MEDITATIE
EENZAAM - GEMEENZAAM
Ik ben een vreemdeling op de aarde. Psalm 119:19a. Ik ben een gezel van allen, die U vrezen. Psalm 119:63a.
In Hebreen 11 lezen wij van de aartsvaders, dat zij hebben beleden, dat zij gasten en vreemdelingen waren op de aarde.
Ze hebben hier geleefd op de aarde, maar ze waren er als op een doortrek. Ze wisten zich op reis naar het hemelse Kanaän, naar de stad, die fundamenten heeft. Ze waren overtuigd, dat ze hier geen blijvende stad hadden, maar zochten de toekomende.
Wat we nu van die aartsvaders beschreven vinden, is hetzelfde als wat de dichter hier zegt: „ik ben een vreemdeling op de aarde".
Dat is dus maar niet een klacht van iemand, die alleen in het leven staat, of van éen, die naar een vreemd land is verhuisd. Dit vreemdelingschap kennen al Gods kinderen. En daar zijn twee oorzaken voor.
Ten eerste, omdat de wereld hen niet meer voldoen kan, en ten tweede, omdat ze gezicht kregen op een beter Vaderland.
Want wat is het geval ? Als God het Woord bij iemand toepast aan het hart, door Zijn Geest, dan gaat het als bij die man in Bunyan's Christenreize, die inzag, dat ieder, die voor de wereld leeft en er in opgaat, straks met die wereld zal vergaan.
Als dat doordringt, dat men toch zó niet sterven kan, dan kan zulk een niet meer zo opgewekt meedoen met allerlei, als tevoren. Dan hebben de wereldse feesten niet meer die aantrekkelijkheid als vroeger. Hij krijgt met God te doen en de vraag ontstaat: „hoe word ik rechtvaardig voor God ? "
En als die vraag de leiding krijgt, dan gaat dat uit verschillende dingen blijken. Dan komen er vele zaken, die tevoren belangrijk schenen, op het tweede plan. Wat is er dan veel in het vroeger leven, dat hem veroordeelt en waar hij berouw over heeft. Niets zou hij Hever weten, dan dat hij met God verzoend was en dat hij vrede mocht hebben in zijn hart.
Zulk een ziet in, dat de wereld die vrede niet geven kan, maar dat God die alleen schenken kan.
En wie daar nu van vervuld is, bij wie dat het voornaamste is, die wordt een vreemdeling op de aarde.
Heeft zulk een dan nergens meer belangstelling voor ? O, zeker wel, maar niet voor wat hij misschien tevoren zo van harte zocht. Er is nu iets anders in zijn leven, en daar gaat zijn hart meer naar uit.
Dat wordt door de wereld, ook door de vrome wereld, niet begrepen en men vindt dat vreemd.
Het is hetzelfde, wat de aartsvaders en de psalmist hier er toe brengt om zich vreemdeling te noemen, namelijk omdat hun aandacht getrokken is voor datgene, wat eeuwig blijft.
Zulke vreemdelingen, ook van vandaag, hebben een indruk gekregen, dat er een hogere blijdschap is dan de wereld biedt, van een vrede, die alle verstand te boven gaat. Er is een hongeren en een dorsten naar de gerechtigheid van Christus.
Zulke mensen, wier belangstelling daarnaar uitgaat, weten zich vreemdelingen op deze aarde. En omgekeerd, worden ze als wat vreemd beschouwd. Iets anders dan een ander.
Misschien vindt u, dat ik overdrijf, en zegt ge: ,,ik heb dat nooit zo gevoeld". Kan dat soms komen, omdat ge dat vreemdelingschap weigert, en u daarom maar wat hebt aangepast aan de omstandigheden ?
Ik wil u enkele voorbeelden noemen.
Ik denk aan de jonge mensen, die in militaire dienst zijn. Wie ook daar voor zijn beginsel wil uitkomen en het wil opnemen voor de eer en de naam des Heeren, hij zal zich menigmaal een vreemdeling voelen en alleen staan.
Ik denk aan hen, die hun arbeid vinden in fabrieken en werkgroepen. Hoe moeilijk en zwaar kan hun leven zijn, als ze getrouw zijn in hun Christelijke roeping.
Vreemdeling op aarde en een vreemde voor hun omgeving.
Ik denk aan mensen op de Beurs of op de Markt, die daar hun naam als Christen willen waarmaken. Ze zullen zich daar menigmaal een vreemdeling voelen en als zodanig beschouwd worden.
Zo zouden we kunnen doorgaan, en we moeten constateren, dat wat „gewoon" behoorde te wezen, geacht wordt ,,vreemd" te zijn.
Tot in de huiselijke kring doet zich dat verschijnsel voor. David was een vreemdeling voor zijn vrouw Michal, toen hij zich verheugde in de Heere, bij het inbrengen van de ark. Job was in. de ogen zijner vrouw een vreemdeling, toen hij in zijn ellende nog maar bleef vasthouden aan zijn God.
Zo gaat het nog dikwijls, als één van beide echtgenoten in waarheid de Heere vreest en de ander hem of haar daardoor niet begrijpt.
Ik hoop, dat u, die dit leest, de taal van de dichter verstaat en dat ge met hem het oog hebt op een beter Vaderland.
Het behoeft ons niet te verwonderen, dat degenen, die de Heere willen vrezen, miskend worden en voor wat vreemd worden gehouden.
Als er ooit één geweest is, die zeggen kon : „ik ben een vreemdeling op de aarde", dan was het Jezus zelf.
En waarom ?
Omdat Jezus opkwam voor de eer Zijns Vaders en de mensen opriep tot bekering en geloof in Hem. Omdat Hij vermaande het Koninkrijk Gods te zoeken vóór alle dingen. En het liep bij Hem zover, dat ze Hem gingen beschouwen als een zeer ongewenst vreemdeling, als één, die ze ten koste van alles, kwijt wilden. Die ze hebben gedood.
Is het dan wonder, dat Zijn volgelingen ook als vreemdelingen beschouwd worden en zich vreemdeling voelen ?
Maar gij, vreemdelingen, die in Christus uw heil ziet, schept moed uit Zijn woorden: „Ik heb de wereld overwonnen". En het lijden van deze tegenwoordige wereld is niet te waarderen tegenover de heerlijkheid, die u straks zal geopenbaard worden.
De dichter in onze tekst zocht zijn hulp bij God. Hij ging niet naar de mensen met de vraag, wat hij toch doen moest om meer begrepen te worden, maar hij ging er mee tot God : ,,laat Uw geboden op reis mij niet ontbreken". Hij verlangde te weten, steeds weer, wat de Heere wilde, dat hij doen zou.
En die raad zou ik ook willen geven allen, die zich een vreemdeling weten, vanwege hun geestelijk leven.
Maar niet alléén dat.
Ik zou hen ook willen wijzen op de tweede tekst : ,,Ik ben een gezel van allen, die U vrezen, van hen, die Uw bevelen onderhouden".
Want wat zien we daarin ?
Dat de dichter, die zich hier op aarde niet thuis voelt, een kring heeft aangetroffen. Mede-vreemdelingen. Mede-reizigers, die vervuld zijn van dezelfde gevoelens. Onderweg mogen ze elkander herkennen en elkander tot steun zijn.
Hier is sprake van een zekere saamhorigheid. Er is gemeenschap, als het goed is, tussen degenen, die de Heere vrezen.
En hetzelfde wat hen zo even tot vreemdelingen maakte, n.l. hun verhouding tot God, dat is het ook wat hen hier tot medgezellen en vrienden maakt. Ze voelen zich samen van diezelfde weg, n.l. zondaren voor God, die door Christus' offer alleen hun behoudenis verwachten.
Christus heeft zich een gemeente vergaderd. Zijn kerk. Het zijn leden van één lichaam, die met elkaar in gemeenschap staan, omdat ze hun verbindingspunt hebben in datgene, wat hert vreemd maakt voor de wereld, n.l. hun verbonden zijn door het geloof aan Christus.
Ik ben een gezel, -een vriend van ,,allen", die U vrezen — zegt de dichter.
Hij heeft niet enkele voortreffelijke heiligen tot zijn medgezellen gekozen, zonder zich met de meer gewone gelovigen in te laten. Hij zag niet naar rang of stand, maar of het beginsel der wijsheid aanwezig was. n.l. de vreze des Heeren.
Mag ik u eens vragen, lezer, of ge uzelf hebt herkend in de Woorden van de dichter?
Ziet ge in die vreemdeling uw beeld ? Zijt ge iemand, die zich niet meer vinden kan in de dingen der wereld ? Gaat uw hart uit naar het hogere, naar dat éne nodige, naar de gemeenschap met Christus ?
Ge zult wellicht alleen komen te staan. Vrees daar echter niet voor, want, het is de Heere, die vreemdelingen met een wakend oog beschouwt.
Of voelt ge u nog echt thuis in de wereld en hebt ge uw verwachting van dit leven ?
Vindt u die anderen, die vervuld zijn met de geestelijke dingen, maar vreemd ?
Bedenk dan dat degenen, die door u zo beschouwd worden en zich vreemdeling voelen, zoals de dichter, bij God bekend zijn. terwijl Hij van u straks zal moeten zeggen : ,,Ik heb u nooit gekend".
Ge kunt uzelf toetsen. Voelt ge u aangetrokken tot degenen, die de Heere vrezen. Tot hen, die zich verlost weten door het bloed van Christus ? Of komt ge daar liever niet ? Ontloopt u ze, als ge kunt ? Dat is een verontrustend teken.
Ge kunt zelfs een meelevend mens zijn, uw krachten en gaven geven voor de zaak des Heeren en toch een heimelijke afkeer hebben van Gods volk, omdat ge ze niet begrijpt en vreemd vindt.
Onderzoek u daarom wel en toets u aan deze tekst.
Vreemdelingen op de aarde, om Christus' wil, u hebt een schat in de hemelen. U bent slechts op een doorreis. Straks zult u een beter Vaderland hebben.
Ziet op Hem, die u voorgaat, die de Voleinder en Leidsman uws geloofs is en sluit u aaneen, gij allen, die de Heere vreest.
Versterkt elkander met het woord des Heeren : „nog een kleine tijd, en Ik kom weder tot u en zal u allen tot Mij trekken".
En dan zult gij, die u hier slechts vreemdelingen en gasten gevoeld hebt, voor eeuwig thuis zijn !
(Bodegraven)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's