De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Vragenbus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vragenbus

10 minuten leestijd

Gevraagd wordt, over de onsterfelijkheid der ziel te schrijven.

Deze vraag vond aanleiding in een artikel, getiteld ,,De onsterfelijkheid der ziel", in ,,De Jongeman", weekblad van het Christelijk Jonge-mannen Verbond, dd. 25 Juni '49, van de hand van prof. G. C. van Niftrik. Dit artikel werd ons door de vrager toegezonden.

Het komt vooral aan op twee dingen, door prof. v. N. te berde gebracht.

Vooreerst wijst deze auteur er op, dat de mens volgens de Heilige Schrift geen ziel heeft, maar een ziel is. Genesis 2 vs. 7 zegt immers, dat de mens een levende ziel werd.

Prof. V. N. houdt het voor een aan het Griekse denken ontleende gedachte, dat de mens een ziel zou hebben.

Waar is, dat de Grieken leerden, dat het eigenlijke, waardoor de menselijke ziel is onderscheiden, in een redelijk vermogen, een redelijke ziel, zo men wil, is gelegen, hetwelk van hogere, ja goddelijke oorsprong, aan de goddelijke rede verwant zou zijn en uit dien hoofde onsterfelijk.

De leer van de onsterfelijke ziel zou derhalve Grieks en niet Schriftuurlijk zijn.

Deze gedachte is niet nieuw en heeft in de theologie een tegenstelling opgeroepen tussen een leer van onsterfelijkheid en opstanding. De leer der opstanding zou dan Christelijk, wijl Schriftuurlijk zijn, en die der onsterfelijkheid der ziel zou als van heidense oorsprong verwerpelijk zijn.

Deze gedachten gaan door het artikel van prof. Van Niftrik heen. Een en ander wordt geïllustreerd met aanhalingen uit de dogmatiek van prof. Bavinck en van dr. Kuyper, om aan te tonen, dat zij, hoewel aan de onsterfelijkheid der ziel gelovende, concludeerden, dat deze door de Heilige Schrift alzo niet wordt betuigd, maar dat daaraan op andere gronden wordt vastgehouden.

Daarentegen zegt prof. v. N. : ,,De Bijbel leert ons de opstanding des vleses belijden, en dat is iets anders dan de onsterfelijkheid der ziel".

Gewezen wordt op het feit, dat de Bijbel over onsterfelijkheid spreekt in 1 Cor. 15 vers 53 v., en 1 Tim. 6 vs. 16. Hij legt er alle nadruk op, dat deze laatste tekst zegt, dat God alleen onsterfelijkheid heeft, en dus de mens blijkbaar niet. En verder, dat Paulus in 1 Cor. 15 spreekt van onsterfelijkheid aandoen.

De conclusie is duidelijk : De mens is niet onsterfelijk, heeft geen onsterfelijkheid.

Ten andere gaat het over de ziel. De mens heeft geen ziel, maar hij werd tot een levende ziel en men zou dus eigenlijk moeten zeggen, dat hij een ziel is.

Prof. V. N. zegt verder, dat in de Statenvertaling overal, waar zij het Griekse woord ,,psuche" door ziel vertaalt, ons leven is bedoeld. In de Bijbel, zo merkt hij verder op, hééft de mens niet een ziel, maar hij is een ziel, d.w.z. leven van een lichaam.

Prof. V. N. wil derhalve het leven aan het lichamelijk bestaan verbinden. Ziel is leven van een lichaam. In dit geval dus ziel is leven van ons lichaam, niets meer en niets anders.

Wanneer derhalve het lichaam sterft, dan houdt de ziel, die het leven van het lichaam op. Van een onsterfelijke ziel is geen sprake. Wij houden het er voor, dat het bij de dieren zo is, zodat het voor hen met de lichamelijke dood uit is.

Het lijkt voorts volkomen logisch in de voorstelling, welke prof. v. N. geeft, dat het ook bij de mens met de dood uit is. Als ziel niet anders dan het leven van een lichaam betekent, wat kan er dan nog leven, als het lichaam gestorven is ?

Prof. v. N. gevoelt deze consequentie blijkens zijn artikel óok wel, maar is er haastig bij om te zeggen : ,,Wie de onsterfelijkheid van de ziel ontkent, beweert daarmede niet, dat alles met de dood uit is".

,,Integendeel : hij belijdt de opstanding des vleses en een eeuwig leven".

,,Wie zou het wagen" — zo gaat hij verder — ,,het woord van de Heiland tot de moordenaar aan het kruis discutabel te stellen ? De man is nog diezelfde dag met Jezus in het paradijs geweest".

Hoe moet men zulke drogredenen nu toch in de liefde verklaren ? De enige consequentie van dit artikel is deze, dat hij niet alleen dit woord, maar ook nog andere woorden van de Heere Christus discutabel stelt en bezig is in de ziel van jonge mensen een heilloze scepsis op te roepen.

Ziel is leven van een lichaam en niet onsterfelijk. In de opstanding zal dit sterfelijke onsterfelijkheid aandoen. De moordenaar sterft de dood des lichaams, van een onsterfelijke ziel is geen sprake. Wie en wat is nu het leven, het zijn, het bestaan van die gij, tot welke Christus gezegd heeft : ,,heden zult gij met Mij in het paradijs zijn"? Welk zijn, bestaan, leven, is nu met Christus in het paradijs geweest ?''— zo vragen wij.

Ik weet wel niet precies, wat ik er bij denken moet, zegt prof. v. N.

Christus zegt, dat Abraham, Izaak en Jacob leven, want God is een God der levenden.

Deze aartsvaders zijn gestorven en zij zijn nog niet opgestaan, zodat zij nog geen onsterfelijkheid hebben aangedaan. Waarvan spreekt Christus nu ? Van welk leven, zijn, bestaan van Abraham, Izaak en Jacob ? En wat onderscheidt Abraham van Izaak en van Jacob in die staat tussen dood en opstanding ?

Dit zijn vragen, die ook bij onze jonge mannen moeten opkomen en dan kan men wel voorgeven dat men rechtvaardiger in het geloof is dan mannen als Bavinck en Kuyper, omdat zij aan de onsterfelijkheid van de ziel geloofden, terwijl de Heilige Schrift die niet zou leren, — maar is dat zo ?

Prof. V. N. zegt, dat de onsterfelijkheid der ziel niet in de Heilige—Schrift geleerd wordt, ook zakelijk niet. Dit laatste geloven wij nu juist wel, en willen dit nader aantonen.

Allereerst moge er dan de aandacht op worden gevestigd, dat de stelling van prof. v. N. omtrent de ziel als' leven van een lichaam, in Genesis 2 vs. 7 geenszins die steun kan vinden, welke hij er van verwacht.

Het lichaam was eerst geformeerd. Hoe, dat weten wij niet, maar het was er, want er staat, dat God de levensadem inblies in zijn neusgaten. Toen werd de mens tot een levende ziel.

Dit echter geeft geen grond om die levende ziel aan het lichaam te binden, zoals prof. V. N. doet als hij haar voor het leven van een lichaam houdt. De mens werd geen levende ziel door zijn lichaam, maar hij werd een levende ziel door de inspiratie van Gods Geest. Veeleer is hier grond om de relatie, die er toch klaarblijkelijk is, andersom te stellen. Het lichamelijk leven is gebonden aan de levende ziel. De ziel is het leven van het lichaam. Wij kunnen dat ook zeggen, maar dan toch anders, n.l. zó, dat de ziel levensprincipe van het lichaam is, zodat het hchaam zonder de levende ziel geen levend organisme kan zijn.

Dan is er ook niets tegen de spreekwijze, dat de mens een lichaam heeft, terwijl de voorstelling van prof. v. N. er toe leidt, te zeggen, dat de mens een lichaam is.

Overigens moet worden opgemerkt, dat ook het Hebreeuws een woord voor ziel heeft, dat ook in Genesis 2 vs. 7 wordt gebruikt. Dit woord en zijn betekenis hebben niets met Griekse invloed .uit te staan en het omvat inderdaad veel meer dan de gedachte aan de in het lichaam ingekerkerde ziel van de wijsgeer Plato. Het gebruik van het Hebreeuwse woord kan aantonen, dat het met name op de persoonlijkheid ziet, zoals deze staat temidden van de onderscheidene levensbetrekkingen, waaronder zij is gezet. In dit opzicht is het dus gans niet vreemd, te zeggen, dat de mens een levende ziel (persoonlijkheid) is.

Ook snijdt de binding aan het lichamelijk bestaan geen hout, want er is geen enkele grond om te ontkennen, dat de spiratie van Gods Geest een levende persoonlijkheid zou voortbrengen.

De geboorte van ieder mens stelt ons voor hetzelfde mysterie, dat God een lichaam formeert in de moederschoot en dat dit een zelfstandig individueel leven verkrijgt.

Daarin ligt ook weer een aanwijzing voor de onderscheiding van lichaam en ziel, evenals in de geschiedenis der schepping, in Genesis 2 vs. 7.

Krachtens de aangevoerde argumenten is er evenmin reden om te onderstellen, dat de dood des lichaams ook de dood der ziel zou insluiten. Wat anders is het, te onderstellen dat het lichaam zonder de ziel niet kan leven, althans als organisme niet kan in stand blijven.

En nu wat de sterfelijkheid en de opstanding aangaat. Beide krijgen een ander aspect dan in de voorstellingen van. prof. v. N.

De sterfelijkheid des lichaams bewijst nog niet, dat ook de ziel sterfelijk is. Voor prof. V. N. lijkt dat zo, omdat hij lichaam en ziel vereenzelvigt.

Wèl geven wij toe, dat de ziel geen onsterfelijkheid heeft, mede ingevolge van wat de Heilige Schrift zegt in 1 Tim. 6 vs. 16, De ziel als schepsel Gods is niet goddelijk en dus niet onsterfelijk op zichzelf. De ziel leeft uit de spiratie van Gods Geest. Zolang de Geest Gods spireert, leeft de ziel. Derhalve, als God de mens tot een eeuwige bestemming heeft geschapen, zo is het Zijn wil dat de mens een eeuwige bestaanswijze heeft. Evenals alle schepsel leeft uit de wil Gods, zolang en op de wijze als God verkiest, zal God de ziel, die tot een eeuwige bestemming is geschapen, ook in stand houden, hetzij dan in, hetzij buiten het lichaam.

Ook als de Christus zegt : Vreest niet voor degenen, die het lichaam kunnen doden, en de ziel niet kunnen doden, maar vreest veel meer Hem, die beide, ziel en lichaam kan verderven in de hel (Matth. 10 vs. 28), dan onderscheidt Hij niet alleen ziel en lichaam, maar Hij verklaart ook, dat het lichaam kan gedood worden, zonder dat daarmede ook de ziel gedood wordt.

Hij zegt nog meer. Hij zegt, dat de mens de ziel niet kan doden, maar dat God de ziel kan verderven. Voorts weten wij, dat de dood der ziel niet betekent ophouden te bestaan, maar in het oordeel verkeren, hetwelk de tweede dood wordt genoemd.

Wij beweren niet, dat hiermede alle vragen .beantwoord, zijn. Wij zouden trouwens ook nog op meer kunnen wijzen, waarbij de Heilige Schrift ons bepaalt, als wij onze aandacht aan deze dingen schenken : b.v. de opstanding. Zo moet het ons opvallen, dat de apostel Paulus de opstanding als een algemeen en vaststaand feit stelt. Er is een opstanding der doden. De doden zullen opstaan. Als dat niet waar zou zijn, zou Christus ook niet opgestaan zijn. (Vgl. 1 Cor. 15)

Wij gaan hier in dit verband niet meer op in, doch het kan duidelijk zijn, dat de algemeenheid, waarmede de Heilige Schrift de opstanding stelt, de scheiding van lichaam en ziel als een strijdige en abnormale zaak doet kennen. En als het Gods welbehagen is in Christus alle dingen wederom bijeen te vergaderen, dan geldt dit gewis ook van lichaam en ziel.

De heidense Griek moge zijn ziel voor goddelijk en daarom onsterfelijk houden, de Schriftgelovige wijst deze heidense structuur af. De Griek echter is zich even weinig bewust geweest van de scheppende heerlijkheid Gods als van zijn eigen persoonlijkheid. Daarom geloofde hij, zoals hij geloofde.

De Christen echter, die in het aangezicht Gods tot zelfkennis kwam, ontdekte, dat hij in een persoonlijke betrekking tot zijn Schepper staat. Hij ontdekt en erkent in Hem de eeuwige God. Hij vreest zijn eeuwig oordeel en hoopt op Zijn eeuwige genade. 

Hoe kan de mens van eeuwig spreken, een eeuwig oordeel vrezen en op eeuwige genade hopen, als zijn persoonlijkheid een voorbijgaande wolk is ? 

Het is heus niet zo vreemd, dat juist in piëtistische kringen iets meer van deze dingen wordt gekend dan bij het rationalisme. De persoonlijkheid is het blijvende, ook in het bordeel. Zij moge in zichzelf geen onsterfelijkheid hebben, maar zij verdwijnt niet.

De vorm moge wat. Grieks zijn, de zaak, welke de mensen van een onsterfelijke ziel doet spreken, valt niet te ontkennen en ook niet dat de Heilige Schrift deze leert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Vragenbus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's