De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerkdienst

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerkdienst

9 minuten leestijd

KERKGANG.

Wij lezen in de Schrift, dat de Heere Jezus de gewoonte had op de Sabbath te vertoeven in de Synagoge, het Joodse kerkgebouw. Historisch gezien, is onze kerkgang inderdaad gegroeid uit de Joodse Synagoge, waar Israël werd onderwezen in de Schriften en waar de Heiland zelf eenmaal gezegd heeft: „heden zijn deze woorden in uw oren vervuld".

De discipelen en eerste christenen kwamen na Pasen regelmatig samen op de eerste dag der week om brood te breken en te bidden. En het is goed, er op te letten, dat de Heere Jezus zich steeds weer na Zijn opstanding openbaarde op de eerste dag der week, terwijl ook Johannes de Openbaring ontving, toen hij op de „dag des Heeren" in de geest was.

Mede, hierdoor is het volkomen juist, dat de gemeente van het Nieuwe Verbond op de dag des Heeren opgaat naar Gods huis, om daar Zijn Woord te horen.

En daar wil de Heere Zich ook nu nog inzonderheid aan ons openbaren.

Daarom vermaant de schrijver van de Hebreënbrief, dat wij onze onderlinge bijeenkomsten niet mogen nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben. (Hebr. 10 vs. 25).

Hieruit blijkt: a. dat God wil, dat wij komen onder de bediening des Woords, en b. dat er vóór bijna 20 eeuwen ook reeds slappe kerkgangers waren, die er een verkeerde gewoonte op na hielden.

Welnu, de Zondag is er weer. Een drukke week ligt achter ons, met veel zorgen misschien en allerlei beslommeringen. Het klokgelui herinnert ons aan de plicht om op te gaan naar het huis des Heeren. Maar hoe gaan wij nu op ? ! Als het goed is, met één van de liederen Hammaaloth in het hart! Dat zijn de liederen, die door de gelovige Israëlieten gezongen werden, wanneer zij naar de Tempel trokken in Jeruzalem (Ps. 120—134), ,,Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen : wij zullen in het huis des Heeren gaan, om de Naam des Heeren te danken". (Psalm 122). Er is trouwens genoeg, waarvoor wij de Heere behoren te danken. Hij gaf ons gezondheid, kracht en zoveel meer. Wie zal alle zegeningen optellen! En hebben wij deze verdiend? Integendeel. Daarom moeten wij iedere dag, maar inzonderheid op de dag des Heeren, beginnen met de Naam des Heeren te danken voor al Zijn goedertierenheid, om tevens vergeving te vragen voor zoveel snode ondankbaarheid, die zich openbaarde in vele zonden, in gedachten, woorden en daden. Wanneer wij zo de Zondagmorgen aanvangen, zal de kerkgang een vreugde voor ons zijn, want daar komt de gemeente immers samen om God te ontmoeten in Zijn Woord. Het is trouwens louter Gods goedheid, dat wij nog in alle vrijheid mogen samenkomen. Het is in het Oosten van ons werelddeel zo heel anders. Voorts is het louter genade van God, dat Hij steeds weer tot ons wil laten spreken van Zijn genade en vergevende liefde voor een arm, ellendig zondaar. Doch daarom is het nu voor ons noodzakelijk, dat wij ons de vraag stellen : hoe wij God zullen ontmoeten, wanneer Hij ons straks aanspreekt door Zijn Woord.

Toen de Heere zich op de berg Sinaï zou openbaren, moest het gehele volk Israël zich drie dagen van tevoren reinigen om zich voor te bereiden voor het spreken Gods. Zo behoren ook wij ons vóór de kerkdienst voor te bereiden op een ontmoeting met de Heere. 

„Ten eerste bedenke een iegelijk bij zichzelve zijn zonde en vervloeking, opdat hij zichzelf mishage en zich voor God verootmoedige . .. . . . " (Formulier H. Avondmaal).

Dan is er zegen te verwachten, wanneer Gods genade in Christus verkondigd wordt aan zulk een verootmoedigd zondaar. Doch dit omvat nog meer. Wij zullen onze zonde altijd moeten overdenken bij het licht van Gods Woord, waarin God Zijn oordeel over ons uitspreekt: „gij zijt die man . . . . .!" Dat wordt ons duidelijk uit de Wet Gods : ,,vervloekt is een ieder, die niet blijft in hetgeen geschreven staat in het boek der Wet om dat te doen". Dat wordt ons bovenal duidelijk op Golgotha, waar God de zonde straft aan Jezus Christus tot in de diepste Godverlatenheid. Ja, dat is de verschrikkelijke keerzijde van het Evangelie, dat Christus dit alles gedragen heeft voor de Zijnen, opdat zij niet sterven zouden, maar leven met Hem!

Zo Wordt ons duidelijk, hoe God oordeelt over ons zondig bestaan en hoe Hij ernst maakt met Zijn heilige Wet. Christus Zelf heeft ons deze wil Gods kort weergegeven in de woorden : God liefhebben boven alles en uw naaste als uzelf!

In dit licht zullen wij onze zonde en vervloeking moeten overdenken, want liefde is de vervulling der Wet. En daaraan ontbreekt het bij ons ten enenmale !

Daarom zullen wij bij de overdenking daarvan ons voor God moeten verootmoedigen. Hem onze schuld belijden en smeken om vergeving, om Christus' wil! Maar dan is daar ook nog de naaste !

Bij de voorbereiding tot de kerkgang zullen wij ons voor God moeten verootmoedigen vanwege onze zonde tegenover Hem, vanwege ons gebrek aan liefde! Neen, erger, vanwege onze geneigdheid tot haat jegens God.

Maar er is ook een geneigdheid tot haat jegens de naaste. En vooral dit openbaart zich in de samenleving maar al te duidelijk, niet slechts als mogelijkheid, doch als bittere werkelijkheid. En. . . . . dit komt ook onder christenen voor. Dit leeft soms ook daar, waar men als gemeente opgaat naar het huis des Heeren. Maar het zal duidelijk zijn, dat zonder waarachtige bekering ook op dit punt geen zegen van de Heere te wachten is.

Daarom behoren wij ons ook te veroot­moedigen tegenover de naaste, tegen wie wij gezondigd hebben. Zolang ik met mijn naaste in onmin leef, kan ik Gods genade niet ervaren. Ga heen, verzoen u eerst met uw broeder ! Dat is het goddelijk bevel van de Heere Jezus Christus en daar komen wij niet onder uit.

Indien gij de mensen hun zonden niet vergeeft, zo zal Mijn Vader, die in de hemelen is, ook uw zonden niet vergeven. Diep ernstig woord. Het wijst ons op een verschrikkelijke mogelijkheid, dat wij namelijk zelf bezig kunnen zijn, de hemelpoort voor ons op slot te draaien ! Zou hier misschien de oorzaak liggen, waarom gij zo weinig aan uw kerkgang hebt ? Zolang Jezus Christus wordt verkondigd, moet de oorzaak voor een gebrekkig geestelijk leven niet in de preek, maar in de mens gezocht worden. Wij moeten niet slechts belijden, dat Gods Woord zal doen al wat Hem behaagt, maar dat moeten wij in de practijk ook toepassen. Daar moeten wij ook uit leven, wanneer dit zwaard zich tegen onszelf keert. Zoek het daarom niet eerst in een tekort bij de prediker, maar allereerst in een tekort bij uzelf. Gij staat wellicht niet open voor de stem des Heeren.

Een gezegende kerkgang vereist dus, dat wij onze schuld oprecht voor God belijden, maar óok, dat wij ons oprecht met onze naaste verzoenen. Zo kunnen wij opgaan naar het huis des Heeren om de Naam des Heeren te danken. Nu kunnen wij ook echt mee-zingen en mee-bidden. En . . . . nu zullen wij ook heel anders luisteren naar de preek. Wij vragen nu niet in de eerste plaats wat wij zelf graag willen horen, maar wat God ons te zeggen heeft door Zijn Woord, waarover gepredikt wordt op deze dag. En om Gods Woord te horen is het nodig, dat wij leren luisteren. Daartoe wil de Heilige Geest ons brengen en daarom wil Hij, dat wij alle stenen zullen opruimen, waardoor dit „horen" ons onmogelijk zou zijn. Zolang wij slechts met onszelf bezig zijn, zullen wij de stem des Heeren niet onderkennen. Ook Samuel kende de stem des Heeren niet dadelijk. Eli moest hem daarop wijzen. Doch wanneer wij met Samuel leren bidden : „spreek, Heere, want Uw knecht hoort", dan zullen wij Zijn stem horen, die ons toeroept : „kom tot Mij die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven voor uw ziel!"

Dan vervalt al onze critiek op dit en op dat. Critiek, die zo heel vaak verzet is tegen de eis Gods : bekeert u. En dat verzet moet gebroken worden. Daartoe roept God ons door Zijn Woord en Geest, opdat wij de Geest des Heeren niet bedroeven of zelfs uitblussen, gelijk Paulus opmerkt!

Wanneer wij zo open staan voor Gods Woord, dan beluisteren wij de boodschap van zonde en genade zo heel anders. Dan weten wij 't zelf, dat God waarheid spreekt. Zonde is er bij mij, maar Gode zij dank genade bij de Heere. Dan wordt die oude boodschap van een rijke Jezus voor een arm zondaar geheel nieuw voor ons en . . . . . blijft nieuw, altijd weer ! Want nu schreeuwt mijn ziel naar God, gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen. Ja, nu is er de zegen en wij stemmen met de dichter van Psalm 73 in : „het is mij goed, mijn zaligst lot, nabij te wezen bij mijn God". Nu is de prediker geheel voor mij weggevallen. Hij is slechts dienaar van Gods Woord. En dat Woord heeft mij gegrepen. Achter de dienaar heb ik nu de Heere Zelf gehoord, die mij aanspreekt in mijn zonde en schuld, mij tot bekering roept en mij spreekt van genade, van vergeving der zonde, om het zoenoffer van Christus, aan het kruis volbracht.

En nu wordt mij nog meer duidelijk. Ik zit hier niet alleen. Neen, hier is de gemeente. Samen zijn wij gekomen om de Naam des Heeren te danken en nu besef ik iets van de gemeenschap der heiligen, die een deel is van ons geloof.

Nu versta ik ook, hoe het louter en alleen Gods genade is, dat Hij ons zondaren toch als gemeente wil samenbrengen onder de verkondiging van Zijn Woord, opdat wij ons samen zouden verootmoedigen voor Hem en samen ook vergeving zouden ontvangen door het bloed van Jezus Christus, dat reinigt van alle zonde.

Nu weet ik, dat God ons als geroepenen tezamen bracht in deze gemeente, opdat wij samen de Heere zouden dienen. En nu weet ik ook, dat deze gemeenschap niet slechts voor de kerkdienst alléén bestemd is, maar voor heel de week, ja, voor heel het leven, opdat Christus' woord vervuld worde : daaraan zal de wereld bekennen, dat gij uit God zijt, dat er éénheid is onder ulieden !

Want Christus' gemeente heeft een taak in deze wereld, om namelijk een zout te zijn, een zuurdesem, een licht in de duisternis.

Om in deze wereld te staan als een getuigenis van wat Christus' genade aan zondaren vermag. Om te zijn een leesbare brief van Jezus Christus aan een wereld, die Hem niet kent.

Daartoe ons te brengen is het doel van de kerkgang, iedere Zondag weer.

God geve, dat wij deze taak en opdracht van de Koning der Kerk leren verstaan. Een ieder in de plaats, waar God hem heeft gesteld.

Dan eerst zal de kerkdienst zijn ter ere Gods !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kerkdienst

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 oktober 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's