De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONZE AFGODEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONZE AFGODEN

8 minuten leestijd

In mijn vorig artikel over het boek ,,Hoort naar Mijne stem", van Franz Werfel, sprak ik over het ,,meesterschap in het peilen van een godsdienst", dat deze schrijver toont.

Waarin bestaat dat meesterschap ? Niet slechts daarin, dat dit boek literair een kunstwerk is, zodat hij ons boeit door zijn beschrijving van de godsdiensten van Egypte, Babylon en Israël. Maar vooral daarin, dat hij ons als het ware dwars door deze godsdiensten heen leert zien. En als wij de schrijver in gespannen aandacht volgen en goed tot ons laten doordringen wat hij ons zeggen wil, dan ontwaren wij tot onze diepe verwondering, hoe volkomen logisch, menselijk en actueel de afgoden zijn van de oud- Oosterse heidense wereld, die Israël omringde en menigmaal dreigde te verslinden. En daartegenover steekt de godsdienst van Israël en de God der H. Schrift zo sterk af als volkomen onlogisch, boven-menselijk en zeer weinig ,,actueel".

Veel meer dan wij ons bewust zijn, werkt in onze geest nog na de invloed der evolutieleer. Dat is de leer, dat heel de schepping eigenlijk kunnen wij hier van ,,schepping" niet spreken, want de Natuur, het Heelal of hoe men het wil noemen, is niet geschapen, doch ontwikkelt zich uit een eeuwig levensbeginsel zich uit zichzelf gestadig ontplooit en ontwikkelt van lager tot hoger en steeds hoger.

In theorie zal ieder Christen zulk een evolutieleer bestrijden op grond van de Schrift, die ons predikt, dat hemel en aarde een begin hebben gehad en ,,in de beginne" zijn geschapen door God.

In de practijk echter vallen wij telkens ten prooi aan de waangedachte, dat die oude heidense godsdiensten toch wel heel primitief en kinderlijk, ja feitelijk belachelijk waren, en dat wij daar toch wel overheen, daar boven uit gegroeid zijn, en dat de Christelijke godsdienst een veel hogere — neen : de hoogste trap van ontwikkeling is in de reeks van godsdiensten, die de mensheid in de loop der eeuwen heeft aangehangen. Dan menen wij, dat die ,,oude" godsdiensten niet slechts oud, maar ook verouderd zijn, niet meer actueel, en daarom het bestrijden niet meer waard. Wie daar interesse voor heeft, kan ze bestuderen, in zekere zin ook bewonderen als een curiositeit uit een museum van antiquiteiten. Doch ernstig nemen doet niemand ze meer !

Een boek als dat van Van Werfel kan ons echter de ogen openen, zodat wij tot onze verbazing ontdekken hoe ,,up-tot-date", hoe volkomen actueel deze ,,oude" godsdiensten zijn en hoe de afgoden der oudheid nog steeds voortleven en onder de moderne mensheid hun tienduizenden verslaan, en millioenen van aanhangers tellen. 

Daar is Babylon met zijn sterrengodsdienst. Ook in Israël hebben velen zich gebogen voor de zon, de maan en het ganse sterrenheir des hemels. Zij waren dus blijkbaar niet van oordeel, dat de godsdienst van Israël een hogere trap van ontwikkeling vertegenwoordigde dan de godsdienst van Babylon. Koning Manasse bouwde zelfs altaren voor al het heir des hemels, in beide de voorhoven van het Huis des Heeren. (2 Kron. 33 vs. 5).

De heidense Oosterling zag op naar de hemel en zag daar al die sterren, die niemand tellen kan. En wanneer hij in stille nachten de loop der sterren bestudeerde, dan werd hij getroffen en van diepe bewondering vervuld voor de orde, die daar heerste. Al die myriaden van hemellichamen, zij hebben hun vaste loop. Zij botsen niet tegen elkaar, zij voeren geen oorlog tegen elkaar, zoals de mensen doen. Zij hebben elk hun eigen baan, waarvan zij niet afwijken. Men kan hun loop berekenen en lang tevoren vaststellen, wanneer zon of maan verduisterd zal worden en een bepaalde ster zal verdwijnen of weer verschijnen.

Het kon ook hen niet ontgaan, dat bepaalde hemellichamen grote invloed uitoefenen op het gebeuren hier op aarde. De zon als het grote licht des daags, de maan als het kleine licht bij nacht, zij bepalen het leven der mensen. Het verloop van dag en nacht, van weken, maanden en jaren, alsook van de jaargetijden, zij worden bepaald door de vaste orde van de sterrenhemel.

Geen wonder, dat bij de sterrekundigen en wijzen van Babylon het vermoeden rees, dat die orde der hemellichamen wel eens groter invloed zou kunnen hebben op de gang van het menselijk leven op aarde, dan op het eerste gezicht voor ons is na te gaan. Die ijzeren, onveranderlijke orde daarboven, waar alles verloopt naar vaste wetten, bepaalt zij niet met onontkoombare wetmatigheid de gang van alle leven op aarde ? Er moet toch een zekere samenhang zijn tussen die makrokosmos, die wereld in het groot daarboven, en de mikrokosmos, die wereld in het klein hier beneden, van elk volk, ja, van elke mens afzonderlijk ? Zijn de sterren niet het schrift der goden, waarin zij door bepaalde, telkens naar vaste wetten wederkeerende constellaties der sterren ons voortekenen wat hier op aarde zal geschieden ?

Het gaat er slechts om, dit godenschrift te kunnen ontcijferen, en zo aan de sterrenhemel zijn geheim te ontlokken : het geheim van de vaste orde, die alle leven bepaalt; het, geheim van de vaste wetten, die ons leven bepalen, onveranderlijk en eeuwig.

Ja, méér nog : zou het de mens niet mogelijk zijn om, wanneer hij dit geheim ontdekt heeft, zélf die orde te beheersen, zélf de loop der sterren te bepalen — d.w.z. zélf heerschappij te verkrijgen over de macht of machten, die het leven van mensen en volken beheersen ? Weer fluistert de oude verzoeker : ,,Gij zult als God zijn !" En dit meent de Koning van Babylon te kunnen doen in de nacht der wereldvernieuwing en der lotsbepaling. De Koning zelf is feitelijk Mardoek, de oppergod, de Koning der goden, die orde schept in het heelal, en dus ook in het leven der volken op aarde, tot in verre toekomst.

Is deze ,,oude" godsdienst soms niet actueel ? Is de mensheid van onze dagen niet voortdurend bezig, door wijsbegeerte, wetenschap en techniek aan het heelal zijn geheimen te ontlokken ? Geeft niet elke nieuwe ontdekking van krachten en wetten in de natuur de mens meer macht om zijn eigen leven te bepalen ? En heerst niet bij velen, bezeten door de geest van een autonome, eigen-wettelijke en eigen-machtige wetenschap, de vaste overtuiging, dat het de mens éénmaal moet kunnen gelukken, niet slechts om de vaste orde en de onveranderlijke wetmatigheid van alle gebeuren te ontdekken, maar dan ook die zélf te bepalen ?

,,Gij zult als God zijn !" zo fluistert de oude slang. De mens zelf is feitelijk God, de oppergod van het heelal, die orde schept, de Koning der goden, die tot in verre toekomst het leven van mensen en volken bepaalt.

Doch de oude tragedie herhaalt zich. Mensen en volken, die zich bogen voor zon, maan en sterren, des hemels ganse heir — zij bemerkten niet, dat zij in waarheid zich bogen voor Mardoek, die vlees geworden was in Babylon's Koning : voor de mens, die meent, zélf te kunnen bepalen de orde en de wetten der goden, die hij aanbidt. De mens, die deze God aanbidt, buigt voor zichzelf en aanbidt zichzelf.

Dat zien wij nu opnieuw gebeuren. De mens, die „de wetenschap" maakt tot zijn afgod, buigt zich eerst voor de ijzeren orde en wetmatigheid der natuur ; meent vervolgens deze orde en wetmatigheid zelf te kunnen beïnvloeden en bepalen, zelf als God te zullen zijn. Hij buigt voor zichzelf en aanbidt zichzelf.

Totdat Nebukadnezar krankzinnig wordt en gras eet als de dieren des velds. Of totdat God nederkomt om te bezien de werken van de kinderen der mensen, hun spraak verwart, zodat mensen en volken elkaar niet meer verstaan, tegen elkander opbotsen, volk tegen volk. Koninkrijk tegen Koninkrijk, elkander en zichzelf verdervend en verdelgend met wetenschappelijke nauwkeurigheid en grondigheid, naar huiveringwekkende wetmatigheid. De heerschappij ontglipt hem. De geesten, die hij opriep, wordt hij niet weer kwijt. Want, zegt Werfel, deze orde der voorbestemming kent geen erbarmen, geen barmhartigheid. En elke ontdekking, die de mens deed om eigen leven te brengen tot rijker ontplooiing op hoger plan, verkeert zich met ijzeren, meedogenloze wetmatigheid in een wapen tot zelfvernietiging, in een heilloos-verwoestende atoomkracht, die hij niet meer kan beheersen en evenmin terug kan zenden.

Maar die in de hemel woont, lacht. De Heere bespot hen. Hij spreekt tot hen in Zijn toorn, verschrikt hen in Zijn grimmigheid. Onze afgoden werpt Hij omver. ,,Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg Mijner heiligheid".

Deze Koning, Die alle macht heeft in hemel en op aarde, bepaalt naar Zijn wetten het leven van mensen en volken. Deze aarde zal vergaan, met al haar afgoden. Maar deze Koning kent barmhartigheid. Wij verwachten, naar Zijn belofte, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. Daar zal geen zon of maan meer schijnen : wat de mens tot zijn afgod gemaakt heeft, zal verdwijnen. Want God alleen is de Eeuwige, die blijft : God Zelf zal hun licht zijn, Christus, de zon der gerechtigheid. En gelijk de maan, die haar licht van de zon ontvangt, zal daar dei Kerk, die haar licht van Christus ontvangt. Zijn licht verspreiden. En de leraars zullen blinken als de glans van het uitspansel, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altoos en eeuwiglijk. (Daniël 12 vs. 3).

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONZE AFGODEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 juli 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's