De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EERST DE JOOD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EERST DE JOOD

7 minuten leestijd

Dat behoort toch minstens tot onze plicht der dankbaarheid, dat wij, christenen uit de heidenen, het Evangelie verkondigen aan dat volk,  uit welk Christus is, zoveel het vlees aangaat".

Mijn aandacht voor deze zaak werd op bijzondere wijze geboeid door een boek, dat meer dan honderd jaar oud is, n.l. ,,Het leven en de nagelaten geschriften van M' Cheyne". Deze prediker werd 21 Mei 1813 geboren te Edinburgh en oefende later grote invloed uit op de Schotse Kerk van die dagen. Zijn bijzondere belangstelling ging uit naar de Joden, waarom hij zich als jonge man reeds geroepen voelde juist hun het Evangelie te verkondigen.

Hij was van mening, „dat wij een uitstorting des Geestes zouden mogen verbeiden, zodra onze Kerk de handen begon uit te breiden tot de Joden, zowel als lot de heidenen". In die tijd werd n.l. nog weinig aan de Zending gedaan. In een van zijn brieven zegt hij: „ik zie nu duidelijk in, dat al onze begrippen, waardoor wij de Joden als de voornaamste voorwerpen van onze Zendingsarbeid beschouwen, duidelijke en gezonde waarheid bevatten en overeenkomstig zijn met de Schrift". En in één zijner preken merkt hij op : ,,wij moeten God navolgen in Zijn bijzondere genegenheden en de ganse Bijbel toont, dat God altijd voor de Joden een bijzondere genegenheid heeft gehad en hun die nog toedraagt".

Ik kan niet nalaten een korte samenvatting te geven van een preek over Rom. 1 vs.1, „Eerst de Jood . . .. ", die M' Cheyne gehouden heeft de 17 Nov. 1839, na zijn terugkeer van een Zendingsreis onder de Joden in en buiten Europa. Hij begint aldus: ,,De meeste mensen schamen zich het Evangelie van Christus. De wijzen, omdat het Evangelie geloof eist. De groten der wereld, omdat het alle mensen voor God gelijk stelt. De rijken, omdat het moet aangenomen worden zonder prijs of geld. En zo wordt de blijde boodschap van een rijke Verlosser voor arme zondaren in de wind geslagen. De mensen schamen zich er voor. Slechts zij schamen zich het Evangelie niet, wier harten door de Heilige Geest zijn vernieuwd. Zij weten, dat het Evangelie een kracht Gods is tot zaligheid voor een ieder die gelooft. Een bijzonderheid is echter, dat Paulus hierop volgen laat „eerst de Jood". Daaruit trek ik de conclusie, dat wij geroepen zijn de Joden in de eerste plaats hef Evangelie te verkondigen.

a. Omdat het oordeel van hen zal beginnen. (Rom. 2 vers 6—10),

Verdrukking en benauwdheid eerst over de Jood . . . . . En waarom ? Omdat hun meer licht geschonken was en zij het uitverkoren volk zijn. Juist daarom, dat hun zo'n ernstig oordeel wacht, moet juist hun allereerst het Evangelie verkondigd worden.

b. Wij zijn navolgers Gods, als wij in de eerste plaats Israel's belangen ter harte nemen. Maar al te velen berusten in de vreug­de over de vergeving hunner zonden, terwijl toch ons hoogste ideaal moet zijn Hem gelijkvormig te worden. Het is waar, dat Israël in de hand hunner vijanden gegeven is, doch niet minder waar is, dat zij beminden zijn om der vaderen wil". Gij zegt misschien : God heeft hen verstoten, doch God heeft Zijn volk niet verstoten, dat Hij tevoren gekend heeft. Dat zij verre. ledere bladzijde der H. Schrift getuigt tegen een dergelijk denkbeeld. Moeten wij dan Israël niet in onze beide handpalmen graveren, opdat zij door onze barmhartigheid ook barmhartigheid verkrijgen ?

c. Omdat ons een bijzondere deur tot de Joden geopend is. (Hier vertelt hij uitvoerig over zijn reis in Toskanen, Egypte, Palestina, Oostenrijk en Polen). Opdracht is : gaat tot de verloren schapen van het huis Israels.

d. Omdat hun aanneming voor de wereld zal zijn het leven uit de doden.

Wie overal in de wereld Joden ontmoet, moet wel tot de gedachte komen, dat dit zonderlinge volk tot een of ander groots oogmerk in dit leven bewaard wordt. Tot nu toe zijn zij een vloek onder de volkeren vanwege hun ongeloof doch de tijd is nabij, wanneer zij tot een zegen zullen worden. Ook hierom moeten wij beginnen bij Jeruzalem. Paulus werd gezonden tot de heidenen, Petrus tot de 12 stammen, die in de verstrooiing zijn. Laat daarom de Zending onder Israël niet de minste plaats bekleden in onze harten.

e. Omdat er groot loon aan verbonden is. Ik zal zegenen, die u zegent en vervloeken, die u vloekt. Wél moeten zij varen, die u beminnen.

Naar waarheid is door iemand opgemerkt, dat onze Kerk, als zij met grond op Gods zegen zal kunnen hopen, niet slechts een Evangelische, maar een Evangeliserende Kerk moet zijn. Zij moet ook in de duisternis rondom haar het licht verspreiden als huisbezorgster Gods.

Laten wij dan trachten zo te Evangeliseren, ALS GOD BEVOLEN HEEFT, dat is eerst de Jood.

Dan zal de Geest over ons land worden uitgestort. Dan zal haat en partijschap uit de Kerk gebannen worden, de twist zal in een loflied veranderen en onze eigen zielen zullen worden als een wèlbesproeide hof.

Tot zover M' Cheyne. Ik gaf slechts de voornaamste gedachten uit deze preek weer. Maar deze preek uit 1839 zou heel goed passen in 1949. En dat deze preek na 110 jaren nog actueel is, zal zijn geheimenis wel daaraan ontlenen, dat dit verkondiging is van het Woord Gods, dat eeuwig zeker is.

Dat Zending onder de Joden een opdracht is, hebben wij inmiddels wel verstaan, doch de moeilijkheden bij deze arbeid zijn vele. Hoe moeilijk het is voor een Jood om christen te worden, beschrijft mej. F. Boasson in het Juli-nummer van ,,Wending".

Zij zelf is gedurende de oorlog overgegaan tot het christelijk geloof en bezocht in 1947 Palestina. Enkele gedachten uit haar referaat ,,Het probleem der Christenwordende Joden in deze tijd", neem ik hier over. ,,Eenmaal door Gods Geest gegrepen, weet de Jood zich geplaatst in deze wereld juist als Jood, met een speciale taak en een bijzondere roeping . . .  . .. Gods zoekende liefde komt op heel bijzondere wijze tot de Jood en doet hem ervaren, dat Gods beloften niet ophouden. De bekeerde Jood is nog hartstochtelijker Jood geworden.

Hoe reageert hierop de omgeving ? De niet-gedoopte Joden in de regel vijandig . . . .. Zij zijn fanatiek of verbitterd, en vooral dit laatste is heel vaak het geval, dan verbreken zij de banden met de ,,afvallige". Voor deze mensen immers betekent de doop : verraad, ontrouw aan het toch reeds zo geteisterde Jodendom . . . . . .de doop is voor de Joden geworden tot symbool van het volksverraad. Om deze reden weigerden mensen als Werfel en Bergson, die wel in Jezus als de Messias geloofden; zich te laten dopen. Men mene dus niet, dat de stap tot het Christendom een gemakkelijke is. Verre van dien.

Ook de Joodse christen zelf wordt gekweld door dit gevoel van ontrouw en verraad, dat hij pleegt jegens zijn lijdende volksgenoten Het is dan ook heel hard, van de Joodse gemeenschap afgesneden te worden. Hoe reageert nu de Kerk op de nieuw aangekomen Christen-Joden ? Een enkele maal met verbazing en ontroering, meestal echter met onverschilligheid, daar men niet begrijpt wat het overgaan van de Jood betekent, en bij tijden met wantrouwen . . . . . . Ook mist de Jood (n.l. in de Kerk) dat eschatologische verlangen, dat hunkeren naar de vervulling, naar de wederkomst des Heeren . . . . .  Is voor de christen de Kerk vaak niet meer dan een belijdenisgemeenschap, de Jood is daarmede niet tevreden ; hij wil een geloofsgemeenschap, d.i. een samen gegrepen zijn door God, een samen beleven van dit wonder, een ,,kibboets", waarin men alles met elkander deelt . . . . ."

Wat mej. Boasson verwacht van de Christen-Joden in Palestina, is 't volgende. ,,Wanneer zich in de staat Israël een gemeenschap vormt van Joden, die Christus aanvaarden, zal daar waarschijnlijk een Joods-Christelijke Kerk ontstaan het is te verwachten, dat zij een eigen stempel zal dragen en een eigen nationale traditie zal handhaven, b. v, het mede-vieren van het Joodse Pesachfeest, het feest van Gods wonderbaarlijke uitredding van Israël uit Egypte . . . . . . "

Het zijn enkele gedachten van een dochter uit het oude volk. Gedachten, die ons beschamen enerzijds en anderzijds jaloers kunnen maken op deze Joden, aan wie de beloften inzonderheid gegeven zijn en die —eenmaal Christen geworden, de Bijbel kennen als de geschiedenis van hun volk, waaruit eenmaal de Heiland der wereld is voortgekomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EERST DE JOOD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 september 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's