delen in de wélverzekerde wetenschap : voor mij geen verdoemenis. Niet als hij ziet op zichzelf, maar op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Christus Jezus.
Maar opdat het van de gemeente des Heeren, die toch in haar geheel in Christus is verkoren ten eeuwigen leven, ten duidelijkste zal blijken, dat deze waarheid ook van kracht is voor de enkeling, zo wordt door de Apostel een onbedriegelijk kenmerk gesteld, waardoor ware- en valse Christenen worden onderscheiden.
Waaruit zal het waarlijk in Christus Jezus zijn blijken ? Hierin, dat hij onderscheid maakt tussen degenen, die naar het vlees wandelen en die naar de Geest wandelen. Let er wel op, de apostel spreekt van „wandelen". Alle Anti-nomianen van vroeger en later tijd trekken hier verachtelijk de schouders op. Maar Spurgeon zegt in één van zijn preken : „Wij kunnen noch door, noch om onze goede werken zalig worden, maar ook evenmin kunnen wij zonder goede werken zalig worden. Christus zal Zijn volk niet zalig maken in hun zonden ; Hij maakt Zijn volk zalig van hun zonden. Indien iemand niet begeert in het oog van God en met de hulp des Heiligen Geestes een heilig leven te leiden, dan is hij nog „in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid".
Daarom laat de Apostel ook hier de tegenstelling uitkomen in tweeërlei levenswandel.
Een wandel naar het vlees. Het is niet twijfelachtig wat de Apostel daaronder verstaat. In Galaten 5 vers 19 somt hij de werken des vleses op en noemt: overspel, hoererij, onreinheid, ontuchtigheid, afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen en dergelijke". En dan laat hij het niet alleen bij deze opsomming, maar voegt er deze pertinente verklaring aan toe : „van welke ik u van tevoren zeg, gelijk ik ook tevoren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beerven".
Inderdaad zal iedere boom aan zijn vrucht worden gekend. Zodat ook voor de gemeente des Heeren te Rome duidelijk moet worden, voor wie de uitnemende waarheid : „geen verdoemenis" geldt : dat daarvoor noodzakelijk is het zijn in Christus Jezus ; en dat deze geestelijke relatie tot uitdrukking komt en komen moet in een wandel, niet naar het vlees.
Het beginsel des vleses is vijandschap tegen God en daarom in strijd met al Gods geboden, zowel van de eerste, als de tweede tafel der Wet. Dat beginsel is in zijn diepste trek : zelfzucht. Zo valt het niet te verwonderen, dat de .kwade vruchten ook van onze eigen tijd voortvloeien uit de verloochening en verwerping van de waarachtige leven-vernieuwende levensbetrekking die er zijn moet met de door God gezonden Verlosser en Zaligmaker. En deze levensbetrekking vindt geen steun in het vlees. Daarom ontdekt de Apostel hef innerlijk en kenmerkend leven van de ware Christen eerst in een ontkennende zin : niet naar het vlees. Uit het in Christus herboren leven komt deze innerlijke strijd tegen het vlees en de werken des vleses op en wordt dus de zegen van het woord der genade en der verzoening gekend in het licht van de Heilige Geest.
Door het in-Christus zijn wordt ook de werking van de door Hem verworven levendmakende Geest krachtig in het leven van Gods kinderen, zodat zij, door die Geest geleid en vernieuwd, in conflict komen en blijven met het vlees en zijn werken. Het is dus uitgesloten : dat een wandel naar het vlees en een behoren tot de gemeente des Heeren, zouden kunnen samen gaan, en op grond daarvan ook voor zich het alle verschrikking weg-nemende : geen verdoemenis, zoude mogen worden toegepast.
Integendeel. Voor degenen, die naar het vlees wandelen, en dat wel onder de schijn van tot Gods volk te behoren, zal de verdoemenis in dubbele mate zwaar zijn. Die de weg wél zal hebben geweten en niet zal hebben bewandeld, zal met dubbele slagen geslagen worden.
Daarom oefent de Heilige Geest die innerlijke tucht uit; die het leven van de uitverkorene blijft doen zien in de spiegel van Gods vlekkeloos recht en de wijsheid en zuiverheid Zijner geboden.
Niet, om in een slaafse zin desondanks 't onwillige hoofd en hart te buigen, maar vanzelf, spontaan, van harte, zoals onze Catechismus zegt: „voortaan Hem te leven van harte gewillig en bereid maakt.
Dit bedoelt de Apostel nu met het wandelen naar de Geest. Die Geest is het levens-principe van allen, die herboren zijn tot een levende hoop door de opstanding van de Heere Jezus uit de doden. Eén plant met Hem in de gelijkmaking Zijns doods, zijn zij ook één plant met Hem in Zijn opstanding, zodat zij ook nu in nieuwigheid des levens wandelen.
De goede boom zal ook goede vrucht voortbrengen. En uit de goede vrucht moet ook geconcludeerd, dat de boom goed is.
Daarom, wie door de onwederstandelijke kracht des Heiligen Geestes ook de vruchten des Geestes draagt, zoals de Apostel die beschrijft in Galaten 5 vs. 22, n.l. liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en matigheid, zal dan ook weten, dat tegen de zodanigen de Wet niet is. Haar verdoemenis gaat niet tegen de wandel des Geestes, maar tegen de wandel naar het vlees.
De Apostel zegt dan ook in het genoemde verband: „Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruisigd met de bewegingen en begeerlijkheden".
Hier zijn het : ,,van Christus zijn" en „in Christus Jezus zijn" één. En niemand kan zeggen Jezus, den Heere, te zijn, dan door de Heilige Geest.
Moge 's Heeren Woord dan ook u tot een toetssteen zijn, opdat gij u beproefd leert stellen voor 's Heeren heilig aangezicht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's