De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dood en Opstanding

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dood en Opstanding

9 minuten leestijd

De opstanding is voor velen nog een moeilijk stuk. Christus gestorven voor onze zonden naar de Schriften, begraven en opgewekt ten derden dage naar de Schriften, — en in Zijn opstandingslichaam gezien ! Dit is de duidelijke leer der Heilige Schrift. Vgl. 1 Cor. 15 vs. 3 v.v.).

Die opstanding betreft bepaaldelijk de menselijke natuur. Van de Godheid des Zoons wordt getuigd, dat de Vader Hem gegeven heeft het leven in Zichzelf te hebben. Hij kan het leven afleggen en wederom tot Zich nemen. (Joh. 10 vs. 17 v.). In ander verband hebben wij er reeds op gewezen dat daarin openbaar wordt, dat de Zoon zich vrijwillig heeft gegeven in de dood. Hij heeft vrijwillig Zijn goddelijke heerlijkheid en het leven afgelegd, omdat het de Wil des Vaders was. Zo heeft Hij ook naar Zijn Godheid het leven weer tot Zich genomen.

De Zoon had macht om het leven wederom tot Zich te nemen, maar als dat geschiedt, wordt ook de mens, met welke Hij Zich in enigheid des Persoons heeft verenigd, opgewekt.

Het gaat immers om de lichamelijke opstanding, om de opstanding van de mens, want de Godheid heeft geen lichaam. Daarop wijst het ledige graf. Het lichaam, dat begraven is, is opgestaan. Hij heeft dat ook getoond aan Zijn discipelen.

Het lijdt dan ook geen twijfel, dat de lichamelijke opstanding ten derden dage door de Heilige Schrift wordt geleerd en, dat de kerk der eeuwen dit ook belijdt.

De apostel Paulus betuigt met grote nadruk, dat ons geloof ijdel is, indien de Christus niet zou zijn opgestaan. Het gaat om de hartnerf van het Evangelie. Zie de eerste verzen van 1 Cor. 15 vs. 1 : „Ik maak u bekend het Evangelie" en vs. 14 : „En indien Christus niet opgewekt is, zo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw geloof".

Er is geen verzoening, als Christus niet is opgestaan, want dan is er geen opstanding ten leven, geen opstanding tot zaligheid! Laten wij vooral op dit laatste goed letten, want dat wordt veelal over het hoofd gezien.

De apostel Paulus stelt het niet zó, dat de opstanding in het algemeen afhankelijk zou zijn van Christus' opstanding ! Zo wordt het dikwijls voorgesteld. Hij is opgestaan, en nu zullen wij ook opstaan, want Hij heeft de dood overwonnen.

Neen, zo stelt de apostel het juist niet. Om het heel scherp uit te drukken: de apostel Paulus stelt de opstanding van Christus afhankelijk van de opstanding in het algemeen. Hij stelt de algemene opstanding als een feit, dat ontwijfelbaar vaststaat en zal geschieden: Er is een opstanding der doden. 

En indien er geen opstanding der doden is, zó is Christus, óók niet opgewekt, (vs. 13 en 16).

Er is een opstanding der doden onafhankelijk van de opstanding van Christus. Men kan dat zo algemeen mogelijk zeggen : Alle mensen zullen opstaan ! De mens, door God geschapen en vanwege de zonde aan de heerschappij des doods onderworpen, zal wederom opstaan. 

Indien wij bij de algemene orde stilstaan, kan het ons duidelijk worden, dat de toestand, waarin, wij na de zondeval verkeren, een tussentoestand is, tussen de reine Paradijsstaat en de eeuwige staat. In die tussenstaat leven wij, als in een, genadestaat, voorzover wij leven en in een staat van oordeel in zoverre wij vervreemd zijn van de zaligheid Gods.

Doordat de apostel de opstanding zo algemeen stelt, wordt deze tussenstaat als een tijdelijke en voorbijgaande getekend; welke een einde zal nemen in de opstanding om met de eeuwige staat te worden verwisseld.

Het goddelijk bestel over de gevallen mens is, dat hij zal opstaan en als er geen weg ten leven ware geopenbaard, zou dat voor allen een opstaan in het eeuwige oordeel zijn.

Tot dusver viel alzo de nadruk op het woord, dat door Paulus tot tweemaal toe herhaald wordt (zie vs. 13 en 16). Indien daar geen opstanding der doden is, zo is ook Christus niet opgewekt.

Dit zou ook kunnen worden opgevat als een normale gang van zaken naar de orde der schepping. De mens verschijnt in dit leven, sterft en zal weder opstaan.

Zo echter leert de Heilige Schrift niet. Deze zegt, dat de zonde in de wereld is ingekomen en door de zonde de dood.

De dood is ingekomen in de wereld, n.l. in deze wereld, die God geschapen heeft, en derhalve heeft de dood des mensen een abnormaal karakter. De dood is er vanwege de zonde. 

De vraag kan daarom rijzen :  Waarom heeft God de orde der schepping niet doen ophouden, toen de zonde in de wereld kwam ?

Dit is echter niet geschied.

Daarom spraken wij van een tussenstaat. Die tussenstaat heeft het oordeel bij wijze van uitdrukking opgeschort. De volsterving, waarvan het goddelijk oordeel spreekt in Genesis 2 vs. 17, wordt nog niet voltrokken.

De Heere God heeft geen voleindiging willen maken bij het eerste mensenpaar, doch Hij heeft de orde des huwelijks in stand gehouden, opdat het ganse geslacht der mensheid zou voortkomen.

Daarin openbaart zich een goddelijk bestel over de mensheid, hetwelk saamhangt met Zijn welbehagen in de mens Zijner verkiezing en met Zijn eeuwige Raad aangaande de mens en zijn eeuwige bestemming.

Alle nadruk moet thans vallen op die eeuwige bestemming.

Immers alleen die eeuwige bestemming des mensen kan enigermate doen verstaan, dat de lichamelijke dood, welke door de zonde in de wereld is gekomen, in zekere zin een overgangstoestand teweeg brengt tussen de rechte staat, die met de zonde verloren ging, en de eeuwigheidstoestand, welke bij het eindgericht zal ingaan.

Zo kunnen wij Paulus woord verstaan van de algemene opstanding. Deze zal het ganse menselijke geslacht stellen voor de Rechter der ganse aarde.

Men zou het ook zó kunnen zeggen : omdat de dood in deze wereld is ingekomen vanwege de zonde, terwijl de mens voor de eeuwigheid is geschapen, heeft God het alzo geordineerd, dat zij op Zijn tijd allen zullen worden opgewekt in hun staat, overeenkomstig de orde der opstanding. Er is n.l. een orde ook in de opstanding. (Vgl. 1 Cor. 15 vs. 23).

Als wij boven gezegd hebben : er is een opstanding der doden onafhankelijk van Christus' opstanding, dan is dat juist en in overeenstemming met de duidelijke uitspraak van de apostel. God heeft het zo beschikt, dat de mens, die gezondigd heeft, onder het oordeel des doods valt en wederom zal opstaan in de voleindiging, als de oogst der wereld is rijp geworden. (Openb. 14 vs. 15)

Uit die beschikking volgt, dat ook Christus na Zijn menswording en sterven daaronder valt en moest opstaan, naar de orde der schepping zelfs als de Eersteling. (Vgl. 1 Cor. 15 vers 23).

Nu echter vraagt de orde der opstanding onze aandacht : Eerst de Christus, daarna die van Christus zijn, en dan de anderen, die derhalve niet van Christus zijn. De Schrift kent een eerste en een tweede opstanding. (Vgl. Openb. 20 vs. 5 en 6).

In het licht der orde gezien, verschijnt de opstanding dan toch weer in onmiddellijk verband met de Christus. Hij de eersteling der opstanding, opdat Hij in allen de eerste zou zijn.

Wij hebben immers verband gezien tussen zonde en opstanding.

Als wij op de Christus zien, wordt dat verband nog duidelijker. Hij de Eersteling  der opstanding, is verrezen in nieuwigheid des levens. Wat Hij gestorven is, is Hij der zonde gestorven. Hij is het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt. De tussenstaat tussen de val des mensen en de opstanding der doden is een stuk van het goddelijk heilsplan, een stuk van de weg der genade, wijl God geen voleindiging met de mens heeft willen maken, maar het eeuwig oordeel heeft opgeschort, omdat Hij in Christus verlossing wilde teweeg brengen.

Daarom getuigt dit aardse leven, ondanks onze zonde en de voortdurende dreiging des doods er van, dat er bij God nog gedachten des vredes zijn jegens ons geslacht. En de Heilige Schrift getuigt er van, hoe Hij van de val des mensen aan heeft gesproken van verlossing en heil, hoe Hij heeft geopenbaard de gedachten Zijns haften, om ook Zijn Zoon over te geven teneinde de vloek der zonde te dragen en weg te nemen.

Ja, het profetische Woord onthoudt het ons niet, dat Hij de Zoon een gemeente tot een Bruid heeft verkoren, en dat Hij haar gekocht heeft met Zijn bloed.

Zo verstaan wij er iets van, dat Hij de eerste moest zijn in de opstanding en dat Zijn opstanding van gans bijzondere genade Gods spreekt. Hij is de tweede Adam. In Hem is een nieuwe mens opgestaan. Hij is het Hoofd van een nieuw geslacht en daarom de Eersteling onder vele broederen.

Zo wordt het ook duidelijk, wat de apostel zegt: Als er geen opstanding der doden is, dan is Christus niet opgewekt, en als Christus niet is opgewekt, zo zijn wij nog in de zonde, en is ons geloof ijdel.

De opstanding van Christus is niet slechts een teken van de herschepping van een volk, tot Zijn lof bereid, maar in de opstanding van het Hoofd der gemeente is de ganse gemeente opgestaan in nieuwigheid des levens.

Zo wordt deze gemeente ook in de orde der opstanding met Christus verbonden.

Eerst Christus, daarna die van Christus zijn, in Zijn toekomst. (1 Cor. 15 vs. 23). En die niet van Christus zijn ? Die zullen ook opstaan.

Er is een opstanding ten leven en er is een opstanding ter verdoemenis, een eerste en een tweede opstanding, gelijk de Schrift ook gewaagt van een eerste en tweede dood. (Vgl. Joh. 5 vs. 29 ; Openb. 20 vs. 5 en 6). Die in de eerste opstanding begrepen zijn, zullen de tweede dood niet zien.

Zo bergt de eerste dood, of wil men de sterfelijkheid des lichaams, een verborgenheid, wijl deze vanwege de opstanding een tijdelijk karakter draagt.

Het Oude Testament geeft daaromtrent weinig licht, maar het geloof in de opstanding ontbreekt niettemin in Israël niet. Jacob spreekt het stervende uit : ,,op Uw zaligheid wacht ik" (Gen. 49 vs. 18). David pleit op de belofte. (2 Sam. 23 vs. 5). Ezechiël profeteert over de doodsbeenderen (hfdst. 37). Hoe kan Israël deze profetie hebben verstaan, als het vreemd ware aan de belofte der opstanding. Ook Martha geloofde in de opstanding, (Joh. 11 vs. 24).

Omtrent de toestand der gestorvenen weten wij dan ook niet veel. Doch als Christus zegt tot de moordenaar : Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn, dan wijst dit toch op een staat van vrede, welke evenals de hof van Eden voor degenen, die in Christus ontslapen zijn, door God is bereid.

De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, die spreekt van Abraham's schoot, laat evenzeer een straal van licht schijnen in de wereld der gestorvenen, die scheiding maakt tussen de kinderen des lichts en de kinderen der duisternis.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Dood en Opstanding

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 juli 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's