De vrouw in 't ambt en de Schriftbeschouwing
De Generale Synode onzer Kerk heeft zich over de al of niet toelaatbaarheid der vrouw tot het ambt nog steeds niet uitgesproken, maar heeft een studiecommissie benoemd om de mogelijkheid van de toelaatbaarheid der vrouw vanuit Bijbelse gronden te onderzoeken.
In deze commissie zijn benoemd de Synodeleden ds. Spijkerboer, ds. De Lange, ds. Bakker, ouderling Voors, met adviseurs prof. Van Unnik, Da. Boer, Freule van Asch van Wijck, ds. Jonker en ouderling De Geer. Ds. Wolfensberger is voorzitter en ds. Van Dongen secretaris.
Deze commissie is reeds aan het werk getogen.
In Frankrijk is enige tijd geleden de Synode van 'l Eglise Réformé samengekomen. Ook daar kwam de kwestie „de vrouw in het ambt" aan de orde.
Pasteur Westphal, redacteur van het maandblad Foi et Vie, betoogde, dat er voldoende Bijbelse gronden waren om vrouwen te bevestigen.
Prof. Cadier, dogmaticus aan de Theologische School te Montpellier, nam de leiding van de oppositie, door te verklaren, dat hij het niet eens was met de rapporteur en wel op Bijbelse gronden.
Tenslotte nam de Synode met 64 stemmen tegen 22 een voorstel aan, dat de inleidende theologische beschouwing van pasteur Westphal verwierp, maar dat inhield, dat in zeer uitzonderlijke gevallen een vrouw tot predikant kon worden bevestigd, mits zij bovendien ook een roeping had tot celibaat of weduwe was. Men wilde niet verklaren, dat de H. Geest niet vrij zou zijn een vrouw tot predikant te roepen, maar het ambt als zodanig meende men te zien voorbehouden aan mannen.
Het wonderlijke van deze discussie in de Parijse Synode is wel, dat Pasteur Westphal op Bijbelse gronden voor en Prof. Cadier op Bijbelse gronden tegen is geweest.
Ook in ons blad zijn enige malen artikelen verschenen, waarin op Bijbelse gronden (1 Cor. 14 vers 34 en 1 Tim. 2 vs. 12) de ontoelaatbaarheid van de vrouw tot, het ambt werd betoogd.
.Wij willen daar niet verder op ingaan, maar stellen toch de vraag : Hoe kan men op Bijbelse gronden het tegendeel bewijzen?
Wij menen, dat de oplossing o.m. te zoeken is in de richting van de Schriftbeschouwing, die men huldigt.
De vraag, die ook ten aanzien van dit vraagstuk steeds zal moeten worden gesteld, is : Hoe staat men tegenover de Schrift ?
Is de Schrift absoluut vormgevend, of wordt het Schriftgezag om bepaalde redenen gerelativeerd ?
Dit betrekkelijk stellen van de Schrift aangaande dit vraagstuk, kan b. v. plaats hebben door te wijzen op de cultuursituatie der Bijbelschrijvers.
Men merkt dan b.v. op, dat Paulus, als hij in onze tijd geleefd zou hebben, anders geoordeeld zou hebben. Paulus openbaarde zich in 1 Corinthe en 1 Timotheüs als kind van zijn tijd. Het was in overeenstemming met de structuur van die tijd, dat de vrouw niet een vooraanstaande plaats in de Kerk innam. De positie van de vrouw in de tijd van Jezus en Paulus was een lagere, een minderwaardiger dan heden. In die tijd zouden ze een grote revolutie hebben teweeggebracht, als ze tegen alle gewoonte in de vrouw als getuige van Christus hadden uitgezonden.
Men verdedigt, dan deze beschouwing, door er op te wijzen, dat haar positie van het Oude Testament naar het Nieuwe en van de tijd der jonge Christelijke Kerk door alleen eeuwen heen naar de tegenwoordige tijd steeds meer verbeterd is geworden.
Zo wordt door de ,,cultuurentourage" het Schriftwoord gerelativeerd.
Dit betrekkelijk stellen kan ook plaats hebben door de Barthiaanse visie op de H. Schrift.
Barth ziet de H. Schrift alleen als de plaats der openbaring Gods. H. Schrift is niet de Openbaring zelf, wie dit wel zo ziet, vermenselijkt de openbaring. God blijft altijd achter de gegevenheid van de Schriftopenbaring staan. Openbaring mag nooit worden geopenbaardheid. Openbaring is steeds actus, werking. De Souvereiniteit Gods wordt bij Barth bepaald door het beginsel der actualiteit. God breekt telkens door, maar blijft steeds achter de ,,gegevenheid" der Openbaring verborgen. De H. Schrift is een menselijk boek, een tijdelijk gegeven, de werkelijke zekerheid ligt achter het gegeven in de verborgen God Zelf. God geeft Zijn Woord nooit uit handen, wij kunnen er nooit beslag op leggen. Wij kunnen nooit zeggen: dat en dat is God Woord, dit en dit is Gods Gebod.
Gods Geboden zijn geen Bijbelwoorden, neen, op een bepaalde tijd geeft God Zelf Zijn Gebod „Gebot der Stunde".
Wij voelen allen aan, dat op die wijze de H. Schrift wordt gerelativeerd en van zijn vormgevend en absoluut gezag wordt beroofd.
Dit is ook van betekenis ten aanzien van het vraagstuk ,,de vrouw in het ambt". In 't boek „Karl Barth" van prof. Berkhouwer vond ik een briefwisseling, die de houding tegenover het Schriftwoord als bepalend voor het vraagstuk „de vrouw in het ambt" typeert.
Ik citeer iets uit dit boek op blz. 146 en 147. Hier schrijft Barth over het gebod Gods, dat boven het Bijbelse gebod uitgaat, Het is een interessante polemiek tussen Kolfhaus en Barth, een briefwisseling in de ,,Reformierte Kirchenzeitung" van 1932.
Kolfhaus betoogde dat wij „das klare Wort" hebben van de apostel in 1 Cor. 14 vers 34 en 1 Tim. 2 vs. 12 vv., waarin niets anders gelezen kan worden, dan dat de predikende vrouw in de Christelijke gemeente een verboden verschijning is.
. Karl Barth was, toen hij dit las, over Kolfhaus' antwoord ,,aufrichtig gekümmert". Zijn hoofdbezwaar is hiertegen gericht, dat Kolfhaus de geboden Gods gemaakt heeft tot algemene waarheden. „Is God niet ook en juist, wanneer Hij door de Schrift met' ons spreekt, een vrij en vrijblijvend Gebieder ? " Hij roept Kolfhaus met nadruk toe, ernst te maken met het gebod Gods door de eigen overtuiging — ook al is ze bijbels gefundeerd — te onderscheiden van het gebod Gods, dat ons door de Schrift gegeven is, maar ook altijd weer uit de Schrift moet worden ,,verwacht".
Kolfhaus houdt in zijn weerwoord voet bij stuk en blijft spreken van een duidelijk gebod Gods. En als wij hier spreken van gehoorzaamheid of ongehoorzaamheid, dan is dat in geen enkel opzicht een aantasten van Gods vrijmacht.
Maar dan neemt Barth nog eens de pen op en zegt, dat Kolfhaus onder Calvinisme verstaat een in de Schrift gefundeerd systeem van waarheden, waarmee men elk ogenblik in staat is de mensheid ten opzichte van gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid voor te lichten. Onder dit Calvinisme ,,zucht" Bart meermalen, wanneer hij de ,,Reformierte Kirchenzeitung" leest.
Kolfhaus besluit deze briefwisseling met te verwijzen naar het probleem, dat hier zo scherp naar voren kwam : het wezen en de inhoud van het gebod Gods en de mogelijkheid van de kennis van dat gebod.
Voorlopig houden wij het met Kolfhaus en geloven niet aan een onbekeind en ondefinieerbaar gebod Gods boven het Schriftgetuigenis, naar Earth's beschouwing, uitgaande, maar menen, dat het gebod Gods duidelijk en scherp in de Schrift tot ons komt.
Ook ten aanzien van het vraagstuk ,,de vrouw in het ambt".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's