De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Een goede raad

8 minuten leestijd

Openbaring 3 vers 18. Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden ; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde, en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.

Als iemand ons een goede raad meent te geven, dan is het niet van belang ontbloot te weten wie het is, die tot ons spreekt.

Wie is het nu, die raadt om toch goud te kopen, dat beproefd is en komt uit 't vuur ?

Zoals gij weet, is het woord, dat wij hierboven afdrukken, ontleend aan één van de brieven, die Johannes, verbannen om het Woord Gods en om het getuigenis van de Heere Jezus Christus moest schrijven, op last van zijn opgestane Heere, aan de zeven gemeenten, die in Klein-Azië zijn.

En hoe dient de Heere zichzelf nu aan bij het begin van deze brief ? Hoe noemt Hij zichzelf ?

Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods.

Kostelijke benamingen. We vinden in de Heilige Schrift vele namen van de Heere Jezus. Hoe zou ook in één naam Zijn volle heerlijkheid kunnen worden uitgeput! Zijn naam, zo roemt de Bruid in het Hooglied, is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben de maagden U lief! 

Hier noemt de Heere zichzelf de Amen, dat wil dus zeggen : de Waarachtige. Bij Hem is niet de minste gemeenschap met de leugen. Hij is de Waarheid zelve.

Hoevele woorden worden onder de mensen gesproken, die geen waarheid bevatten ; velen nemen het met de waarheid zo nauw niet. Geen wonder, dat David daarom ergens zegt: ik zeide in mijn haasten : alle mensen zijn leugenaars. 

Maar op de woorden van de Heere Christus kunt gij aan ; die zijn alle getrouw ; die zijn alle ja en amen.

Christus is de waarheid zelve ; Hij is ook uit de waarheid. Daarom noemt Hij zichzelf ook: de trouwe en waarachtige Getuige. Wat Hij bij de Vader gezien heeft; wat Hij van de Vader gehoord heeft, dat verkondigt Hij ons. Enerzijds kan ons dat benauwen. Weest gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is. Anderzijds kan ons dat ook buitengewoon vertroosten. Hij maakt ons de weergaloze liefde en peilloze ontferming des Vaders bekend. Zó lief heeft God de wereld gehad ! Groot van Raad is Hij, maar ook machtig van daad.

Op dit laatste wijst ons vooral de derde naam, Christus is de Amen ; de trouwe en waarachtige Getuige ; maar ook het Begin der Schepping Gods. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat de Heere Christus een schepsel, het eerste schepsel zou zijn. Dat spreekt eigenlijk wel vanzelf. De kanttekening in onze Statenbijbel zegt: Hij is de auteur en oorsprong der schepping van alle dingen.

En onwillekeurig denken wij aan het begin van 't Johannes Evangelie: „In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God ; alle dingen zijn door hetzelve gemaakt en zonder hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is". Wat zou voor Hem onmogelijk zijn ? Hij spreekt en het is er ; Hij gebiedt, en het staat er. Hij is de waarachtige God en het eeuwige leven.

Hij is het dus, die als 't ware vóór de mens gaat staan, en zegt : Ik raad u, dat gij u door Mij waarlijk rijk en gelukkig laat maken. 

Ik raad u ! Nu willen we nader gaan bepalen tot wie de Heere zich eigenlijk richt.

In de eerste plaats is Zijn woord feitelijk gericht tot de gemeente van Laodicea. Het is geen aangename tekening, die ons van haar wordt gegeven. Koud voor de zaken van Gods Koninkrijk was zij niet; maar toch was er ook geen warmte voor de dienst des Heeren ; onverschilligheid was verre van haar, maar evenmin werd er hartelijke liefde voor de Heere bij haar gevonden. Zij meende in zichzelf rijk en verrijkt te zijn en geens dings gebrek te hebben. In de grond der zaak was zij dus in zulk een toestand, dat de Heere niet met haar te doen kon hebben. Zo dan, omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet. Ik zal u uit Mijn mond spuwen.

Welk een wonder van genade, dat de Heere deze gemeente nu nog niet verlaat, maar dat Hij met zijn raad tot haar bestwil tot haar komt. Welk een wonder van genade, dat de Heere ook verder op hen ziet, wier hart niet in liefde voor Hem brandt, en dat Hij hen wijst op het éne nodige, zullen zij waarlijk rijk en gelukkig zijn. Ik raad u — zo zegt de Heere tot hen — dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden.

De Heere dwingt dus niet, maar Hij dringt ; Hij raadt. Hij raadt, om van Hem te kopen. Dit kopen ziet op ruil. De mens moet het zijne dus afstaan, en in ruil daarvoor ontvangt hij iets van de Heere terug. Wat wij dan moeten prijs-geven ? Onze waan-wijsheid; onze eigen-gerechtigheid ; onze schijn-vroomheid. En wat de Heere daarvoor in de plaats geeft ? Datgene, wat onze ziel waarlijk vervullen kan. Ik raad u, dat gij van Mij koopt goud.

Zoals gij weet, is het juist het goud, dat de mens rijk maakt in deze wereld. Het goud, dat de mens geestelijk rijk maakt is het bezit van de Heere zelf. God-zelf is het allerhoogste en eeuwig goed. Onze armoede bestaat hierin, dat wij God kwijt zijn. In God alleen ligt ons heil en onze eer. Met andere woorden : de Heere wil dus zichzelf terugschenken. Wij geven ons ledige en boze hart, en de Heere geeft zichzelf met al Zijn schatten en gaven.

Dat goud is beproefd en komt uit het vuur. Hoevelen, ook uit het verre verleden, die van hun rijkdom in God mochten roemen ! Wie heb ik nevens U in de hemel ? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!

Nu zal er evenwel een vraag opkomen, hier of daar, in het hart. Hoe zullen twee tezamen gaan, indien zij niet eerst samen gekomen zijn ? Hoe kan er gemeenschap zijn tussen de hoge en heilige God en ons, mensen, die het ons waardig gemaakt hebben, dat de Heere ons voor eeuwig verstoten zou ? Is de Heere dan niet een verterend vuur en een eeuwige gloed, bij Wie geen zondaar wonen kan ? Luister naar hetgeen er in onze tekst volgt. Ik raad u, dat gij van Mij koopt witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde. Welnu, die witte klederen zien op de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus. Onze gerechtigheden zijn voor de Heere als een wegwerpelijk kleed. Maar het kleed der gerechtigheid van de Zaligmaker bedekt de zondaar volkomen voor God ; stelt hem voor God, alsof hij nooit zonde had gekend of gedaan.

Gelukkig de mens, die ook hierin het zijne schade en ijdelheid leerde achten, om te gewinnen hetgeen van Christus Jezus is. Wij dan, gerechtvaardigd zijnde door het geloof, hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus. Gewis, dit is iets groots ; maar met minder kunt gij ook niet toe. Daarom die welgemeende raad van de Heiland : Ik raad u, dat gij van Mij koopt witte klederen. Lezer, hoe zult gij straks verschijnen voor God ? Indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal dan de goddeloze en zondaar verschijnen ?

Het zou kunnen zijn, dat deze of gene nu zegt: maar, hoe kom ik daar nu ? Hoe zal ik mijn zonde voor God recht leren betreuren ? Lees ik niet ergens in de Schrift, dat niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door de Heilige Geest ?

Inderdaad, wat uit het vlees is, dat is vlees, en dat kan de Heere niet behagen. Wat de mens nodig is ? Het werk van de Heilige Geest, die alleen leidt in alle waarheid.

Dit is dan ook het derde, waarop onze tekst wijst. En zalf uw ogen met ogenzalf, opdat gij zien moogt.

Zonder de ogenzalf des Geestes kunnen wij onze zonde niet kennen als zonde voor God. De droefheid der wereld toch werkt de dood, maar de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. Zonder de ogenzalf des Geestes kunnen wij ook de Zaligmaker niet zaligmakend kennen. Die Geest toch alleen doet Hem ons kennen in Zijn noodzakelijkheid, en dierbaarheid en genoegzaamheid.

Waar alzo de onmisbaarheid van de Heilige Geest wordt gekend, daar zal gevraagd, gebeden, gesmeekt worden om die Geest, die ons ware wijsheid leert en die ook met onze geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. Dan geen onverschilligheid, dan geen lauwheid meer! Maar een in liefde zich laten verzinken in de Drieënige, uit Wien en door Wien en tot Wien alle dingen zijn.

(Leiden)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 september 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's