Het Bevolkingsvraagstuk
Uit het Mededelingenblad van de Chr. Emigratie-Centrale, (correspondentie steeds aan het Secretariaat: Raamweg 28, 's Gravénhage, telef. 183518, giro 322933) nemen wij het volgende artikel over :
Het Nederlandse bevolkingsvraagstuk staat momenteel in de volle belangstelling. Van vele zijden houdt men zich met dit probleem bezig. De geleerden spinnen het uit en maken ook het eenvoudigste ding ingewikkeld. Men maakt er dikwijls een „wetenschappelijk" probleem van en dan is de oplossing op papier wel mogelijk, doch in de practijk wel heel moeilijk, waarmee wij niet willen zeggen dat het probleem niet bestaat.
Vóór de oorlog heerste in vele landen van West-Europa de tendenz van een teruglopende bevolking. In Frankrijk en Engeland was b.v. niet de vraag aan de orde, hoe voorzien wij in de gevolgen van een sterk groeiende bevolking, doch wat moet gedaan worden tegen een verder gaande ontvolking van het platteland. Niet alleen nam de bevolking af tengevolge van een laag geboortecijfer en een hoog sterftecijfer, doch de trek naar de stad had verwaarlozing van de landbouw tengevolge.
In de periode 1939—1947 bleef de bevolking van België stabiel, nam die van Frankrijk af met 2%, was er in Engeland (d.w.z. het Verenigde Koninkrijk) een kleine vooruitgang en vermeerderde het zielental in Nederland met 10%.
In de jaren 1947 en '48 is in al deze landen een overschot aanwezig, zelfs in België en Frankrijk.
Het is een merkwaardig verschijnsel, dat na de moeilijke oorlogsjaren altijd het aantal kinderen groter wordt, niet enkel tengevolge van een groter aantal huwelijken, doch ook uit de reeds gesloten huwelijken. Wij zullen maar niet vorsen naar het waarom. Voor ons gevoel zit in dit verschijnsel iets prettigs. Alsof de warme genegenheid in een gezin weer is aangewakkerd en men minder scrupules heeft ten aanzien van gezinsuitbreiding.
Zo zien wij dan allerwege een uitbreiding van het geboortetal en van alle landen in West-Europa in Nederland het meest.
In 1946 werden in Nederland bijna 300.000 kinderen geboren. De dalende lijn is intussen al weer ingezet.
Aantal levend geboren kinderen :
1946 : 284.456
1947 : 267.348
1948 : 248.050
Het geboortecijfer van ruim 30 in 1946, ligt thans tussen 24 en 25. Het sterftecijfer is bijzonder laag, in 1948 uitzonderlijk laag: 7.4. Er stierven n.l. 72.379 personen, een cijfer, dat nog ligt onder het gemiddelde van de jaren 1936—'39, toen dit 74.688 bedroeg.
In drie jaar tijd nam onze bevolking toe met 569.678 zielen. Het is practisch onmogelijk, dat dit sterftecijfer zo laag blijft. Dit zou een tijdlang nog slechts mogelijk zijn, als de zuigelingensterfte nog sterker daalde, het aantal mensen dat een hoge leeftijd bereikt toeneemt en de leeftijdsgrens zelf naar boven opliep.
De gemiddelde leeftijd van ons volk is inderdaad veel hoger dan vroeger. Werden onze grootouders gemiddeld niet ouder dan 45 jaar, thans worden de mannen gemiddeld 65 en de vrouwen zelfs 67 jaar. Ongetwijfeld telt het Nederlandse volk een belangrijk aantal personen die het „zeer sterk" van Psalm 90 ver overschrijden.
Leerzaam is het volgende staatje, biedend een vergelijking tussen Nederland en België over 10 jaar :
Geboortecijfers per 100 inwoners Nederland -België
1937 19.8 15.8
1938 20.5 15.5
1939 20.6 15.0
1940 20.8 13.3
1941 20,3 11.9
1942 21.0 13.1
1943 23.0 14.6
1944 24.0 15.0
1945 22.6 15.3
1946 30.2 17.5
Deze cijfers zijn niet toevallig. Het is niet zo, dat de vrouwen in België minder vruchtbaar zijn dan in Nederland. De enige reden is, dat men om wat voor reden ook, niet zoveel kinderen wenst. Dit geldt ook voor Nederland.
In ons land moge de bewuste geboortebeperking dan nog het minst tot uiting komen, ook hier weerspiegelen de cijfers de toepassing er van.
Ondanks dat verdubbelde de Nederlandse bevolking sinds 1900, dus in 50 jaar. Feitelijk is de aanwas nog groter, daar er in die halve eeuw een belangrijk, aantal personen geëmigreerd zijn en tengevolge van de bezetting duizenden een geforceerde dood vonden.
Deze bevolkingsgroei is — wij hebben dit al zo dikwijls betoogd, dat wij het nog nauwelijks behoeven te noemen — een verschijnsel van een gezonde levenskracht in ons volk.
Het veegt, reëel gezien, met één streek al het overdreven gejerimiëer over moreel verval weg.
Ook hierin wordt de zegen Gods over ons volk openbaar. De grote meerderheid van dit volk, ook het niet-kerkelijke, aanvaardt de verantwoordelijkheid voor een nageslacht, kent nog de natuurlijke liefde voor het kind, en wie meent, dat dit vanzelf spreekt, leze maar eens iets over de cultuurgeschiedenis van de oude wereld, leze ook wat Paulus schrijft in de brief aan de Romeinen.
In deze Nederlandse eigenschap zit een stuk regenererende kracht van het Christendom, ook bij hen, die niet meer leven uit het geloof in Christus.
Wij wijzen hier met nadruk op, om stelling te nemen tegen het heidens pessimisme, dat men zoveel tegenkomt, zelfs onder Christelijke predikanten.
Wij wijzen er ook op, om te waarschuwen tegen de gewoonte van het bevolkingsvraagstuk een rekensom te maken. Immers het is gewoonte om het aantal zielen te delen op de quantitatieve welvaart, doch die welvaart laat zich niet in een bepaalde som vastleggen.
Neem aan, dat 10 millioen het maximum zou zijn, dat bij het huidig nationale inkomen in Nederland een bestaan zou vinden. Stel nu eens, dat de koopkracht van dat inkomen door daling van de prijzen met een derde zou toenemen en de toenemende productie het mogelijk zou maken het nationale inkomen op peil te houden, dan lag het vraagstuk ineens weer geheel anders. Dan zou er, theoretisch gesteld, dus plaats zijn voor 13 millioen.
Veel te veel ziet men het variabele van het zielental en het constante van de welvaart.
Het op- en neergaan van de economische welstand hangt van een enorm groot aantal factoren af. Daarom is het zeer onwetenschappelijk getheoretiseer om het bevolkingsaantal en de bevolkingsgroei als de voornaamste oorzaak daarvan aan te wijzen.
Dat wil niet zeggen, dat een sterke aanwas, geen belangrijke, ook economische gevolgen heeft. In een volgend artikel willen wij daarop wijzen.
Nu echter reeds leggen wij er de nadruk op, dat die gevolgen niet enkel ongunstig zijn. Integendeel, als met die groei samen gaat arbeidslust en spaarzin, bevat zij eveneens sterke elementen tot verruiming en versterking van de volkshuishouding.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's