De Puritein van de Hertenpolder
FEUILLETON
18)
Weliswaar speelt helaas het geld, het kapitaal, in de wereld een te grote rol. Er wordt in de wereld teveel door enkelen geregeerd. Ik heb geen oplossing kunnen vinden op het ondermaanse, qm de ellende weg te krijgen, die er altoos in de eeuwen en ook nu geleden wordt. Meermalen trad ik zelf handtastelijk op, waar ik het onrecht zag geschieden, maar de oplossing vond ik niet. 't Blijft een beroerde en verkeerde wereld, omdat 't gedichtsel van 's mensen hart ten allen dage alleenlijk boos is, naar luid van de Schriften.
Ik weet niet, of jij dat ook gelooft ? Wij kunnen de wereld niet genezen, Veldstroo ! Wij kunnen werken en doen, wat onze hand vindt om te doen, maar de mensheid voeren op de weg van vrede en geluk is ons te machtig, 't Is als het wroeten met onze handen aan de voet van een reusachtige berg. Evenwel, 't is niet onbelangrijk, hoe ieder mens afzonderlijk leeft. Christus heeft van de Zijnen gezegd : Gij zijt een stad op een berg. En die kan niet verborgen blijven, maar wordt van elk gezien.
En dan komt daarbij, het weten is er, hoe het moet ! Hoor eens naar een ruig mens, die hard is als staal, hoe hij u weet te vertellen, hoe een Christen leven moet en zich behoort te gedragen.
Doch de nieuwe gezindheid, waarin Gods gebod het hoogste vermaak is, kunnen wij niet scheppen en die nieuwe gezindheid kunnen wij niet maken.
En heb je er wel eens op gelet, Veldstroo, dat er altijd wrijving zal zijn, want God sprak eens tot het gevallen mensenpaar : „Ik zal vijandschap zetten tussen het zaad, dat gij voortbrengen zult". Het en» zaad zal God dienen als Schepper en Herschepper, en het andere zaad zal de boze aanhangen.
Daarom zal er de strijd blijven en zullen de ongerechtige dingen steeds weer de overhand krijgen en zal er onvrede en ellende zijn. Dat is de werkelijkheid ! Hoeveel vrede er ook moge zijn nog, zo ogenschijnlijk. Daar is méér smart, dan wij weten, ook in de huizen der rijken.
Eén ding weet ik ook; wat er zo eenvoudig geschreven staat: De hand des vlijtigen zal gezegend worden. En, in het onderhouden der geboden ligt grote loon.
Met bizondere aandacht werd er naar de Jonker geluisterd. Inzonderheid Janus was zeer geïnteresseerd. Het. valt hem op, welk een origineel iemand, welk een charmante persoonlijkheid deze man is. Uiterst eenvoudig, maar van grote ontwikkeling.
— Jao, meneer, ut wèreldraodsel is nooit op te losen door de wereldse wetenschap. Mer hoe meer een volk gedrenkt wordt uut de waorheid der Schrift en opgebrocht wor bie Gods Woord, hoe meer licht ur valt over de levensvraogen. Went 't is waor wat Da Costa dichtte : Wat ofvalt van de hoge God, mot valle . . . . .
— Dat kunnen we duidelijk zien in het wereldbeeld der volken, en ook in de persoonlijke levens. Zie slechts naar de grote vlucht van de techniek. Om straks te dieper er mee naar beneden te tuimelen, juist door die ongekende hoogte, die ze nam. De uitvindingen zelf kunnen de welvaart vermeerderen. Ook de vooruitgang der techniek is een gave Gods, maar als de mens der zonde triumpheert, dan is de uitkomst diep beschamend voor ons allen. De wereld is vol vreemde tegenstrijdigheden.
Janus heeft er niets aan toe te voegen. Hij kan enkel toestemmen, wat de Jonker heeft gesproken.
Na een korte stilte begint Jonker van Hoogevorsel over het eigenlijke doel van zijn komst.
Je hebt me geschreven, Veldstroo, over die vijf bunder land. Dat is gauw gemaakt. Ik heb even rond gekeken en jij kunt bet huren. Ik vertrouw, dat het in betere handen is, dan nu. In het najaar loopt de huur af voor Gieson. Hij is al bij mij geweest, om het weer opnieuw in te huren. Ik heb het in beraad gehouden, totdat ik een nieuwe huurder zou vinden. Die heb ik nou, dus dat is klaar.
Met 1 November wordt 't bij jouw hoeve gevoegd. Je krijgt het 10 gulden per hectare minder als Gieson. Dat wordt tachtig gulden per bunder ; dus vier honderd gulden per jaar.
— Ik dank u, meneer, veur uw welwillendheid. Ik hoop, dat u d'r gien spiet van hen zul, dat u 't an mien vurhuurd het. Dan staat Jonker van Hoogevorsel op van zijn stoel, draait z'n gouden horloge op, reikt zijn mensen de hand en vertrekt.
Komen en gaan.
Aldert van Janna heeft gehoord dat Janus huurder is geworden van het land van de Jonker en hij is erg blij geweest met deze uitslag. Hij is ook niet onverdienstelijk geweest om deze gang van zaken te bevorderen, dat weet hij.
Toen de jonge dominee Kovret, van Schortelveld, in Ringelberge preekte, is Aldert met Janus en Mia meegelopen. En hij heeft ze heel naïef gefeliciteerd.
Janus heeft geglimlacht, want hij kent de gedachtengang van Aldert zo'n beetje. Toen heeft hij de preek van de jonge dominee besproken. Hij is vol verwondering geweest, dat het God behaagd heeft zulk een dienaar aan de Kerk te willen toevoegen. Hij heeft dat wel anders meegemaakt!
— Het is een Calvijn in de dop ; maar Calvijn zal wel een eenling blijven, die wel is na te volgen, maar nooit te evenaren heeft hij opgemerkt.
Dominee Kovret heeft naast een schoon talent van uitdragen, een zeldzaam rijke uitbeelding der Schrift met een bizondere diepgang, en blijft nochtans ver van enige ziekelijke neiging tot doorvloeien.
En wat het wondere was, een kind kon de prediking volgen.
Janus is er mede bezig geweest tot de dam van „Amazone".
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 september 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's