De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

ARMZALIG RESTANT

15 minuten leestijd

Amos 3 : 12. Alzo zegt de HEERE: Gelijk als een herder twee scnenkelen, of een stukje van een oor uit des leeuwen muil redt, alzo zullen de kinderen Israels gered worden, die daar zitten te Samaria, in de hoek van het hed, en op de sponde van de koets.

Dit woord uit Amos zegt ons : God redt de Zijnen — maar ze worden gered :

1.  als overgeblevenen,  2. als gebrokenen, 3. als berooiden.

„Ik was geen profeet en geen profetenzoon. Maar ik was een ossenherder en las wilde vijgen af. Maar de Heere nam mij van achter de kudde en de Heere zeide tot mij : Ga henen, profeteer tot Mijn volk Israël".

Dat is Amos.

Het Woord van God is op hem afgekomen en heeft hem overweldigd. De woorden van Gods naderend oordeel, ze dreunden over hem heen en in hem na. En wat kan hij nu anders doen dan : alarm roepen ?

Zijn boerenbedrijf laat hij in de steek. Eenzaam ligt daar zijn woonplaats Thekoa. ten Zuiden van Jerusalem. Maar de rust, aan de woestijnrand, hij moet ze opgeven.

Want hij heeft Gods stem gehoord. En hoe zou hij nu kunnen zwijgen ? De leeuw heeft gebruld, wie zou niet vrezen ? De Heere heeft gesproken, wie zou niet profeteren ? (vs. 8).

Nee, hij kan niet anders dan gaan en spreken. Naar het Rijk der tien stammen gaat hij, om het oordeel Gods uit te roepen over het zondige volk.

Als zware onweerslagen daveren de woorden over de mensen heen : De vijand, en dat rondom het land, die zal uw sterkte van u nederstoten en uw paleizen zullen uitgeplunderd worden, (vs. 11).

En dit alles is geen wijsheid van Amos zelf. Was dat maar waar. Zijn roep is als later van Jeremia : O land, land, land, hóór des Hééren Woord !

Maar het land — het kan zijn woorden niet verdragen. Och nee, hoe zouden de mensen zich iets gelegen laten liggen aan Wat die driftige, onbehouwen boer komt vertellen over oordeel en gericht ? Assyrië, het grote rijk in het Noorden, heeft de handen vol met gedurige oproeren. Jerobeam II, de koning van Israël, kan zijn rijk weer uitbreiden tot over de Jordaan. Ja, hij maakt zelfs Damascus, tot zijn vazal.

Dat betekent voor Israël welvaart, een tijd van economische opleving. En daarbij : weelde en onderdrukking. Wie daarvan zwijgt, Amos, de eenvoudige plattelander, kan het niet vóór zich houden. Hoor hem spreken aan het eind van ons hoofdstuk van winterhuizen en zomerhuizen en elpenbenen huizen.

Maar die rijkdom kan geen navraag lijden. De schatten in hun paleizen zijn vergaderd door geweld en verstoring, (vs. 10).

Scherp is Amos woord tegen allen, die zich verrijken ten koste van de armen. Toen en nu. God ziet ieders practijken en Hij zal het zoeken. Wée onzer, als er om óns handelen, ergens een mens bij God in hoger beroep gaat.

Dan laten de vragen zich niet meer onderdrukken bij Amos' hoorders : Man, met je onheilsboodschap, waar haal je de moed vandaan en het récht om ons zoveel kwaad aan te zeggen ?

Hoor, nu gaat deze prediker Gods iets zeggen over zijn profeet-zijn.

Als ginds in het woud een leeuw brult, dan wil dat zeggen : Hij heeft een buit tussen zijn klauwen. Als er ergens een vogel vastzit in een strik, dan moet er eerst een vogelaar geweest zijn, die die strik spande.

En als er nu iemand het dreigend gericht Gods uitroept —, dan heeft hij eerst zélf gebeefd, toen de Heere hem is ontmoet.

Daardoor is Amos, de herder van de woestijnrand, profeet, omdat God hem is ontmoet.

Zelf zou hij heus deze weg niet gekozen hebben, als God hem niet gezonden had. Wie „zal de woorden Gods spreken kunnen, dan die zeggen kan : Ik heb het zélf uit Zijn mond gehoord ?

Want ieder blijven Gods woorden vreemd, behalve wie ze van God zelf verneemt. (Nijhoff).

Amos, Gods gezant, omdat de Heere bij hem is gekomen.

Zullen twee tezamen wandelen, tenzij zij bijeen gekomen zijn ? (vs. 3). 

Dat wonder, dat God zich inlaat met een mens, dat is juist het wonder, in Israël geopenbaard.

Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik u alleen gekend.

Ja, daarop beroemden zij zich. Maar Amos zegt : denk vooral niet, dat God u daarom zegenen zal. Integendeel. — Gij zijt Gods uitverkoren volk, daarom, daarom zal Ik al uw ongerechtigheden over u bezoeken.

Uw paleizen, uw heiligdommen, uw kostbaarheden, het zal alles met de grond gelijk gemaakt worden !

O, zie dan de verontwaardiging flikkeren in de ogen van de mensen, die Amos dit horen zeggen. Zij zijn immers Gods volk ? Al komt er een oordeel van God —, dan zal de Heere hén toch zeker redden ?

Ja, zegt Amos, zoals een herder ontrukt aan de muil van een leeuw twee poten of een stuk van een oor, zó zullen de kinderen Israels gered worden.

Zie, een leeuw komt hongerig uit de woestijn. Hij springt de kudde schapen binnen. Zijn sterke poten grijpen een schaap en wreed scheurt zijn muil het beestje vaneen. 

En de verschrikte herder vindt straks van het dier slechts een paar pootjes of een oorlapje.

Die armzalige restjes laat hij aan zijn meester zien, als een bewijs (bij de wet vereist) dat het dier inderdaad verscheurd is. Dit beeld van Amos heeft een diepe zin.

Israels herder — dat is de Heere zelf. Zoals een herder verbonden is aan zijn schapen, zo heeft God zich verbonden aan Zijn volk — door Zijn Verbond met hen.

En krachtens dat verbond zal Zijn volk Israël niet omkomen. Het zal in het oordeel gered worden.

Maar dat geldt niet van het gehele volk. Als de kudde blijft weigeren te luisteren naar de roep van de Herder — dan zullen de schapen prijsgegeven worden aan de ondergang. En slechts een deel blijft behouden. Het overblijfsel naar de verkiezing der genade.

Dan resten er van de grote kudde straks , slechts een paar schenkels en een stukje van een oor.

Dan kapt de bijl in de trotse boom van Davids huis — en wie ziet het restant, de afgehouwen tronk van Isaï ?

Maar uit die afgehouwen tronk bloeit op Davids grote Zoon, de Heere Jezus Christus. En Hij. zegt: Ik ben de goede Herder. En Amos' beeld wordt nog eens werkelijkheid. Dreigend eist de Dood de kudde op. Maar Christus stelt Zijn leven voor de schapen. Straks ontwaakt het zwaard tegen de Herder. De Herder wordt geslagen en zie, de schapen stuiven verschrikt weg, alle kanten uit. Maar Hij zal Zijn hand tot de kleinen wenden. De kleinen, dat zijn de geredde pootjes, tollenaren en Farizeërs, zondaren één voor één —, maar Hij heeft ze lief met een eeuwige liefde.

God redt de Zijnen. Maar ze worden gered als overgeblevenen. Naar de verkiezing Gods.

En het wordt ons gepredikt, opdat wij horen zullen hoe de leeuw brult, die ons wil verslinden.

Hoe zal 't zijn in die laatste verwilderde nacht, als de winden als wolven huilen en de eeuwige vierschaar ons wacht ? (Marsman).

En het wordt ons gepredikt, opdat wij getroost zullen worden door het geheim van Gods verkiezing. Want het zegt ons, dat er voor ons, verloren mensen, als schapen prijsgegeven aan het geweld van de leeuw, mogelijkheid van redding is.

Wil toch van de uitverkiezing geen ingewikkeld leerstuk maken, om uw hoofd op stuk te denker

Het is voorlopig dit, dat God u zegt, dat Hij u redden wil. Want het is naar Zijn beschikking, dat u het hóórt. Uw zonden, ja, ze snijden u de toegang tot God radicaal af .— en toch moogt ge pleiten op Zijn zondaarsliefde, dien vandaag zegt, dat Hij redden wil. De herder wil u uit de muil van de leeuw redden.

Wanneer we vrezend voor het brullen van de verwoester, tot de grote Herder der schapen de toevlucht nemen — dan worden we niet afgewezen

En daarin, dat God zich over ons ontfermt in Jezus Christis, en de Heilige Geest doet ons de bevende hand leggen op het offer van Christus — en vrede met God daalt als een wondere schat n ons leven — daarin ligt de zekerheid van onze genadige verkiezing. De zekerheid, dat wanneer straks het oordeel komt — de Heere kennen zal, degenen die de Zijnen zijn en niemand zal ze uit Zijn hand rukken.

II.

Alléén — dit mag ons niet hoog, hoog doen spreken van Gods uitverkoren volkje. Want als wij gered worden, dan is er niets bij van onze verdienste. 

Bij deze redding (twee pootjes en een stukje van een oor) valt alle eer voor mensen geheel weg. Het is alleen Gods barmhartigheid en wat óns betreft, wij staan door de verkiezing alleen maar in een geweldige verantwoordelijkheid.

't Is heus geen plezier om uitverkoren volk te zijn. Zie maar naar Israël.. Werd er ooit een volk zó verdrukt als dit volk, dat leven mocht onder het koepeldak van Gods bijzondere openbaring, en door wiens geslachten het geheim der goddelijke verkiezing fluisterde ?

Dat deze verkiezing geen reden is, om ons te verheffen, ligt het niet opgesloten in het beeld van onze tekst zélf ?

Het zegt immers niet alleen : er wordt maar een gedeelte gered (de overgeblevenen) — maar het geeft ook antwoord op de vraag : Hoe worden ze gered ? Als gebrokenen !

Het verscheurde schaap is beeld van het volk Israël als geheel — maar toch ook van elke gelovige. Die door God gered wordt (en er is geen andere redding), die wordt gered als een gebrokene.

God ontmoeten,dat betekent : de knak  in ons leven. 

Want God ontmoeten, dat is : bij het Kruis komen. En als we God bij het Kruis ontmoeten (en waar zullen wij God anders ontmoeten en leven ? ) — dan valt er een ontzetting op ons ; Dat was nodig tot verzoening van uw schuld.

Ik heb op Golgotha gestaan en zag 't gelaat van Jezus aan, die menals een ellendeling aan het gevloekte kruishout hing. (Willem de Mérode).

Maar niet alleen ontzetting. Ook (en wie begrijpt het? ), ook een zalige verrukking — want daar zegt God tot ons : En die schuld, zo onzegbaar diep, die schuld is weg, voor altijd weg.

Wat dacht ge, zou dat ons leven niet aangrijpen en omzetten ?

Maar eer God ons zover hééft, bij het Kruis! 

Hoe moet Hij dan toegrijpen in ons leven — in tegenspoed en ziekte — in eenzaamheid en gemis. Want wij willen deze redding niet — zó niet, als gebrokenen. Maar God gaat zo nodig met ons die lange bange weg. De weg van de afbraak van onze verwachtingen.

En als wij in de duisternis van ons gebroken leven vragen : Waarom overkomt ons dit ? En waar is God nu ? Dan zegt de Bijbel : Juist die donkerheid komt van God (vs. 6b), Die u door die duisternis, zwart en dicht, voeren wil naar 't eeuwig licht.

Heerlijk én wonderlijk is het, dat de Heere ons opzoekt om ons te redden. Maar smartelijk is vaak de manier, waarop wij gered moeten worden.

De Bijbel spreekt ons telkens weer daarvan:

- U hebt die duisternis toch wel opgemerkt in het leven van Jozef, in Egypte's gevangenis ? En Mozes moet 40 jaar met de schapen van zijn schoonvader optrekken. David, de veldhoen op de bergen, en Amos, de uitgewezene en Jeremia, de door zijn volk miskende.

Ja, wie op een bijzondere plaats mag staan in de dienst des Heeren, krijgt aan dat afgebroken-worden in bijzondere mate deel. Dat is de redding door God — door de gebrokenheid heen.

Jacob draagt de herinnering aan Pniël mee in zijn verwrongen heupgewricht.

Uitverkoren zijn — ja, het betekent ook: bezocht en afgebroken worden.

In volstrekte zin gold dit de Uitverkorene bij uitnemendheid, de Heere Jezus Christus.

Zie Hem naar Golgotha gaan, als een schaap ter slachting. Daar wordt Hij weerloos prijsgegeven aan het verscheurend gedierte. Zij rukken aan met opgesperde mond, gelijk een leeuw al brullend in het rond. En dan gebeurt het onmogelijke. De Vader laat Hem los en geeft Hem over aan de verslinding.

Opdat, opdat Hij óns zou redden uit 's vijands macht en vreeslijk woeden.

Als ge bang wordt en beeft onder Gods slaande hand in uw leven  zie dan naar Christus, die gebroken werd, geheel, opdat gij gered zoudt worden. En, gaan wij al door vele verdrukkingen heen en veel bestrijding - er is geen andere weg. En komen wij al met tranen in de ogen bij de Heere straks — God zal alle tranen van de ogen afwissen.

III.

God redt de Zijnen als overgeblevenen, als gebrokenen, ook als berooiden.

Dat brengt ons bij het slot van de tekst ; Die daar zitten te Samaria in de hoek van het bed, en op de sponde van de koets.

De vertaling van deze laatste zinsnede staat niet vast. Het slot kan. ook vertaald worden met: op het kussen van het rustbed, of ook : op het rustbed van damast.

Het gaat dan over de lieden die, zoals Amos zegt, liggen op elpenbenen bedsteden en weelderig zijn op hun koetsen.

De hoek van, het divanbed is in het Oosterse huis de ereplaats. Maar dat vadsig en luxueus leven in verwijfde weelderigheid zal hun opbreken! God zal hen in stukken scheuren, liever dan dat Hij hen laat liggen op hun rustbedden ! Hun weelde, hun bezit zal er aan gaan — en hoe!

Nu kan echter het slot van onze tekst ook zó gelezen worden : Alzo zullen de kinderen Israels gered worden met een hoek van een bed en met een hoofdkussen.

Waarbij dan gedacht wordt aan een aardbeving, die er kwam twee jaar na Amos' optreden.

Die natuurramp bracht een geweldige ontsteltenis teweeg in Samaria. Het plotseling bewegen van de aardbodem deed de huizen wankelen en ineenstorten. In paniek ontvluchtte men allerwege de woningen.

En bij die vlucht pakte ieder in der haast mee, wat maar voor de hand lag. Wie kon voor zijn opgelegde schatten zorgen ? Ook elpenbenen paleizen bleken tegen een aardbeving, niet erg solide  en de vluchtende bewoners droegen slechts mee het hoofdkussen, waarop ze toevallig lagen te slapen (de mensen in het rijke Samaria lagen ook nogal eens te rusten ) — Wat beddegoed, dat was nu hun enig schamel bezit.

De aardbeving had hen plotseling straatarm gemaakt. Ieder van ons kent die tonelen uit de oorlogsjaren maar al te goed.

Zo nu, zegt Amos, zó zullen de kinderen Israels gered worden, als berooiden.

Zo worden al Gods kinderen gered, als armen. Alles, waarmee wij ons rijk gevoelden, het ontvalt ons. Soms valt het in de meest verschrikkelijke zin van het woord, boven ons hoofd in elkaar.

Zó redt God ons, als doodarme mensen, die bezit-loos en hulpeloos in deze wereld staaft.

God redt de Zijnen, maar ze worden gered als berooiden.

Als een armzalig restant: „Ik zal doen overblijven", zegt God, „een ellendig en arm volk, maar dat zal hopen op de Naam van Mijn goedheid".

En die hoop beschaamt niet.

Zie, er worstelt een schip met de storm. Een paar honderd mannen vechten, vechten met de dood, die hen in de orkanen aangrijpt. Dan is er een man onder Ken, een gevangene nog wel, die zegt (en de wind giert en neemt zijn woorden mee, zodat ze ijl klinken en hees) — maar hij zegt: Niemand behoeft bang te zijn, niemand, want wij komen allen behouden aan land.

Het kraken van het schip klinkt, alsof de duivel zélf spotlacht over deze dwaze woorden. En dan, dan breekt dóor het geweld van de storm het schip met een geweldig gekraak midden-door en het achterstuk wordt er af en aan stukken geslagen en de golven nemen de stukken mee. 

Waar blijven nu de woorden van die man, die een vertrouwen uitsprak, toen allen de hoop hadden opgegeven ? 

Waar blijft Paulus (Want die is het) met zijn Godsvertrouwen ?

Maar — ze kómen aan land.

Sommigen op planken, zegt Hand. 27, en sommigen op enige stukken van het schip. En alzo is het geschied, dat zij allen behouden aan land gekomen zijn. Alzo . . . . . 

Als een armzalig restant. Of neen, eigenlijk moet ik dat anders schrijven : een arm, maar zalig restant. Kent gij zo, door Gods genade, uw leven ?

Want nu klinkt het tot ieder mens, die schuiling zoekt bij Jezus Christus : Hij is een verberging tegen de wind en een schuilplaats tegen de vloed — en wie bij Hem schuilt, die zal gered worden en veilig thuis komen.

Dan zal het wel kraken en stormen in uw leven en het wordt wel eens stikdonkere nacht — zodat gij verkeert in de situatie, waarin de discipelen eens verkeerden op het Galilese meer, waarvan Johannes schrijft : En het was donker geworden .— en Jezus was nog niet gekomen. - Ja, wij lijden wellicht schipbreuk, maar als we in Christus zijn, dan wórden we gered. Sommigen op planken misschien en sommigen op enige stukken van het schip — maar allen behouden aan land. 

Behouden aan land. En : allen.

O, de angst is er wel eens, dat we uitvallen zullen. En de schrik overvalt ons wel, dat wij er nooit zullen komen. Maar dan legt God ons de Psalm weer op de lippen : Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort; elk hunner (hoort u : èlk hunner) zal in 't zalig oord van Sion haast voor God verschijnen.

Laten wij dan gered worden als berooiden — wij worden gered !

Heft dan uw hoofden op, gij allen, die van Christus zijt. Wij staan in strijd en aanvechting. Maar zalig zijt ge, als ge uit uw grote ellende als arme vluchtelingen op deze aarde van gericht en vervaarnis, vlucht tot Jezus als een berooid mens. Dan vergaat het u als Roel Houwink dichtte :

Voorbij, voorbij — de wereld drijft voorbij ; er is geen oever in dit grijze, dunne licht te zien, geen ankerplaats, geen stille kreek, waar onze last bezinken kan, éér één het weet. Te laat, te laat — Wij drijven elke havenmond voorbij naar open zee. De branding beukt op onze kiel, het zeil, het zeil gaat overstag, de mast breekt af en boot na boot, slaat in de grauwe golven om. Te laat, voorbij — maar op het water staat een Man en is één woord slechts :

(Klaaswaal)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 juli 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's