MEDITATIE
Het leven, dat sterker is dan de dood!
Ik ben dood geweest: en zie. Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods. Openbaring 1 vers 18.
Welk een vertroostend getuigenis was dat voor de vergrijsde apostel Johannes in het eenzame oord zijner ballingschap. Voor het zicht- en tastbare was er niets dan de triumferende macht van hel, dood, graf en wereld te bespeuren. Johannes was uit zijn arbeid gerukt en gestopt in het concentratiekamp. Zie zo, die is ook weer opgeruimd, zo dacht de wereld. En dé apostel zelf zal ook wel eens aan het bange raadsel zijn vastgelopen: Waarom nu deze weg op, waarom tot niets doen gedoemd, waar er zoveel werk was in de dienst zijns Konings. Hadden dan hel en dood toch het laatste woord ? Doch de werkelijkheid Gods is anders. Alle machten, die hier op aarde schijnbaar hun onbeperkt geweld oefenen, dachten het ten kwade, en zelfs Johannes zal het er meermalen voor gehouden hebben, dat het raadselachtig verkeerd ging, maar Sions grote Koning, Die de dood en de hel verslond, het graf open brak en Zijn ganse gemeente ter overwinning voerde, had alles ten goede gedacht. Juist in deze weg, waardoor de wereld Johannes dacht uit te schakelen, schakelde de eeuwige Vorst des Levens, die, verheerlijkt aan de rechterhand des Vaders, als grote Zaligmaker en Heiland Zijner gemeente alle macht had ontvangen in hemel en aarde, hem in tot voltooiing van het Boek Zijner Openbaring. Juist daar op Patmos, heeft toch de apostel in het ontvangen en het te boek stellen van de openbaring, die hem gewerd, een van zijn heerlijkste levensopdrachten mogen vervullen. Daar heeft de Koning der Kerk hem afgezonderd, opdat hij door een opeii deur in de hemel zou blikken en boodschapper zou zijn van de Overwinning en het Leven, dat sterker is dan de dood, voor al zijn broederen en medegenoten in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, van alle eeuwen.
Nadat Johannes eerst vanwege de openbaring van hemelse majesteit en heerlijkheid als een dode was neergevallen aan de voeten van zijn verheerlijkte Heere. doch daarna door de oplegging van Immanuël's doorboorde genadehand en Zijn alle vrees verbannende „Vrees niet" uit zijn bezwijming was opgericht, mocht hij niet alleen boren, maar ook zien, dat aan de gordel zijns Konings hingen de sleutels der hel en des doods. Hij zag Hem wandelen tussen de gouden kandelaren, dat zijn Zijn gemeenten, met de sterren in Zijn rechterhand, d. w. z. Zijn dienstknechten. Hij is de Bezitter en Heere van hel en dood. Eenmaal lag Hij in hun banden als de Borg Zijner gemeente, maar Hij, en dus Zijn gemeente in Hem, werd opgewekt van de Vader en alzo ontslagen uit de gevangenis en Hij stond ook tegelijk op, verbrekend de banden en dood en hel bindend, om ze eenmaal te werpen in de poel van vuur en sulfer.
Zo aanschouwde Johannes, van de dood van alle kanten omringd, het Leven, dat sterker is dan de dood in Hem, die het Leven is, en in Wie en door Wie al de Zijnen leven, ook al zien ze niets dan de dood. Zo vergaat het nu al Gods kinderen, door alle eeuwen heen. Ze worden aangevochten en bestreden, van alle zijden. Inplaats, dat het hen zichtbaar en tastbaar is, dat zij Ieven, heeft het er veel meer van dat zij zullen omkomen, ja, zeven dooden, nu hier, dan daar zullen sterven. Alles is o zo vaak tegen hen gekeerd, en naar het schijnt, met onoverwinlijke kracht. Allerlei wegen worden toegemuurd; hier een ziekbed, daar de afsnijding van een in de een of andere nood uitkomst gevende mogelijkheid, elders weer een ander kruis ; zij allen zorgen er voor, dat de wereld de spot met hen kan drijven, de hel in zijn vuistje lachen en dat ze zelf menigmaal in de war gebracht worden. — Is er leven, is er uitkomst, is er vervulling van de door ons zo vurig begeerde zaak ? Ach, juist het tegendeel wordt telkens weer grijpbaar.
Maar temidden van dit alles en terwijl de vrienden, beklagend, meewarig het hoofd schudden en de vijanden zich er vrolijk over maken, gedenkt de Herder Zijn eeuwig Verbond en is Hij naar Zijn genade, majesteit en Geest altijd bij hen, en als zij in al hun noden hulpeloos en machteloos, door raadsels benauwd, aan Zijn voeten liggen, opent Hij hen een deur in de hemel en doet hen horen en zien de goddelijke werkelijkheid : Zie ik ben dood geweest, en Ik ben levend in alle eeuwigheid, en Ik draag de sleutels der hel en des doods.
Kent ge zó de stem van de Herder, lezer ? Hebben we Hem in de nood van onze zonde en schuld ook ontmoet ? Schijn kan ons niet baten. Er is veel prraten over en roemen in de genade, dat verstomt als de wolken boven de hoofden samenpakken. Echter het leven des geloofs van Gods ware kinderen wordt juist daardoor gekenmerkt, dat het getuigenis des levens doorbreekt, juist in de nacht. Dan ruist het loflied als een wonder van Hem, Die het Wonder is, want Hij laaft telkens weer hun ziel met het gezicht door de open deur in de hemel en Zijn Woord : Ik heb de sleutels der hel en des doods.
Kom, mogen we op Hem zien met het oog des geloofs als Degene, die ons mijnde met de prijs van Zijn bloed ? Geschonken van de Vader, Zijn bloed toegepast aan ons hart en gesprengd op ons geweten ? Dan mogen we de sleutels aan Zijn gordel zien hangen, niet waar ? Ziet, onze Koning heeft de sleutels van.de dood in zijn drievoudige vorm, de geestelijke, de lichamelijke en de eeuwige dood.
O, wat is dat een bron van vertroosting voor allen, die zich zelf niet meer kunnen vertroosten.
Wat een werkingen van de geestelijke dood ontmoeten we telkens weer in ons hart. Wat al een dor hout kan er gevonden worden aan de boom. Hoe kan het tere leven kwijnen en het licht terugwijken uit het hart, zodat de zonden niet meer zo hartelijk betreurd worden als eertijds, en zich een geestelijke magerheid en dorheid uitbreiden over de akker van ons hart. Er komt duisternis in ons hart. Het lied van de leeuwerik wordt niet meer gehoord, maar ook niet het gekir van de tortel ? Wie is bij machte om zichzelf op te wekken tot vruchtbaar geestelijk leven, tot het vernieuwen van zijn jeugd ? Wie zal zich zelf wederbrengen van zijn zwerftocht van achter de Heere vandaan ? O, hoe troosteloos en hopeloos zou het er bij staan, indien we zelf de schaduwen van de geestelijke dood hadden te verjagen. Doch onze Levensvorst draagt de sleutels der hel en des doods, en betoont dat ook, telkens weer. Hij weet weer te doen zuchten uit de diepten, de ogen te maken tot een bronader van tranen over onze koudheid en dorheid en ons met smeking en geween terug te voeren. Hij wil voor struikelen behoeden. Straks horen we in de woestijn naar ons hart spreken en mogen we de kus der genade ontvangen. Zo worden we toch temidden van de werkingen van de geestelijke dood in de kracht Gods bewaard.
In het woord van onze tekst verzekert Hij al de Zijnen, dat Hij alzo als de Levensvorst hen immer weer zal verlossen van alle boos werk en bewaren zal voor Zijn hemels Koninkrijk.
Ook de lichamelijke dood en het graf zijn in het bezit van Sions Koning, en in het geloof mogen we ze in Hem bezitten. Door de spiegel van Zijn bloed mogen we zien, en . . . . . we zien de angel niet meer ; de prikkei is weg. Weet ge er van, lezer, om te gaan zitten op de afgewentelde steen bij het open graf in Jozefs hof en te roepen : Dood, waar is uw prikkel, hel, waar is uw overwinning ? Dan kan de dood en ook het graf gaan lokken, want ze zijn de poorten van het eeuwig paradijs. De hemelse glans kan zich door genade uitspreiden op het gelaat van de stervende Sioniet, want weldra zal worden aangeland in het vaderland.
Ik ben dood geweest, en zie. Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel en des doods. We overzien de woestijntocht nog even. De poorten der hel zullen 's Heeren gemeente niet overweldigen. Duivel, hel en dood mogen de kaken opsperren en benauwen, ze liggen nochtans aan de ketting. Soms mag geroepen worden : Ik zal nog een der dagen omkomen, dan echter vertoont die verheerlijkte Koning Zich weer aan het hart en mogen we de kettingen zien en verstaan, dat duivel en wereld de herdershonden van de grote Herder zijn, die de taak hebben om de schapen bij elkander te houden en naar de kooi te drijven. Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's