Liturgie en Leer
Op drie punten heeft dr. Lekkerkerker in het door ons aangekondigde referaat, dat bij Veenman en Zonen verscheen (zie elders in dit nummer) de aandacht gevestigd :
1. het Dienstboek der kerk met de Orden van Dienst en de Formulieren,
2. de theologische discussie over de Orden van Dienst en de inhoud van het sacrament,
3. de bouw en de restauratie van nieuwe en oude kerken.
Het onder punt 2 gestelde : de theologische discussie, ten opzichte waarvan dr. Lekkerkerker terecht van conflict spreekt, moge ons opschrift rechtvaardigen : Leer en liturgie. Deze nevenstelling bedoelt toch te wijzen op het feit, dat er verband is tussen leer en liturgie.
Dat verband is er en moge het al zo zijn, dat de gereformeerde belijder zich daarvan niet altijd theologisch rekenschap kan geven, het gevoelen, dat de liturgische ,,nieuwigheden" (hoewel zij zo nieuw niet zijn), waarvan men hoort, saamhangen met opvattingen van de leer, waarin hij zich niet kan vinden, doet hem afwijzend staan en stelt hem zelfs bloot aan het verwijt van een star conservatisme.
Voor zulk een verwijt moge in het oog van velen, die op hun wijze streven naar een vernieuwing van het kerkelijk leven, een nieuw belijden en een nieuwe liturgie, aanleiding zijn, er is een conservatisme (vergun mij het lelijke isme) hetwelk der gemeente is opgelegd : n.l. dat zij Zijn Woord en Zijn geboden zal bewaren. (Joh. 8 ; 14 ; 17 passim). Zij heeft te strijden voor het geloof, dat de heiligen is overgeleverd. (Judas ; 3). Reformatie kan dan ook slechts grond hebben in het niet bewaren en daardoor afglijden in vormen en inzettingen, die der mensen zijn.
Mogelijk zal iemand tegenwerpen, dat dit bewaren toch heel wat anders is dan de vasthoudendheid aan traditionele gebruiken en grondstellingen, welke men met conservatisme pleegt te betitelen in tegenstelling met een vooruitstrevende geest, die aanpassing zoekt aan gewijzigde omstandigheden.
Dat mag zo zijn. Wij nemen het niet op voor een conservatisme, dat zou weigeren een kerk te verwarmen, omdat de vaderen dit ook niet hebben gedaan.
Indien de vaderen over de middelen hadden kunnen beschikken, zouden zij het ook hebben gedaan. Maar zij zouden de liturgische „probeersels", zoals zij genoemd zijn, — het kan met zekerheid worden aangenomen — niet hebben aanvaard.
In het ,,conservatisme" van de gereformeerde belijder is iets bewaard, hetwelk ook het gedrag van de vaderen in liturgische aangelegenheden richtte. Dat is de levende kracht, welke achter de traditie schuilt, en die hun geloofsvisie op de Dienst des Woords en de vorm van de samenkomst der gemeente bepaalde. Deze kracht wordt miskend door degenen, die van een crisis van de reformatie gewagen, omdat zij in conflict komen met het geloof der reformatoren.
Liturgie is heilige dienst en de belijdenis der vaderen geeft er een klaar beeld van, hoe zij deze heilige dienst in het licht der Heilige Schrift zagen. Wie dan ook meent, dat de reformatorische vaderen, met name de gereformeerde vaderen, zich om de liturgie weinig bekommerd hebben, vergist zich. Zij hebben een klaar inzicht gehad in het geestelijk karakter van die dienst en om dat te bewaren, hebben zij ook de vorm dienovereenkomstig bepaald.
Wie de geschiedenis der reformatoren bestudeert, kan ontdekken, dat zij vanuit de worsteling des geloofs werden uitgedreven naar de Heilige Schrift, om in de levende kracht van Gods Woord de vrede te vinden, welke zij in de kerkelijke liturgie vergeefs hadden gezocht.
Derhalve werden zij vanuit deze ontdekking van de weg des vredes en van de zaligheid Gods in de Christus der Schriften in de strijd gewikkeld tegen de kerkelijke liturgie van hun tijd. In die liturgie ontdekten zij een neerslag en uitvloeisel van leringen, die met hun geloof, hetwelk zij in de Heilige Schrift vonden, — en derhalve met de goddelijke leer — in onverzoenlijk conflict stonden.
De ganse opvatting van de dienst, welke God van ons vordert, was een geheel andere dan die, welke zij in de kerk geleerd hadden. Dientengevolge moest ook hun liturgie een geheel andere worden.
Indien iemand zou menen, dat de reformatoren zich weinig om de liturgie zouden hebben bekommerd, dan wel zou vragen, of zij misschien ook wel iets aan de liturgische verzorging van de dienst hébben gedaan, dan zou hij bewijzen geen schijn van inzicht te hebben in wat de reformatie heeft bewogen en wat zij betekent.
Het is niettemin geenszins overbodig, dat dr. Lekkerkerker er nog eens op wijst, dat ,,de vaderen juist op het gebied van de liturgiek veel hebben gedaan, (blz. 8).
Volkomen terecht is hij van mening, dat we in de lijn zullen moeten blijven van de gereformeerde liturgiek der 16de eeuw. (blz. 3.
Of dat zal geschieden ?
Wie op de liturgische spraakverwarring van onze tijd let, kan daarop niet zo gerust zijn. Er is gesproken van „wilde probeersels" en „dilettantisme". Inderdaad, volkomen juist. Dr. Lekkerkerker is van oordeel, dat dit stadium maar eens moet beëindigd worden, (blz. 12).
Zeer begrijpelijk en hoogst wenselijk. Hij zegt op blz. 8 : Het „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen" betekent toch ook o.a., dat wij inzake het komende dienstboek iets van deze gemeenschap hebben te realiseren".
Wij zouden ons met dat „iets" mogelijk wat afgescheept kunnen gevoelen en achten een dienstboek, dat plaats biedt voor „Putten en de Duinoordkerk", zoals hij het uitdrukt (blz. 10), een gereglementeerde acte van tolerantie, welke door sommigen wellicht alleszins „verantwoord" wordt geacht — , zo luidt immers de term — in verband met de huidige staat van het kerkelijk leven, doch welke een merkwaardig commentaar zou bieden op de formule : in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift op de bodem der belijdenis en naar de grondslag der belijdenis allerminst verantwoord.
Theologisch beschouwd, zou 't een merkwaardig mengelmoes te aanschouwen geven. Niemand toch zal kunnen ontkennen, dat aan 4e liturgische spraakverwarring een veelheid van opvattingen en leringen moet beantwoorden, welke op een theologische verwarring wijst. Indien men — en zulks niet ten onrechte — spreekt van „wilde probeersels" en dilettantisme in de liturgie, hoe moet het dan met de leer gesteld zijn ? En indien de controversen van die aard zijn, dat men van conflict gewaagt, kan dat slechts bewijzen, dat de enigheid des geloofs en de gemeenschap met de belijdenis der vaderen bij velen zoek zijn.
Op één punt treedt dat zeer kennelijk aan het licht, n.l. in die liturgische voorstellen, welke hun aanleiding vinden in een sacramentsleer, die door de reformatoren met kracht zou worden afgewezen als volmaakt in strijd met het geestelijk karakter van de dienst des Heeren.
Het kan aan geen twijfel onderhevig zijn, dat dergelijke leringen mede verklaring vinden in de theologische experimenten, die zich trachten te verenigen met een critische Schriftbeschouwing. De resultaten van de moderne Schriftcritiek schijnen voor velen een beletsel om het goddelijk gezag der Heilige Schrift te erkennen, t.w. te erkennen, zoals de vaderen zulks, gelijk zij beleden hebben, op grond van het getuigenis des Heiligen Geestes deden.
Dit heeft tengevolge, dat zij het fundament van de reformatorische Schrifttheologie missen, en aan de Heilige Schrift als het Woord van God die centrale plaats in het midden der gemeente niet toekennen, welke aan haar krachtens het geloof der vaderen toekwam.
De tegenwoordigheid van de Christus in het midden der gemeente door Zijn Woord en Geest, in de bediening des Woords en der sacramenten, wordt door de reformatie rein geestelijk verstaan. Als een daadwerkelijkheid echter, waaraan geen twijfel is, omdat Christus gezegd heeft : Waar twee of drie vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden. (Matth. 18 vs. 20).
Het is immers Christus zelf, die zich een gemeente ten eeuwigen leven vergadert. Het betreft een werk van de drieënige God. De Christus zegt : Niemand komt tot Mij, tenzij de Vader hem trekke, en die tot Mij komt. Ik zal hem geenszins uitwerpen, want Ik wil, dat. waar Ik ben, ook degenen zijn, die Mij de Vader gegeven heeft. Voorts betuigt Hij, dat de Geest het uit het Zijne nemen zal. Die Geest ook zal ze leiden en indachtig maken alles wat Christus gezegd heeft. {Vgl. Joh. 6 vs. 44 ; 6 vs. 37 ; 17 vs. 24; 16 vs. 13 e.a.)
Woord en Geest gaan alzo tezamen in de leiding Gods, de Vader is het, die trekt door Zijn Woord en Geest, en de Zoon is het, die vergadert zovelen als er naar het voornemen Gods geordineerd zijn. (Efeze 1).
Zo is de samenkomst der gemeente een heilige dienst of liturgie, waarin de openbare kerkelijke handelingen der mensen uit geloof tot geloof worden dienstbaar gemaakt aan het verborgen werk Gods : wij zullen woning bij hem maken. (Joh. 14 vs. 23).
Nergens zet het Nieuwe Testament het gebruik van het sacrament vóór de prediking des Woords. Integendeel, het is altijd de prediking des Woords, die op de voorgrond wordt gezet.
Het is dan ook volkomen in strijd met de Schrift, de tegenwoordigheid van Christus of van de heilsfeiten in het sacrament te willen plaatsen.
,,Wie zulke dingen leren, bewijzen daarin reeds, dat zij het klaar en duidelijk getuigenis der Schriften niet achten. De kansel moet wijken voor de tafel, inmiddels geworden tot een altaar, en ofschoon het heet, dat het Avondmaal in het midden der gemeente wordt geplaatst, staan in feite de bedenkselen van een eigenwillige godsdienst op de plaats, welke alleen aan de Heilige Schrift als Gods Woord toekomt.
Nog een andere afschuwelijke dwaling kan men aantreffen onder de liturgisten, welke niet minder een gevaar is voor de kerk. Er zijn er, die terug willen naar het oudste Christendom.
Gij zult zeggen, dat de reformatoren toch ook op de oude kerk terugzagen.
Het had echter een geheel andere grond. De reformatoren hadden er belang bij, de dwalingen na te sporen en af te snijden. Zij hadden immers in de apostolische geloofsbelijdenis een getuigenis uit die oude kerk, waarin zijn hun geloof terugvonden. Wie Calvijn's „Onderwijzing" leest, zal opmerken met welk een nauwgezetheid hij de werken der theologen en scholastieke leermeesters heeft bestudeerd en aan de Schrift getoetst, om waarheid en dwaling te kunnen scheiden.
En toch is dit niet het hoofddoel en hoofdzaak. Het voornaamste belang was voor de reformatoren te weten, dat zij waarlijk deel hadden aan het enige, algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof, en dat zij dus van de ene heilige, algemeene Christelijke kerk waren.
Het ging hun om de gemeenschap met de kerk van Christus en daarom hebben zij niet het oude verworpen, omdat het oud was, maar zij hebben de waarheid, welke zij bij de leraren der kerk vonden, bewaard, en wat met de Heilige Schrift in strijd was, verworpen.
Van geheel andere aard is de roep om terugkeer naar het oudste Christendom, welke men in de tegenwoordige tijd kan beluisteren. Deze doet heus een beetje aan de physiocraten denken met hun leuze : terug naar de natuur. Zulk een roep gaat gepaard met een totaal gemis aan waardering van de historie in de positieve zin, waarover het profetische Woord zijn licht doet opgaan.
De reformatoren hebben de weg naar het oude Christendom gevonden in de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift. Zij hebben zich onderworpen aan het apostolisch gezag, omdat zij in hun woord het woord van de Christus ontvingen. Doch juist daarom hebben zij in de geschiedenis Gods hand gezien.
Doch zij, die menen de kerk te kunnen vernieuwen of reformeren naar een droombeeld, dat zij zich voor ogen houden, zonder geschiedenis, zonder dogma, en los van het gezag des Woords, zijn als blinden, die de blinden willen leiden.
Niemand zal zich kunnen verwonderen, als deze weg bij de heidense mysteriën uitkomt.
Zal het gereformeerd karakter van de Hervormde kerk hersteld en bewaard blijven, dan zal men zich tegen een liturgisch drijven moeten verzetten, hetwelk wat anders wil dan een dienst des Woords in alle eenvoudigheid en waarheid, overeenkomstig de eis der Heilige Schrift.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's