De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

IK BEN DE DEUR

6 minuten leestijd

Ik ben de Deur, indien iemand door Mij ingaat, hij zal behouden woeden. Joh. 10 vers 9a en b.

De Heilige Schrift, geachte lezer, is vol van de heerlijkste beeldspraak om te getuigen van de onnaspeurlijke rijkdom van Gods genade. Nu eens is het onder het beeld van een landman, die uitgaat, het zaad strooiend in de akker dezer wereld ; dan weer onder het beeld van een schat, verborgen in de aarde.

In bovenstaande woorden (men leze even het verband) wordt ons het wondere van Gods vrijmacht, hoe Hij nog gemeenschap wil hebben met een zondig geslacht, getekend onder een van de lieflijkste beelden, ontleend aan het Oosterse leven, en wel onder dat van een herder en zijn schapen.

,,Ik ben de Deur, indien iemand door Mij ingaat, hij zal behouden worden".

Droevig is de waarheid, ja, ze moet ons stemmen tot verootmoediging, dat het van 's mensen zijde ten enenmale onmogelijk is om de klove, die er ligt tussen het schepsel en God, te overbruggen.

Integendeel. Geschapen tot goede werken in ware kennis, gerechtigheid en heiligheid, is de mens geheel van God vervreemd. Wij zijn Hem hatende en elkander hatende. Wie is er die goed doet ? Er is er niet tot één toe ! Zelfs onze beste werken zijn nog met zonde bevlekt!

Hoe ijdel is daarom al het menselijk streven, om nog een weg van de aarde naar de hemel te banen. Hoe ijdel alle godsdienst, zo men niet gesteld wordt voor de vierschaar Gods, om eigen verlorenheid te erkennen !

Het voorrecht moge groot zijn, zó wij opgevoed zijn in een omgeving, waar met God en Zijn Woord werd gerekend, doch hoe noodzakelijk is het, om ons hart te doorzoeken, opdat wij ons niet iets toeëigenen, hetwelk in wezen de ervaring van een, ander is.

Het is immers zo gemakkelijk om te zingen : Zalig, zalig niets te wezen, in ons eigen oog voor God !

Daarom, geachte lezen, is daar reeds bij u een hartelijke instemming met de belijdenis van de apostel : „Ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont "? Wil de Christus een plaats hebben in ons hart, wil Hij ons dierbaar worden tot zaligheid, dan zullen wij toch ook begeerte moeten hebben om door Hem gezaligd te worden, om door Hem eenmaal, in te gaan tot eeuwige behoudenis.

„Ik ben de Deur" — zo zegt de Heere. Ik, Ik alleen. Wat wil dit anders zeggen, dan dat al wie van elders binnenklimt, een dief en een moordenaar is ? En toch, wie zal ze tellen, die van elders zoeken binnen te klimmen ? Hoevelen, ook onder degenen die opgevoed zijn bij het Woord der Waarheid, worden openbaar als nog te behoren tot het geslacht van de rijke jongeling, die getuigde al Gods geboden van der jeugd aan te hebben onderhouden.

Het is waar, een mens kan een hele verandering ondergaan. Vele, zeer vele zonden kunnen bestreden worden. De aanklagende stem van het geweten kan door deugdzaamheid en door een braaf leven het zwijgen worden opgelegd. Dit alles is te prijzen voor dit leven. Maar, zo wij daarvan een grond tot zaligheid maken, openen wij ons dan zelf niet een deur, om éénmaal in te gaan ?

Ja, tot allen die steunen b.v. op hun zoeken naar God, op een zich zelf gemaakt geloof, op een gebed, op énige ervaring of bevinding, zegt de Heere : Al wie van elders binnenklimt, is een dief en een moordenaar.

,,Ik ben de Deur !"

Maar — zo vraagt gij - hoe zal ik ooit zover komen, dat er ook in mijn hart plaats is voor die grote Borg en Middelaar ? Wel, dan zult gij uw hart hebben te doorzoeken, om het te toetsen aan al Gods geboden. Voor het uitwendige mag men dan minder zonden doen, maar wie zal zijn hart kunnen veranderen ? Zo min de Moorman zijn huid kan veranderen, zo min de luipaard zijn vlekken, zo min zal een vloek- en doemwaardig schepsel zich Gode welaangenaam kunnen maken. Daartoe is nodig genade. Nochthans komt de Heere tot een ieder met de eis, dat hij zich bekere ten leven.

Hebt gij het al eens geprobeerd u te bekeren, geachte lezers ? Hebt ge de strijd al eens aangebonden tegen de zonde in uw hart en in uw wandel ? Zoudt gij die éne zonde, die gij tot dusver aan de hand houdt, overwinnen ? Velen hebben in hun leven gezocht om de ladder der heiligheid te beklimmen ; een eind konden ze het brengen, ja, bijna tot aan de bovenste sport, maar ze hebben niet gekund. Bij het licht van Gods ontdekkende genade kwam er een inkeer, tot zichzelf, men leerde de zonde kennen, als zonde, en God als God, zó heilig, dat men door Zijn Wet schuldig gesteld wordt, zelfs in de minste overtreding.

Ja, de minste overtreding, die tot dusver niet geacht werd, ze wordt bij Geesteslicht een grote zonde, zó groot zelfs, dat daardoor alle hoop op de eeuwigheid wordt ontnomen. Hoe dikwijls moet ook de Kerke Christi klagen over duisternis op de weg ten leven. Hoe zou dat komen ? Zou dit liggen aan de Heere ? Mij dunkt, zo ook een kind van God kiest voor de duisternis, door toe te geven aan zijn altoos boze hart, hoe zal hij wandelen in het licht ? Het zal niet kunnen !

Zo is er altijd weer oorzaak tot droefheid, maar de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. Daarentegen, de droefheid der wereld werkt de dood. Voor de wereld heeft God de Heere geen belofte, dan alleen van eeuwig te verzinken in de plaats der buitenste duisternis, waar wening is en knersing der tanden.

Doch genade, o moegestredenen, ga tot Hem, in Wien is een geopende deur. Zo gij door Hem ingaat, zo zult gij behouden worden. Hij immers heeft Zijn leven gesteld voor de schapen, omdat Hij ze heeft liefgehad met een eeuwige liefde. Als de Gezegende Hogepriester heeft Hij het offer gebracht in Zijn dierbaar bloed. De sleutelen der hel en des doods zijn Zijne. Daarom behoeven allen, dié in Hem hun grond des behouds gevonden hebben, niet te vrezen. Als de Grote Voorbidder zal Hij piet eerder rusten totdat allen, die de Vader Hem gegeven heeft, delen in die heerlijkheid, welke geen oog heeft gezien en in geen mensen hart ooit is opgeklommen.

Laat u dan nog vinden. Al wie door Hem ingaat, die zal behouden worden.

(Polsbroek)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 september 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's