HOREN EN VERSTAAN
Het is een aangename ervaring op te merken, dat er in de gemeente met onderscheiding geluisterd wordt. In het algemeen is het wel bekend, dat de gemeente het meest getrouw en talrijk opkomt, waar het Woord wordt bediend in overeenstemming met de gereformeerde belijdenis. Dit verschijnsel wijst op zichzelf er reeds op, dat zij maar niet klakkeloos aanvaardt, wat haar op de kansel wordt geboden. Op zichzelf mag dat een duidelijke aanwijzing geven voor een bediening des Woords, waarbij de kerk wordt gebouwd, maar de gave der onderscheiding om de prediking op haar Schriftuurlijke zuiverheid te waarderen, is niet zo algemeen. Ook in een ,,gereformeerde" gemeente kunnen insluipsels post vatten, die de toets der Schrift niet kunnen verdragen, hoezeer zij ook strelend mogen zijn voor de smaak van onze „vrome" ziel.
Aan de andere kant kunnen ook termen en uitdrukkingen worden gekend, die op de klank af worden geaccepteerd, hoewel zij uit een gedachtensfeer stammen, die met de Waarheid der Heilige Schrift op gespannen voet staat, wijl zij de overgeleverde leer zoekt te vedraaien en dat onder de schijn van de reformatoren te overtreffen in klaarheid en zuiverheid.
Het is volstrekt niet altijd even gemakkelijk de dwalingen op te merken en zeker niet voor een gewoon gemeentelid, maar het is daarom te merkwaardiger, dat men toch gevoelt: „er is iets niet in orde".
Zo werd ons dezer dagen uit de gemeente medegedeeld, dat sommige jonge predikanten vreemde dingen verkondigen :„b.v. ,,dat de mens bij het kruis zijn zonde leert kennen".
Aan twee dingen wordt door ons niet getwijfeld :
1e. dat er vele hoorders zijn, die zulke dingen de prediker ten goede houden, zonder daarover te ,,vallen".
2e. dat deze predikers het-doorgaans goed bedoelen, en zich bewust zijn, dat zij hiermede delen in de dwalingen dergenen, van wie zij zulke uitdrukkingen vernemen. (Misschien zelfs gedachteloos overnemen). Het kan daarom zij.n nut hebben er de aandacht op te vestigen, dat deze en dergelijke spreekwijzen, uit de school van de nieuwe theologie stammen.
Hoewel getrouwe Dienaren des Woords oude en nieuwe dingen uit de Heilige Schrift zullen te voorschijn brengen, kan het toch met de zuivere bediening des Woords niet overeenkomen, een zoeker van ,,nieuwe dingen" te zijn, die door de Heilige Geest klaar en duidelijk anders worden geleerd.
Daarmede wordt de gemeente niet gebouwd, maar het werk Gods wordt geschaad en de Dienaar, die zulks doet, zal een ontrouwe gezant worden bevonden.
Te betreuren is het voorts, dat vele gemeenteleden en zelfs jonge predikanten onvoldoende kennis hebben van de Catechismus. Ware dat beter en werd ook het catechetisch onderwijs meer op de kennis van de Bijbel en van de Catechismus gericht, er zou een invloed ten goede van uitgaan op de prediking van de dominees en op het horen der gemeente.
Wij kunnen dat door het gegeven voorbeeld bewijzen. „Bij het kruis leert de mens zijn zonde kennen".
Is dat nu zo ?
Wat Ieren de Evangeliën daaromtrent ? Een iegelijk oordele zelf. Als gij het Evangelie leest, waar het ons de Christus, voorstelt op Golgotha, deelt het dan mede, dat daar, op Golgotha, het volk zijn zonde leerde kennen ? En heeft men enige grond om te zeggen, dat, zij het dan ook maar de voornaamsten, de leidslieden des volks of enige voorname figuren uit de eerste gemeente, tot ontdekking van hun zonde kwamen ?
Het volk stond en zag het aan (Lukas 23 vers 35) en als het volk weg gaat van Golgotha, slaande op de borsten, wil dat allerminst zeggen, dat het ontdekt was aan de zonde, (Lukas 23 vs. 48).
Alleen van de moordenaar wordt ons medegedeeld, dat hij bekende in hetzelfde oordeel te zijn, en van de hoofdman bij het kruis weten wij, dat hij gezegd heeft: deze mens was rechtvaardig.
In de Evangeliën heeft men inderdaad geen grond om te zeggen, dat wij de zonde leren kennen bij het kruis.
Reeds daarom moet men dat niet zeggen en nog minder prediken. Het is bovendien onwaar.
De Roomsen planten hun kruisen dikwijls met een uitgebeelde Christus er aan in de kerken en op de hoeken van wegen en hoven, om van de begraafplaatsen niet te spreken, en wat ontdekkende kracht der zonde gaat er van uit ?
Al plantte men de wereld vol met kruisen, het zou weinig bijdragen tot kennis der zonde.
Doch wat méér zegt, de Heilige Schrift leert wat anders. Dat hebben de vaderen wel verstaan en zij hebben het als een stuk des geloofs hun kinderen en de gemeente ingeprent.
Denk maar aan Vraag 3 van de Catechismus : Waaruit kent gij uw ellende ? Uit de Wet Gods.
De vaderen hebben niet gezegd : „bij het kruis", maar „uit de Wet" is de kennis der zonde.
Dat is ook overeenkomstig de gang der openbaring en de weg, welke God genomen heeft met Israël.
Daarvan getuigt ook de apostel Paulus, als hij van de Wet handelt en verklaart: Uit de Wet is de kennis der zonde. (Vgl. Rom. 3 vers 20). Hij zegt niet : bij het kruis leert men zijn zonde kennen, maar uit de Wet. En elders noemt hij de Wet een opvoeder tot Christus.
Wat zou de zin zijn van het Oude Testament en van de leidingen Gods met Zijn volk Israël, indien de zonde eerst bij het kruis werd ontdekt ? Dan zou de apostel Paulus ons onjuist hebben geleerd, hoewel hij zich telkens beroept op de Heilige Geest.
De heiligen van het Oude Verbond zouden geen zonde gekend hebben en de profetische prediking ware ijdelheid, hoewel zij het volk roept tot de Wet en de getuigenis.
Denk eens aan de 51ste Psalm en zoveel andere boetepsalmen.
Het is ook niet zonder oorzaak, dat de apostel er op wijst, dat ook de heidenen, die de Wet niet hebben, nochtans het werk der Wet betonen in hun hart. Een andere zaak is het, te leren, dat uit de werken der Wet geen vlees gerechtvaardigd wordt. Maar waar geen Wet is, daar is geen overtreding. Het gaat over de overtreding en de kennis daarvan.
Bij het kruis, als men die uitdrukking wil gebruiken, wordt de kennis der zonde verdiept. Niet als zou de toorn Gods alleen op Golgotha geopenbaard worden, want ook dit leert de apostel Paulus anders, vgl. Rom. 1 vers 18.
Hoe menigvuldig spreken de profeten van de toorn Gods en van Zijn straffende hand. Het Formulier van het Heilig Avondmaal bepaalt er ons bij, dat de toorn Gods tegen de zonde zo groot is, dat Hij die, (eer Hij die ongestraft liet blijven) aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus, met de bittere en smadelijke dood des kruises gestraft heeft.
De kruisdood des Heeren onderricht ons van de ernst der zonde, en van de onuitsprekelijke genade Gods, gelijk het zoeven genoemde Formulier daarvan op zo schone wijze gewaagt.
Het kruis van onze Heere Jezus Christus staat in het centrum der Godsopenbaring, met name van het werk der verzoening, maar daarom is het nog niet juist alle werken Gods te localiseren bij het kruis.
Het kruis kan er niet zijn zonder de vleeswording des Woords, terwijl ook de andere heilsfeiten, opstanding, hemelvaart en uitstorting van de Heilige Geest, wel met het kruis saamhangen, maar daarin niet opgaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 september 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's