De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Heilige Schrift

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Heilige Schrift

10 minuten leestijd

De huidige theologische situatie wordt bepaald door verschillende controversen, die merendeels, indien niet geheel, worden bepaald door een fundamentele tegenstelling in de waardering van de Heilige Schrift. Wij noemen die tegenstelling fundamenteel, omdat zij enerzijds wordt bepaald door de reformatorische, inzonderheid de gereformeerde, confessie aangaande de Heilige Schrift, anderzijds door een critische instelling, welke met het confessionele standpunt ten enenmale gebroken heeft.

Het staat n.l. zó, dat de Nederlandse Geloofsbelijdenis (vgl. art. 3.— 7), de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments houdt voor heilig en canoniek, en wel in die zin, dat zij daaraan goddelijk gezag toekent, wijl zij de Heilige Schrift waardeert als Gods Woord.

Het lijdt onder ons geen twijfel, dat dit de juiste opvatting van de geloofsbelijdenis is, maar ook, dat hiermede het geloofsstandpunt is uitgedrukt, hetwelk aan de verschillende gereformeerde confessies ten grondslag ligt.

Wat het eerste aangaat, ook prof. J. N. Sevenster, hoewel hij het standpunt der confessie niet deelt, is van oordeel, dat dit inderdaad zo moet worden verstaan. Zij belijdt, dat de Bijbel Gods Woord is. (Vgl. De Ned. Geloofsbel. critisch beschouwd, v. Gorcum en Comp. Assen 1948 o.a. blz.9 en16 v.v.)

Wij zijn dan ook van oordeel, dat dit punt voor geen andere interpretatie vatbaar is en dat wij kunnen volstaan met dit alzo te constateren. Alleen uit deze belijdenis aangaande de Heilige Schrift is het verklaarbaar, dat de stelling van een letterlijke inspiratie in de theologie kon post vatten, die tot op heden een aanvalspunt biedt voor de critische reactie.

Op het stuk der inspiratie gaan wij thans niet in.

Het is echter van belang op te merken, dat de belijdenis : de Heilige Schrift is Gods Woord, tot op de huidige dag nog door de gereformeerde gezindheid in velerlei kerken en groepen, over de ganse aarde verspreid, welbewust en met innerlijke overtuiging in ere wordt gehouden als de grondslag des geloofs en van het kerkelijk leven en als het principium der theologie. De actie, welke met name in de laatste jaren van haar uitgaat, kan daarvan bewijs leveren. In de verschillende landen van Europa, in Amerika, in Zuid-Afrika en ook in het Verre Oosten, worden nog talrijke kerken gevonden, die in deze belijdenis één zijn.

De aanhangers en verdedigers van een moderne Schriftbeschouwing geven zich, naar ons voorkomt, al te weinig rekenschap niet alleen van het" zo even gememoreerde feit, maar dragen hun mening veeltijds voor, alsof het standpunt der belijdenis in het algemeen een overwonnen standpunt zou zijn, waaraan men verder weinig aandacht kan schenken.

De ontwikkeling van een critische Schriftstudie heeft er n.l. toe geleid, dat door vele theologen een scheiding wordt gemaakt tussen Gods Woord en de Heilige Schrift, althans dat deze twee van elkander worden gedistantieerd.

De Heilige Schrift zou slechts een feilbaar menselijk getuigenis zijn van een openbarings-geschieden, dat de profeten ten deel is gevallen. Ook de profeten waren feilbare mensen, die uit het bewustzijn van hun tijd hebben gesproken en dit bewustzijn was beperkt, ja, meer beperkt dan het onze. Uit zulk een beschouwing moet volgen, dat wij alzo geen als zodanig gezag hebbende woorden Gods, zij het dan ook in menselijke gestalte, zouden hebben.

Het ligt voor de hand, dat zulk een beschouwing voor het leven van het geloof en van de kerk hoogst bedenkelijke gevolgen moet hebben.

Uit dien hoofde, reeds mocht men genoopt worden tot ernstige bezinning op het standpunt der confessie. Het ligt toch voor de hand, dat ook aan de reformatoren de waarheid, welke in de critische argumenten mag schuilen, niet kan voorbijgegaan zijn. Zij zijn er zich zeer wel van bewust geweest, dat de Heilige mannen Gods, door de Heilige Geest gedreven, zondige mensen zijn geweest. Hun tekstcritische opmerkingen en commentaren geven er blijk van, dat moeilijkheden in de overgeleverde tekst hun niet zijn ontgaan, Nochtans zijn zij van de waarheid van Gods Woord zozeer doordrongen geweest, dat zij daarin geen aanleiding hebben genomen om aangaande de Heilige Schrift anders te geloven en te belijden als zij deden.

Zij dan dan ook niet uitgegaan van een openbarings begrip, maar van de werkelijkheid der openbaring, zoals zij die in het geloof omhelsden. Zij beluisterden in de Heilige Schrift het getuigenis van de Heilige Geest, gelijk dat ook in eigen hart en leven werd bevestigd. Dat is zó sterk, dat Calvijn afwisselend de uitdrukkingen bezigt: de Heilige Schrift getuigt en de Heilige Geest getuigt.

De theologen van de nieuwe Schriftbeschouwing gaan uit van een openbaringsbegrip, hetwelk wordt beheerst door het geheel-anders-zijn van God, hetwelk zo absoluut wordt gesteld, dat openbaring feitelijk wordt uitgesloten, omdat ook de Godsopenbaring, waarvan men dan toch spreken wil, ongrijpbaar is voor de mens.

Intussen kan het bij enig nadenken duidelijk zijn, dat de feilbaarheid van de profeten, waarop men wijst, niets te maken heeft met het Schriftgezag, om de eenvoudige reden, dat de mens als mens volgens deze leer geen orgaan van Gods openbaring kan zijn. De aangevoerde argumenten over de feilbare vormgeving en traditie zijn ook in het licht van dit openbaringsbegrip slechts schijn-argumenten.

Men stelt een openbaringsbegrip op grond van een Godsbegrip en redeneert daaruit.

De waarheid is dat noch dat Godsbegrip, noch dit openbaringsbegrip enige werkelijke waarde kan hebben, omdat alle begrip van God en van Gods scheppend en openbarend handelen op verbeelding berust en loutere illusie is.

Deze dingen liggen ten enenmale boven ons begrip.

Onze begrippen aangaande de aardse dingen hebben in het beste geval een graad van waarschijnlijkheid, terwijl zij aan de hemelse dingen niet raken.

Begrijpen kunnen wij eigenlijk alleen maar de dingen van onze eigen structuur, d.w.z. dingen, die wij zelf maken, en dat nog niet eens altijd en onder alle omstandigheden.

Niemand zal intussen ontkennen, dat God en het goddelijk handelen boven ons begrijpen liggen. Het zo even bedoelde openbaringsbegrip wil daarmede rekenen. Daarom wilde het ook het openbaringsgebeuren in de goddelijke sfeer houden en distantie zetten tussen Godsopenbaring en het menselijk getuigenis daaromtrent.

Dit schijnt logisch, maar wat weten wij van een openbaringsgeschiedenis, dat tot de mens niet doorkomt ? En wat zouden wij er van kunnen weten, als het tot de mens niet doorgekomen was ?

En, als het tot de mens doorkomt, zodat hij er van getuigen kan, wat rechtvaardigt dan de openbarende dood Gods af te snijden juist daar, waar deze aan de mens raakt ? Daarmede wordt ook geen enkele moeilijkheid overwonnen. Integendeel, want de openbarende daad Gods in de profeet blijft even onbegrijpelijk zowel voor de profeet als voor ons. Zij blijft een goddelijk doen, dat ons begrip te boven gaat.

De feilbaarheid van de mens en zijn creatuurlijkheid doen van de onfeilbaarheid van Gods doen niets af.

Indien dat zo ware, zou de zonde der wereld een hinderpaal voor God zijn om Zijn schepping tot haar bestemming te brengen.

Zo waarlijk God Zijn raad vervult aan een gevallen wereld, zo waarlijk zal Hij ook Zijn openbarend handelen voltrekken aan de zondige mens en deze in Zijn dienst stellen.

De feilen, welke men in de Heilige Schrift, welke ons is overgeleverd, meent te ontdekken, kunnen daarom nog geen maatstaf zijn om haar haar goddelijk en onfeilbaar gezag te ontzeggen. Dat ware Gods handelen afmeten naar de idee ener menselijke volmaaktheid, terwijl wij het handelen Gods niet doorgronden.

Ook het argument, dat de profeten hebben gesproken naar het bewustzijn van hun tijd, en dat dit meer beperkt is geweest dan het onze, kan geen hout snijden, omdat het hemelse en aardse dingen dooreenmengt.

Het gewijzigde wereldbeeld en de vorderingen der moderne wetenschappen worden daarbij gewoonlijk naar voren gebracht, doch het gaat niet om de menselijke denkbeelden aangaande de ondermaanse dingen, — het gaat over de kennis der hemelse dingen en over het goddelijk licht, dat over ons aardse leven opgaat uit de openbaring.

Kunnen alzo de aangevoerde argumenten het standpunt der confessie niet omverwerpen, ook vanuit de meer positieve instelling van het critische standpunt op| de Heilige Schrift is er aanleiding om te vragen, waarom men zich niet ernstiger bezint op de confessie.

Ontkend kan niet, dat de Heilige Schrift ondanks alles, wat men tegen haar aanvoert, werkt als orgaan van openbaring. Ook de critiek ontkent dit niet. Het feit is eenmaal zo.

Wat men theologiseert en waarover men theologiseert, het heeft alles zijn eigenlijke bron en oorsprong in de Heilige Schrift, en voor zover het met recht theologie mag heten, is het aan deze regel des geloofs direct of indirect ontleend.

Theologie, zij moge orthodox of vrijzinnig wezen, zij is er, omdat er een kerk is, die uit de Heilige Schrift leeft. Wat zou de vrijzinnigheid kunnen voortbrengen zonder de geloofsbezinning der kerk ?

Zo kon ook de verhouding van openbaring en de Heilige Schrift een onderwerp van discussie worden wegens de diepgaande betekenis, welke zij als orgaan van openbaring in de geschiedenis heeft. En mogen ook zij, die de confessie niet volgen, en een distantie stellen tussen Gods Woord en de Schrift, haar slechts als een menselijk getuigenis waarderen, hetwelk bovendien als feilbaar wordt aangemerkt, voor zover zij zich met de goddelijke dingen bezig houden, zijn zij op dat getuigenis aangewezen.

Dat getuigenis zowel als het geloofsleven stellen intussen toch enige relatie tussen de Godsopenbaring en de mens en zelfs een levensbetrekking tussen de mens en God. Men ontkomt er niet aan, deze op enige wijze te verklaren. Zo neemt Karl Barth aan, dat het profetisch getuigenis onder bepaalde omstandigheden voor een mens Gods Woord kan worden.

Dit schijnt het standpunt der confessie te naderen. Immers ook zo staat de feilbaarheid van het menselijk getuigenis God niet in de weg zich daarvan te bedienen. Het is n.l. merkwaardig, dat God zich ook in deze onderstelling van dat getuigenis bedient en zich daaraan wil binden. Het menselijk getuigenis omtrent een openbarings-geschieden kan, als het Gode behaagt, goddelijk getuigenis worden.

In deze voorstelling is dus een momentane-vereenzelviging van openbaring en menselijk woord. En hoewel om dit geschieden de Heilige Schrift als Gods Woord wordt gewaardeerd, mag dat alleen betrokken worden op die levende openbaringsmomenten en niet op het getuigenis, zoals het daar ligt. Daarin treedt dus een hemelsbreed verschil aan de dag met de belijdenis. Deze leert, dat wij in de Heilige Schrift Gods getuigenis hebben, terwijl de Barthiaanse leer zich juist daartegen verzet.

Enerzijds wordt het menselijk getuigenis in het openbarend handelen Gods ingesloten, anderzijds staat het er buiten. Het is intussen duidelijk, dat de belijdenis de Heilige Schrift niet maar bij het openbarend handelen Gods betrekt, doch deze in het openbarend handelen ziet opgenomen, zodat de Heilige Schrift als Gods Woord wordt beleden.

Veel verder nóg van de confessie af staat het standpunt, door vele vrijzinnigen aangehangen, waarbij het karakter van openbaring ganselijk verloren gaat, omdat men redeneert vanuit de gedachte ener natuurlijke theologie. Op dit standpunt kan men, consequent genomen, het profetisch getuigenis slechts waarderen als een vrucht van menselijk inzicht omtrent de goddelijke dingen, hetwelk dan door tijd en omstandigheid mede zou bepaald zijn.

De distantie tussen openbaring en getuigenis is dan tegelijk opgeheven en tot een ontwikkeling van het religieus bewustzijn gemaakt. Het ligt voor de hand, dat zulk een standpunt met de confessie geen weg weet, tenzij men haar als een geheel eigenaardige vormgeving van het religieus bewustzijn in een zekere periode tracht te interpreteren in overeenstemming met zijn subjectieve gevoelens.

Zo ontdekt men „religieuse motieven" in de formulering der belijdenis, welke men kan waarderen, al kan men zich in de formulering niet vinden. (Vgl. boven aangehaald werk : De Leer van de Heilige Geest, blz. 83 V.V.).

Het behoeft nauwelijks opgemerkt, dat men met dergelijke beschouwingen naar het terrein der godsdienstwijsbegeerte wordt verwezen. Van het volstrekt normatief gezag der Heilige Schrift kan in deze sfeer geen sprake zijn, aangezien de religieuse mens tot maatstaf wordt gemaakt.

Intussen moge gebleken zijn, dat de discussie over deze dingen nog niet ten einde is en dat het standpunt der belijdenis slechts een overwonnen standpunt kan zijn in de ogen van haar bestrijders.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Heilige Schrift

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's