De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Hoe wij ons de sanering van het kerkelijk leven denken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Hoe wij ons de sanering van het kerkelijk leven denken

6 minuten leestijd

Deze vraag werd ons onlangs gedaan bij de bespreking der kerkelijke aangelegenheden.

Gij acht dit ontwerp onaanvaardbaar, gij meent, dat het een stap achteruit is vergeleken bij 1816, maar hoe denkt gij dan over de sanering ?

Gij wilt de binding aan de belijdenis, maar hoe wilt gij dan met de kerkelijke tucht en wat moet er gebeuren met al die predikers en gemeenteleden, die het nu ten enenmale met de belijdenis niet eens zijn ?

Heel begrijpelijk, dat deze en dergelijke vragen opkomen bij degenen die kennis hebben genomen van de bezwaren dezerzijds.

Sommige van déze vragers zijn reeds ingenomen door de massageest, welke in onze dagen wordt gekweekt, zo iets van : nu ja, tegenwoordig redeneert men Bartiaans, welnu, dan gaan wij mee. Men wil een nieuw type ,,Hervormd"; Welaan, dan ,,Hervormd" naar de nieuwe stijl.

Deze vragers zijn helemaal niet van plan te luisteren, nog minder zich rekenschap te geven van onze bezwaren.

Er zijn echter ook anderen, mensen, die nadenken willen, voor de bezwaren van ons wat gevoelen, maar, die ook voor de bezwaren aan de andere kant niet blind zijn.

Binding aan de belijdenis ? Ja, dat moet eigenlijk wel. Dat is op zich zelf een waarborg tegen willekeur, en dat gevoel ik ook wel — grond en uitgangspunt voor een kerkelijke ontwikkeling der confessie, want dan wordt er, als er bezwaren zijn, ernstig over gestudeerd en gehandeld om een kerkelijke beslissing uit te lokken. Als dat op die wijze geschiedt, kan de kerk — dat is duidelijk — ,,in de weg van haar belijden" blijven.

En wij voegen er aan toe, dat dit nooit het geval kan zijn, als men begint met „dat belijden" bij kerkordelijke bepaling los te maken van de belijdenis. Dat immers is loutere willekeur.

Maar — zo gaat de vrager verder — de binding aan de belijdenis zal nog al wat conflicten met dissenters te weegbrengen.

Hoe wilt gij daarmede ? Stel u eens voor, dat de Synode uw standpunt overnam, zoudt gij willen, dat zij alle dissenters onder predikanten en leden buiten de deur zou zetten om zo een ,,gezuiverde" kerk te verkrijgen ? Of, hoe moet dat ?

'i Vooreerst dit. Wij zoeken geen zuivere of gezuiverde kerk. Dat is onze taak niet en wij weten, dat God, de Heere goddelozen rechtvaardigt. Wij zoeken dus niet een kerkje van alleen bekeerde mensen. Dat zou bovendien slechts op verbeelding en aanmatiging, berusten, want wij zij geen kenners der harten.

Maar wij zoeken, wat tot sanering van het kerkelijk leven kan leiden, d.w.z. wat kan leiden tot een kerkelijk leven, hetwelk in overeenstemming is met de aard en het wezen der kerk.

Daarom beginnen wij bij de belijdenis, haar erkenning en haar binding.

Dat is het enige kerkelijke begin en de enig juiste weg. 

Wie dat niet wil moet wel blind zijn in kerkelijke zaken, of tegen beter weten in doen, wat in strijd is met wat hij behoort te doen.

Zeker zijn er onder de kerkelijke machthebbers, die zo blind niet zijn, maar zij weten zeer goed, dat het recht aan onze kant en het onrecht aan hun kant is, maar zij duchten de gevolgen, of zien geen weg om die te aanvaarden.

Het behoeft niet gezegd, dat wij met de consequenties van de binding aan de belijdenis rekenen.

Er zijn nu eenmaal dissenters en er zijn mensen, die er prijs op stellen als vrijzinnig onderscheiden te worden van de orthodoxie.

Het is wel niet duidelijk, wat het Evangelie met vrijzinnigheid te maken heeft, want het Evangelie is niet uit de mens, maar uit God. Er is geen vrijzinnig Evangelie en een orthodox Evangelie.

Dat dissenters en vrijzinnigen er nu eenmaal zijn, mag geen aanleiding wezen om de eisch van binding aan de belijdenis terwille van hen te laten varen. Dat zou betekenen, dat degenen, die zich niet bij de kerk willen voegen, in de kerk zouden heersen.

Indien de Synode een principiële houding aannam en ernst maakte met de belijdenis, zoals zij schuldig is te doen, zouden vele dissenters niet eens worden ontdekt. Zij zouden wat minder onbescheiden dan thans hun kramerijen vertonen of in de kerkelijke bladen uitstallen.

Intussen zou ook zulk een principiële houding der Synode insluiten, dat men begrip zou tonen voor de historisch geworden wantoestand.

Een iegelijk kan toch begrijpen, dat men met een ziek lichaam van doen heeft, en dat men niet met één slag de verwording kan genezen.

Er zouden zich zeker conflicten voordoen en de Synode zou zich niet mogen onttrekken aan een sanerende tucht. Zij zou haar maatregelen met de nodige zachtmoedigheid en vastberadenheid moeten kiezen, opdat allengs een gezond kerkelijk leven werd benaderd.

Een beleidvolle uitoefening van opzicht en tucht op de aangewezen grondslag zou genezing kunnen brengen.

Deze zou hoge eisen stellen aan de vergaderingen en met vermijding van rigorisme, beginnende met de meest fundamentele stukken des geloofs, de prediking en herderlijke zorg allengs in overeenstemming met de confessie hebben te leiden en wat met het Evangelie der Schriften in strijd is moeten bestrijden en weren.

Grote woorden als inquisitie en leerdwang moeten aan de kaak gesteld. Men is van zekere zijde haastig gereed om zulke woorden te gebruiken, waar men beducht is, dat voor zijn onkerkelijke opvattingen geen ruimte kan zijn. Dezulken zouden echter niet zo lange tijd nodig hebben om tot het inzicht te komen, dat recht en verantwoordelijkheid, welke op de kerkelijke vergaderingen rusten, gebieden, de grenzen in acht te nemen van hetgeen in de vrijheid der kerken kan en soms moet worden gelaten en wat niet.

Wij zijn van overtuiging, dat omtrent de noodzakelijkheid van de binding aan de belijdenis der kerk geen twijfel mag en kan zijn en dat de erkenning daarvan allereerst nodig is om uit het kerkelijk moeras te geraken.

Wij zijn daarbij van mening, dat alleen de verdediging van dit standpunt en haar vaststelling een weldadige invloed op het geheel zou uitoefenen omdat het ten enenmale kerkelijk verantwoord is en als enige weg verantwoord is.

Er is geen ander kerkelijk standpunt ten aanzien van de belijdenis. Wie dit vraagt, vraagt niet anders dan wat gewoon en normaal is. Wie dat niet vraagt, niet erkent en niet wil, wil van de kerk iets, dat met de aard van haar, openbaring in strijd is.

Op dit standpunt kan de kerkelijke tucht een goede zin hebben, omdat het daarbij moet gaan om de belijdenis.

Hoe wil men tucht oefenen over het belijden der kerk, de prediking en de herderlijke dienst zuiver houden „in de weg van het belijden der kerk", indien men van geen binding aan de belijdenis weten wil ?

De gehele ordinantie over opzicht en tucht wordt een dood reglement, of een bron van willekeur.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Hoe wij ons de sanering van het kerkelijk leven denken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 augustus 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's