ONZE AFGODEN
III. (Slot).
De Kerk des Heeren wordt te allen tijde door het heidendom omringd. Zo was het in Israël, zo is het ook met de Kerk van Christus onder het Nieuwe Verbond.
De goden der heidenen dragen verschillende namen. Soms verschillen zij in werkelijkheid niet. Wij wezen er in ons vorig artikel reeds-op, dat het soms niet veel meer is dan een verschil in taal. Er bestaat grote overeenkomst tussen Osiris in Egypte, Tammoez in BabyLon, Adonis in Phoenicië, Orpheus in Griekenland, -.Dionysos in Thracië, Zagreus op Kreta, en Attis in Phrygië. Het is steeds de god van de plantengroei, van de stervende en herlevende natuur. Dit behoeft geen verwondering te baren, want elk mens en elk volk komt in aanraking met het geheimzinnige verschijnsel van het sterven en herleven, dat met name in herfst en lente onze aandacht trekt. De verklaring daarvan wordt dan gevonden in het sterven en herleven van een bepaalde god.
Toch zijn er ook verschillende typen of gestalten van heidendom. Twee daarvan hebben wij in het kort besproken. De sterrengodsdienst van Babylon richt onze aandacht op de sterrenhemel met zijn vaste orde en onveranderlijke wetmatigheid, en is in wezen niets anders dan , een poging van de mens om de hogere machten te kennen, die zijn leven bepalen. De godsdienst van Egypte is een poging om door te dringen in het donkere geheim, van de dood en het leven hiernamaals.
Met beide godsdiensten is Israël in nauwe aanraking gekomen. Israël als volk is ontstaan in de eeuwen van verdrukking in Egypte. Later was het in ballingschap in Babylon.
Tussen Egypte en Babylon ligt Kanaan. Tussen verdrukking en ballingschap ligt Israel's leven als zelfstandig volk in Kanaan. En Kanaan had zijn eigen afgoden. Elke Bijbellezer kent de namen Baal en Astarte. Groot en verderfelijk was de invloed van deze afgoden der Kanaanietische volkeren op het volksleven van Israël. Er moet dus een machtige bekoring van dit heidendom zijn uitgegaan. Anders had het niet zulk een vat kunnen krijgen op het uitverkoren volk. Waarin lag deze bekoring, waaraan Israël zo moeilijk weerstand kon bieden ?
De naam ,,Baar'' betekent : heer, eigenaar. Evenals in Israël, was er ook bij de Kanaanieten en omwonende volken een schroom om de naam van hun godheid uit te spreken. De god der Amorieten heette Amurru, die der Arameën Hadad of Addu, die der Phoeniciërs Mélkart.
Men vreesde echter het uitspreken van de eigennaam der godheid en verving die bij voorkeur door de naam Baal. Heilige bronnen, bomen, dieren, bergen, stenen of plaatsen, ook de hemel in het algemeen, zij hadden elk hun eigen Baal of ,,heer".
Baal was de verpersoonlijking van de grote mannelijke godheid, en als zodanig de god der vruchtbaarheid. Van hem smeekte de Kanaaniet de vruchtbaarheid van zijn land en alle goede gaven af : daarop doelt b.v. het verwijt van Hosea 2 vs. 4, als Israël zijn brood en water, wol en vlas, olie en drank, niet van de Heere, maar van Baal verwacht.
Er was nog een ander gevaar, waaraan Israël evenmin ontkomen is. Na de verovering van Kanaan gingen de Israëlieten de Heere, Jehovah, beschouwen als de „eigenaar" of „Heer" van het land, maar dan al te zeer op de wijze, waarop de Kanaanieten Baal als zodanig hadden vereerd. In naam werd dan Jehovah aangebeden, in werkelijkheid meende men, dat Hem eenzelfde dienst aangenaam was, die voorheen aan Baal was gebracht.
Naast Baal staat Astarte: in Babylon heet zij Isjtar. Zij komt ongeveer overeen niet Isis in Egypte.
Astarte is de grote Moedergodin, die onder verschillende namen in heel de Semietische wereld vereerd werd. Zij is de verpersoonlijking van het vrouwelijk beginsel in de natuurgodsdiensten : van de vrouwelijke voortbrengende kracht, die men in de natuur werkzaam zag in planten, dieren en mensen. Tezamen met de mannelijke god Baal is zij het, die alle leven voortbrengt en handhaaft. Zij treedt op overal, waar leven ontstaat : bij bronnen , en rivieren, bij de ontluiking van het jonge groen in 't voorjaar, bij de geboorte van mens en dier. Zij is ook de morgenster, Venus, die vóór zonsopgang verschijnt en de zon geboren doet worden. Zij wordt gaarne afgebeeld als de moedergodin met het kind aan de borst, evenals Isis in Egypte, en zij is de „hemelkoningin". Invloed van dit heidendom zien wij nog springlevend in de Roomse Kerk : de Madonna (de maagd Maria) met het Jezuskind, de „koningin des hemels".
Zo zijn Baal en Astarte de god en de godin der vruchtbaarheid, die in deze beide goden verpersoonlijkt werd. Hier wordt de vruchtbaarheid gezien als het levensbeginsel, dat in zekere zin tot een zelfstandige grootheid is geworden, die haar zin en doel heeft in zichzelf. Het vermogen om vruchtbaar te zijn en leven te kunnen voortbrengen, dit geweldig vermogen, door God de Schepper aan Zijn schepsel meegegeven, wordt losgerukt van de Schepper en zelf tot een godheid gemaakt.
En zo werd de dienst, waarmede men deze godheid meende te kunnen behagen, de ,,heilige" ontucht. Evenals in de Griekse Venustempels duizenden jonge meisjes als priesteressen de godheid meenden te eren door zichzelf te geven, zo wandelden vele Israëlieten in de weg van Baal en Astarte. De ontucht werd niet verfoeid en als goddeloos verafschuwd, veroordeeld en bestreden, ook niet oogluikend toegelaten, doch als een ,,heilige" handeling aangeprezen.
Als wij, dit weten, verstaan wij de felheid, waarmede Israel's Profeten in de naam des Heeren getuigen tegen de afgodendienst van Baal en Astarte, tegen het (in letterlijke zin!) ,,na-hoereren" van vreemde goden. Een volk, dat aan zulk een godsdienst ten prooi valt, gaat een wisse ondergang tegemoet : het zinkt weg in een poel van zedeloosheid.
Doch als wij dit weten, verstaan wij ook de machtige, doch verderfelijke bekoring, die van dit heidendom uitging op Israël. Want in zulk een godsdienst wordt niet gevraagd de verloochening van onszelf, het beheersen van onze natuurlijke driften, wat ons steeds zo moeilijk valt. Doch hier kan de mens eenvoudig al zijn hartstochten uitleven. En hij wordt daarvoor niet bestraft, doch geprezen, want deze ontucht wordt beschouwd als „heilige" handeling, waarmede men de godheid eert!
En evenmin als de godsdiensten van Babylon en Egypte, is de dienst van Baal en Astarte verouderd. Als wij deze „oude" godsdiensten tot op de bodem peilen, vinden wij steeds onze afgoden terug.
En gevaarlijker dan de sterrengodsdienst van Babylon en het wroeten in het geheim van de dood in Egypte's godsdienst, is deze godsdienst der vruchtbaarheid bij de Kanaanietische volkeren.
Wij zien het in het Oude Testament: Egypte en Babylon hebben hun duizenden verslagen in Israël, doch Baal en Astarte hun tienduizenden. De godsdienst van Babylon gaat het gewone volk te hoog, die van Egypte te diep — maar de dienst van Baal en Astarte ligt binnen ieders bereik! Zij zijn nóg steeds de gevaarlijkste afgoden, en zoals deze afgodendienst het meest en het diepst is ingedrongen in het volksleven van Israël, zo dringt deze dienst het meest en het diepst in de Kerk van Christus in.
Dit heidendom bedreigt de heiligheid van het huwelijk, de reinheid van zeden ook van óns volk. Waar de levensdrift en de vruchtbaarheid worden beschouwd en gepredikt als zelfstandige waarden, die hun zin en doel hebben in zichzelf, wordt alle verweer tegen de boze neigingen van ons hart gebroken, en wordt met name de jeugd van ons volk weerloos uitgeleverd aan de dienst van afgoden, die ons volksbestaan zullen ondermijnen en onherroepelijk te gronde richten.
Wij gaan daarop nu niet verder in, daar onze bedoeling een andere is. Ik heb er slechts even op willen wijzen, dat de afgoden, waarmede Israël te maken kreeg, geen belachelijke verzinsels zijn van volken in een primitieve staat van ontwikkeling, waar wij boven uitgegroeid zijn, zodat ook die afgoden voor ons geen bekoring meer zouden hebben, en dus geen gevaar meer zouden zijn.
De afgoden der oude volken zijn onze afgoden : de goden van déze eeuw. En „deze eeuw" duurt tot de wederkomst van Christus. Tot zolang zal de Kerk van Christus omringd worden door het heidendom.
Tot zolang zullen wij ook moeten waken tegen dit heidendom. Want dit oefent nog steeds een geweldige bekoring uit en vindt sterke weerklank in het menselijk hart, dat zich zo sterk voelt aangesproken door de diepste beweegredenen en drijfveren van het heidendom.
Wij zouden zo graag met Babylon's wijzen en sterrenkijkers doorgronden het hoog geheim van die verborgen Macht, die de loop der sterren bepaalt, die ook ons leven bestuurt —, om vervolgens deze wetenschap te gebruiken, die verborgen Macht te beheersen : om dus zelf als God te zijn en ons eigen lot en leven te bepalen.
Wij zouden zo graag met Egypte's priesters willen doorgronden het diep geheim van de dood en van het leven hiernamaals —, om vervolgens deze wetenschap te gebruiken, de dood onschadelijk te maken en dit leven hiernamaals voort te zetten in een zaligheid, waarin het geluk bestaat in niets anders dan een ongestoorde voortzetting van die dingen, waarin wij hier op deze aarde onze vreugde vonden.
Wij zouden zo graag met de dienaren van Baal en Astarte willen léven, door niets geremd, eenvoudig uitlevend de natuurlijke levensdrang, zonder hoger doel, daar deze levensdrift zijn doel heeft in zichzelf.
De dienst van Baal en Astarte lijkt van deze drie de meest oppervlakkige. Dit schijnt slechts te zijn de ,,godsdienst" van hen, welker god is de buik, welker heerlijkheid is in hun schande, die aardse dingen bedenken, en wier geest te traag is om zich te vermoeien met de meer verheven vraag naar de verborgen Macht, die ons leven bestuurt, of om zich te verdiepen in het raadsel van dood en eeuwig leven.
Doch het is nog de vraag, of het heidendom der Babylonische wijzen en der Egyptische priesters waarlijk edeler is en hoger staat. Want waarom anders wil de mens de verborgen machten, die zijn leven beheersen, kennen, en al kennende die op zijn beurt bepalen en beheersen — en waarom anders wil de mens doorgronden het geheimenis van de dood en van het leven hiernamaals, dan om te léven, ongeremd, ongehinderd, onbevreesd ?
Doch wat de van nature heidense mens langs verschillende wegen tevergeefs heeft gezocht en steeds vruchteloos zal zoeken —, dat wil God de Heere ons schenken, om niet, uit enkel genade, in Jezus Christus, Zijn Zoon. Want dit is de getuigenis, dat ons God het eeuwige leven heeft gegeven, en dit leven is in de Zoon.
En de Zoon zegt: ,,Bekeert u, en gelooft het Evangelie. Zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijn gerechtigheid, en al die andere dingen worden u toegeworpen. Want Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde. Ik heb de dood overwonnen, en wie in Mij gelooft, hééft het eeuwige leven. Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus, die Gij gezonden hebt. Zoekt Mij, en leeft. Maar : weest heilig, want Ik ben heilig. Zalig zijn zij, die Mij kennen, zich aan Mij overgeven, Mijn geboden horen en doen !" En wie de Zoon zal vrijgemaakt hebben, die zal waarlijk vrij zijn : vrij van de afgoden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 augustus 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's