De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Gevallen - bewaard - vernieuwd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Gevallen - bewaard - vernieuwd

(Dordtse Leerregels, Hoofdstuk V, art. 7)

12 minuten leestijd

Onvolprezen rijk zijn onze belijdenisgeschriften. Rijk aan geestelijke waarden, die aan de kerk des Heeren inzicht en doorzicht, uitzicht en vergezicht geven.

Wat blijkt telkens weer, dat deze erfenis onzer vaderen een getuigenis is van een kerk, die het waarachtige leven des geloofs kende. Die een oog had voor de objectieve Waarheid, maar die er óok van doordrongen was, dat de Waarheid der Schriften door Gods Geest aan het hart moet worden toegepast.

Toegepaste Waarheid. Dat is noodzakelijk, zal een kerk, zal een mens niet opgaan en straks ondergaan met algemene waarheden, die hoogstens een schijn van godzaligheid kunnen geven, maar waarbij de wortel der zaak ontbreekt.

Toegepaste Waarheid. Dat is iets, dat in onze dag weinig meer begeerd wordt. - Veel meer gaat de begeerte uit naan een aangepaste waarheid. En zover is men reeds gevorderd met het aanpassen der Waarheid, dat er bij de grote massa dergenen, die zich christenen noemen, schier geen besef meer is overgebleven van een eng pad, een smalle weg, een pelgrimstocht, van een verborgen omgang met God en heiliging des levens, van zielsworsteling en zieleweelde. Voor velen zijn dit vaak begrippen geworden uit een ver verleden.

Wie „nieuwe koers" zegt, wie Barthianisrne zegt, die zegt tegelijk , .aangepaste waarheid". Men wil niet meer onvoorwaardelijk buigen voor en onder de Waarheid der Schriften. Men houwt zichzelf gebroken bakken uit, die geen water kunnen bevatten. En dit is daarbij het indroevige, dat men bij zulke gebroken bakken, het werk van mensenhanden, durft te zingen : „dit werk is door Gods alvermogen, door 's Heeren hand alleen geschied". Of is dit teveel gezegd, wanneer men hoort spreken over zoveel, dat er thans in en namens de kerk plaats vindt, als zou het een werk des Geestes zijn, terwijl de practijk in vele gevallen, en nog wel op cardinale punten, laat zien, dat er vaak gehandeld en geleerd wordt vierkant in strijd met het getuigenis des Geestes ?

Aangepaste waarheid. Het is een hellend vlak, dat dikwijls op de kansel begint. Aangepaste preken : remonstrants, barthiaans, semi-pelagiaans, enz. Korte diensten met veel zingen, veel liturgie en ,,actuele" preken, die z.g. midden in deze tijd staan, maar helaas, niet midden in het geestelijk leven van Gods gemeente, zoals dat door Gods Geest gewerkt wordt.

De profetische, priesterlijke en koninklijke bediening van Christus in zondaarsharten, door middel van Zijn Geest, schijnt voor velen niet meer der overdenking waard te zijn. En toch, van die bediening zal Gods kerk het moeten hebben, zal het wèl zijn.

Neen, onze vaderen, die onze belijdenisgeschriften opstelden, waren, Gode zij dank, geen mensen die een aangepaste waarheid voorstonden, doch die op de noodzakelijkheid van de toegepaste Waarheid sterk de nadruk legden.

Zie b.v. artikel 7 van hoofdstuk V der Dordtse Leerregels. Dit art. 7 is een schakel in een keten van artikelen, die handelen over de volharding der heiligen. Uit de daaraan voorafgaande artikelen blijkt duidelijk, dat dit leerstuk niet wil zeggen dat degenen die eenmaal werden getrokken van de duisternis tot Gods wonderbaar licht, vanaf dat ogenblik als in een onafgebroken, opgaande lijn hun levenspad bewandelen.

Het is niet tot hun eer, dat het gezegd moet worden, maar wel in overeenstemming met de werkelijkheid, dat dit leven staat in het teken van vallen. Tot hinken en tot zinken ieder ogenblik gereed. Hoe dat komt ? Omdat de oude mens nog teveel leeft. De oude mens met zijn ongeloof, kleingeloof, twijfel, vijandschap, wereldsgezindheid, zondelust, enz.

Het blijkt telkens zo duidelijk in het leven der genade, dat' er nog zo vaak inplaats van een nawandelen van Christus', er gevonden wordt een na-vallen van Adam.

Het leerstuk van de volharding der heiligen bepaalt ons tevens bij het vallen der heiligen.

Gevallen heiligen. Eens zongen ze uit de volheid van het gemoed : ,,God heb ik lief, want die getrouwe Heer', hoort mijne stem, mijn smeking en mijn klagen".

Eens zongen ze : ,,Wie heb ik nevens U omhoog ? "

En zie ze nu gevallen vaak, en dat, terwijl God toch voor hen Dezelfde was gebleven in Zijn trouw en barmhartigheid.

Gevallen heiligen, gij, die eens stond in de blijdschap des geloofs, die eens knielde in aanbidding voor Gods onuitsprekelijke Gave, in Christus geschonken en door Gods Geest aan het hart toegepast, gevallen heiligen, wat is het, dat u deed vallen ?

Zoals de wegen, die God houdt met een mens om hem tot Christus te brengen, vele en velerlei zijn, zo zijn ook de wegen die satan gebruikt om een begenadigd mens ten val te brengen, vele en velerlei.

Wie zal zeggen, hoe het begon ? Er kwam verachtering in de genade, het gebeds- en geloofsleven begon te kwijnen, de gevoelige nabijheid Gods te wijken, om plaats te maken voor aardsgezindheid. En de val was niet ver meer.

Een val, mogelijk tot in uitbrekende zonden toe.

Een val, wellicht niet eens direct zichtbaar voor de buitenwereld, de kerkgang enz. werd niet nagelaten, en tóch . . . . . de eerste liefde werd verlaten, banden rekten, vuur kwam onder de as, de vleespotten van Egypte werden weer begeerd en men ging bouwen, misschien wel op een vroom schijnende grondslag, doch buiten Jezus Christus en Die gekruist. Zelfs een bruidskerk, die zich verblijdt met de bruidsversierselen, doch de Bruidegom vergeet, terwijl ze tijden gekend heeft dat ze voor de Bruidegom de versierselen vergat, zulk een bruidskerk is reeds in meerdere of mindere mate aan het vallen toe.

En ofschoon in al deze dingen de satan werkt, vermindert dit niets aan de schuld dergenen die vielen. Ze krijgen dan ook de schuldbrief thuis. Ik zal henengaan — zo getuigt de Heere - en wederkeren tot Mijn plaats, totdat zij zich schuldig kennen.

Gevallen — en dan Gods schuldbrief thuiskrijgend. Een reden, om het dal der diepe droefheid te betreden. Maar, wonder van Gods genade, in dat dal is er nog een deur der hope. Want deze schuldbrief is, hoe is het mogelijk, nog geen vonnis van volkomen verwerping. Dat hebben ook onze vaderen, bij wie we niet te veel in de leer kunnen gaan, begrepen. Vandaar dat ze zo troostvol voor degenen, die de schuldbrief thuis kregen, in het formulier van de Heilige Doop neerschreven : ,,En als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen, zo moeten wij aan Gods genade niet vertwijfelen, noch in de zonde blijven liggen, overmits de Doop een zegel en ontwijfelbaar getuigenis is, dat wij een eeuwig verbond met God hebben".

Wat blijkt het, dat de Heere de Zijnen bij en onder het vallen bewaart.

Hij bewaart — zo zegt art. 7 — Zijn onvergankelijk zaad, waardoor zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga, noch uitgeworpen worde.

Het zaad, het woord des Evangelies, dat God eens in het hart heeft uitgestrooid, waardoor het leven gewekt werd, kan niet meer verloren worden, omdat God voor Zijn eigen werk instaat. Die God bemint, bemint Hij eeuwig. En wie Hij eenmaal vastgreep, houdt Hij eeuwig vast.

Vandaar dat het niet kan uitblijven, of na korter of langer tijd zal het weer komen tot wederkeer, tot hernieuwde bekering. En weer wordt, onder de bearbeiding des Geestes, uit een verbroken en verslagen hart de vraag geboren : „Is er nog een weg om het rechtvaardig verdiende oordeel te ontgaan ? "

Gevallen. Geschud in de zeef van satan. Bewaard. Omdat het tot Petrus gesproken woord van Christus alle begenadigden geldt: „Simon, Simon, de satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe, doch Ik heb voor u gebeden, opdat uw geloof niet ophoude". Bewaard door de voorbiddende hemelse Hogepriester.

Als vrucht van die hogepriesterlijke voorbede vernieuwt God, zekerlijk en krachtiglijk, door Zijn Woord en Geest, tot bekering.

Waaruit die vernieuwing bestaat ?

Let dan eens nauwkeurig op, hoe de belijdenisgeschriften onzer kerk dat in art. 7 beschrijven. Om dan tevens te constateren, hoe de opstellers niet alleen de objectieve Waarheid zuiver belichtten, maar dat zij ook als zielszorgers aan het bevindelijke leven Schriftuurlijke leiding gaven. Welk een verschil met hetgeen in onze dagen vaak te aanschouwen valt. Wordt niet het ware zieleleven dikwijls als valse mystiek voorgesteld ? Alle aandacht wordt gevraagd voor een objectieve Waarheid, doch een onderzoek naar de vruchten van het toepassende werk des Geestes, Die alleen in alle Waarheid leiden kan, ontbreekt. Zijn er tegenwoordig niet vele ambtsdragers, die vergeten dat Bedienaar des Evangelies tevens, inhoudt zielszorger te zijn ? En vergeten eveneens vele gemeenteleden niet, dat vooral hun ziel zorg, bearbeiding nodig heeft, opdat het hun ziel welga ? Als ambtsdragers en gemeenteleden daarvan beide evenzeer overtuigd waren, wat zou dan menige kerkdienst een geheel ander stempel dragen en wat zou dan menig gesprek een andere inhoud hebben. Alle aandacht zou er dan zijn voor Christus, maar dan voor zulk een Christus, Wiens profetische, priesterlijke en koninklijke bediening we voor ons zieleleven niet kunnen missen.

Sprekend over deze vernieuwing, bepaalt art. 7 ons bij verschillende zaken, die in dat vernieuwingsproces gekend worden, 't Zou teveel tijd vorderen, hierbij uitvoerig stil te staan. We willen er ons bij bepalen, de zaken zelf te noemen. En alleen het noemen daarvan reeds zal ons de indruk geven, dat het werk des Geestes in een zondaarshart de volle aandacht had van de kerk der reformatie.

Ziehier dan het proces der vernieuwing, in art. 7 getekend :

a. een verbroken hart;

b. een hartelijke droefheid naar God over de bedreven zonden ;

c. begeerte naar verzoening ;

d. een zoeken van die verzoening in het bloed des Middelaars ;

e. een verkrijgen van deze verzoening door Gods genade in de weg des geloofs ;

f. een verzoend God weer het deel des harten ;

g. wederkeer der gevoelige genade ;

h. aanbidding van Gods trouw en ontferming ;

i. voortaan een des te naarstiger werken van hun zaligheid met vreze en beven.

Wat blijkt uit dit alles, dat de opstellers geen vreemdeling waren van het waarachtig geestelijk leven. En wat kunnen we er van overtuigd zijn, dat al deze dingen, hier terloops genoemd, de volle aandacht gehad zullen hebben bij de herderlijke zielszorg, uitgeoefend door de bediening des Woords, bij catechisatie en huisbezoek. Gods getrouwe knechten door alle eeuwen heen en allen, die door genade wensen te leven bij en onder de zuivere Waarheid, begeren goddelijk onderwijs te geven en te ontvangen, zó, dat God aan Zijn eer komt, dat Gods kudde geweid, gehoed en geleid wordt, dat degenen, die buiten zijn tot jaloersheid worden verwekt en dat Gods Waarheid in al Zijn rijkdom, maar ook in al Zijn gestrengheid, in Zijn zegen en in Zijn vloek, den volke wordt voorgehouden. En zou niet daar de meeste zegen vallen, waar onder de bediening des Woords gevonden wordt dat diiep afhankelijke leven in prediken en luisteren beide, zodat het wordt biddend prediken en biddend luisteren, in ootmoedigheid Gods zegen afwachtend. Maar wat is deze kleinheid en schuchterheid bij het verkeren voor Gods aangezicht vaak ver te zoeken.

Gevallen — bewaard — vernieuwd.

Neen, het leven der genade vertoont niet een onafgebroken opgaande lijn. En het is er heel ver vandaan dat, zoals de Perfectionisten leren, hier op aarde reeds de mogelijkheid zou bestaan om de volmaaktheid te bereiken in het leven des geloofs. Eén hunner predikanten durfde zelfs eens vanaf de kansel te verklaren, een heel jaar niet gezondigd te hebben..

Welk een gebrek aan zelfkennis en aan Godskennis. Hoe geheel anders leert onze Heidelb. Catechismus. De allerheiligsten in dit leven hebben slechts een klein beginsel der goddelijke gehoorzaamheid. Hun leven lang hebben ze te strijden met hun zonden en zondige aard.

Het leven der genade is een leven, dat telkens in het teken staat van : „gevallen — bewaard — vernieuwd". „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods". Dit is de bewogen klacht, die uit het leven van Gods kind telkens weer oprijst. Een klacht vol diepe ootmoed, maar Godlof, geen klacht van vertwijfeling. Want in de ootmoed is er het uitzicht op Gods onwankelbare trouw. Die nooit varen laat Zijner handen werk.

Welgelukzalig zij, wier vroeger ongebroken leven door Gods genade een gebroken leven werd. Maar om dan op de puinhopen daarvan door Gods Geest de goede strijd te leren strijden.

Dan zal er al strijdende gejaagd worden naar heiliging des levens. Er zal een ernstig voornemen zijn om niet alleen naar sommige, maar om te beginnen naar alle geboden Gods te leven. Beginnen. Ja, want het gehele leven is nog slechts een begin. Telkens zal het nog weer zijn : gevallen, bewaard en vernieuwd. En inniger zal de bede worden:

„Ik zet mijn treden in Uw spoor. Opdat mijn voet niet uit moog' glijden. Wil mij voor struikelen bevrijden. En ga mij met Uw heillicht voor". 

Gelukkig diegene, bij wie onder dit alles de oefeningen des geloofs gevonden mogen worden. Zodat er met art. 24 van onze geloofsbelijdenis beleden kan worden : „Onze consciëntiën zouden altijd gekweld worden, indien ze niet leunden en steunden op de verdiensten des lijdens en stervens van onze Zaligmaker". Dan zal er zijn een leven bij en uit de beloften. En zovele beloften als er zijn, die zijn in Jezus Christus ja en amen.

Ja en amen, óók deze belofte : ,,Want bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, spreekt de Heere, uw Ontfermer".

Deze en zovele beloften zijn de vastigheid van Gods levende gemeente. De volharding der heiligen is er, omdat er is een goddelijke verkiezing. God doet het niet terwille der Zijnen, maar om Zijns groten Naams wil, die zij door hun vallen telkens weer komen te ontheiligen.

Maar omdat God de Zijnen liefgehad heeft met een eeuwige liefde, daarom worden zij bij het vallen telkens weer bewaard en worden zij telkens weer vernieuwd. Totdat eens de morgenstond der eeuwigheid zal aanbreken, de dag, waarop de vernieuwing, die nu nog slechts ten dele is, zal worden voltooid.

Dan, aan de Overzijde, behoort het vallen eeuwig tot het verleden, is bewaring niet meer nodig en zingt een vernieuwd volk het nieuwe lied der verlosten : „Het Lam, dat geslacht is en ons Gode gekocht heeft met Zijn bloed, is waardig te ontvangen de lof, de aanbidding en de dankzegging".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Gevallen - bewaard - vernieuwd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's