De liquidatie der vrijzinnigheid?
Aan een berichtje uit ,,Zwingli" d.d. 22 October j.l. ontlenen wij het volgende :
De Synode behandelde de zestiende ordinantie (op de kerkelijke financiën), welke een nieuwe figuur, die van ouderling-kerkvoogd, wil invoeren, voorts de kerkvoogdij in de kerkeraad incorporeren en de kerkvoogden ouderlingen doen zijn, die van bepaalde taken zijn vrijgesteld. Men wil hiermede het ,,beheer" als een taak van geestelijke aard erkennen. Het voorstel tot aanvaarding van de figuur kerkvoogd-ouderling werd met 34-8 stemmen aangenomen.
Met 22—21 stemmen werd de mogelijkheid tot uitwerping uit de kerk aanvaard. Prof. van Ruler was daarvan de kampioen. Het zal gebeuren met een toepasselijk formulier. Doch de naam „ban" zal niet gebruikt worden, maar het zal wel een uitbanning zijn.
De totale kerkorde werd aangenomen met maar 3 stemmen tegen. Van die 3 was er nog één orthodox. De belijdenis was hem nog niet strak genoeg ! Dus 2 vrijzinnigen slechts stemden tegen. Dat betekent de liquidatie der vrijzinnigheid in de Synode.
,,De Hervormde Kerk" van 22 October deelt mede, dat ds. J. de Lange van Nunspeet zei: „Tot groot leedwezen kan ik niet voor stemmen. Het belijden naar de Schrift is niet voldoende vastgelegd". Daarmede heeft ds. de Lange het hoofdbezwaar aangeraakt, dat er voor de gereformeerde belijders in de Hervormde Kerk is tegen deze kerkorde : het ontbreken van de binding aan de belijdenis.
Daarin ligt inderdaad de voornaamste grond van het feit, dat voor de gereformeerde belijders dit ontwerp kerkorde onaanvaardbaar is.
Het moet op de buitenstaander een vreemde indruk maken, dat slechts één lid der Synode dit standpunt inneemt, terwijl ook slechts 2 vrijzinnige stemmen tegen waren.
Het merkwaardigste van dit verschijnsel is voorts, dat het vrijzinnig orgaan van liquidatie der vrijzinnigheid gewaagt, terwijl de gereformeerde geen voldoende vastlegging van het belijden naar de Schrift als motief aanvoert. „Zwingli" vindt de belijdenis te strak, de gereformeerde „niet strak genoeg".
Op zichzelf is dit een onheilspellend teken in verband met de kerkelijke tucht, omdat „het belijden naar de Schrift" enerzijds de Zwingliaan te strak, anderzijds de gereformeerde niet strak genoeg is vastgelegd. Artikel X noemt de Schrift als bron der prediking en enige regel des geloofs. Oppervlakkig beoordeeld, zou men zeggen, wat wil men meer ? Wat zal men zich er verder van aantrekken, dat in de Synode één gereformeerde en twee vrijzinnige stemmen tegen zijn ?
Die gereformeerde kan daartegen, geen bezwaar hebben, immers ook naar zijn confessie belijdt hij, dat de Heilige Schrift de enige regel des geloofs is, en als de vrijzinnige daarmede niet accoord gaat, behoort hij in de kerk geen ambt te bekleden.
,,Zwingli" maakt het zichzelf dan ook niet gemakkelijker, als het tegelijkertijd een openlijke verklaring schijnt te willen geven dat het aan die enige regel niet gebonden wil zijn, getuige de volgende passage uit zijn hoofdartikel: Roessingh was de verpersoonlijking van het Rechts-modernisme. (22 Oct. 1949) :
Roessingh getuigde in zijn eigen geloofsbelijdenis (te vinden in „Godsdienstige vraagstukken", Wereld-Bibliotheek, A'dam, 1920, blz. 37) als volgt :
„Wij willen terugkeer tot Christus en Zijn Evangelie.
Dat betekent niet, terugkeer tot de belijdenis van deze of gene kerk, tot een welomschreven formulier, waarin de hoofdzaken van de christelijke geloofsinhoud zouden zijn samengevat. Hoe waardevol b.v. ook de belijdenisgeschriften mogen zijn, die aan het gereformeerd protestantisme in ons land ten grondslag liggen, waardevol als historische documenten en als uiting van diepe vroomheid, zij zullen; in ons persoonlijk leven weinig meespreken; de wijze waarop daar de bijbel wordt begrepen, de wijze waarop daar de kosmische betekenis van Christus wordt getekend, het is zover van onze inzichten en waarderingen af ; al te zwaar weegt ons daar een traditie, die voor ons niet meer kan leven.
Het betekent ook niet: terugkeer tot de bijbel in de oude zin, als het Woord Gods ; als de goddelijk geïnspireerde, onfeilbare Schrift, of breder genomen, als het toch wel heel bijzonder verhaal van die enkele centrale heilsfeiten, waaraan voor eeuwig 's mensen behoudenis gebonden is.
Zo kunnen en willen wij niet naar de Bijbel terug. Want de Bijbel is voor ons een reeks oude geschriften, niet de Schrift, niet het Woord.
En wij willen en kunnen óók niet terug tot Christus in die zin, dat hij is de absolute indaling Gods in de tijd : het eindeloos spel van onvolkomenheden, betrekkelijkheden, vergankelijkheden, daar en daar alleen verbroken ; dat nergens geen heil, nergens zekerheid, nergens vastheid te vinden is, dan alleen in Christus en Zijn Evangelie".
Zo was Roessingh's oordeel over de belijdenisgeschriften, over bijbel en Christus. Hij was rechts-vrijzinnig, maar ten volle hoorde hij tot „de modernen".
De grote tegenstellingen tussen Roessingh en de sterk verschoven vrijzinnigen zijn :
Roessingh getuigt : de belijdenisgeschriften der Hervorming „spreken in ons persoonlijk leven weinig mee". „Het is zo ver van onze inzichten en waardering af", „al te zwaar weegt ons daar een traditie, die voor ons niet meer kan leven". De sterk verschoven vrijzinnigen + de nieuwe kerkorde „leven in de uit de Schrift geputte belijdenis der Vaderen" en „in gemeenschap" (van geloofsgoederen) „met het Apostolicum, de geloofsbelijdenis van Nicea en de geloofsbelijdenis van Athanasius, de Heidelbergse Catechismus, die van Geneve en de Nederlandse geloofsbelijdenis met de Dordtse leerregels".
Welk een verschil I
Roessingh : „de bijbel niet het heel bijzondere verhaal van enkele centrale heilsfeiten, waaraan voor eeuwig 's mensen behoud gebonden is — niet de Schrift, niet het Woord".
De nieuwe kerkorde + de sterk verschovenen : „de bijbel de bron der prediking en enige regel des geloofs".
Welk een verschil l
Roessingh : ,,Christus is niet de absolute indaling Gods in de tijd .— niet alleen in Christus en Zijn Evangelie is heil, zekerheid en vastheid te vinden".
De nieuwe kerkorde + de verschovenen : Christus is de zelfopenbaring van de Drieënige God, Hij is Hoofd der Kerk en Heer der Wereld.
Ten derde male : welk een verschil tussen de rechts-moderne Roessingh en de verschovenen + de .niieuwe kerkorde !
Wij achten het een eis van doodgewone eerlijkheid en zuiverheid, dat de sterk verschovenen orthodox genoemd worden, maar vooral ook dat zij zichzelf zo noemen !
Deze passage spreekt voor zichzelf. Of de niet-Zwingilianen recht mogen doen gelden op de waardering orthodox, is daarmede echter nog , niet uitgemaakt.
Hiermede komt het bezwaar van ds. De Lange in het geding. Het „te strak" van „Zwingli" kan in het licht van bovenstaande aanhaling worden verstaan. Immers daarin is het reeds te strak, als men zegt ; De Schrift enige regel des geloofs.
De kerk kan echter deze regel niet loslaten zonder zichzelf te verloochenen.
Het oprechte getuigenis van de Zwingligroep, hetwelk als zodanig waardering verdient, klinkt even radicaal als eerlijk, maar heeft dan ook duidelijk de grens overschreden tussen de geloofsgemeenschap, welke aanspraak wil maken op de naam kerk, en een religieuse vereniging.
Van hier uit kan men het bezwaar der gereformeerden verstaan, waaraan ds. De Lange vertolking heeft gegeven, n.l. ,,dat het belijden naar de Schrift niet voldoende is vastgelegd", gelijk ,,de Hervormde Kerk" mededeelt.
Is het dan niet voldoende, zal iemand vragen, als de Schrift als enige regel des geloofs wordt erkend ?
Dat zou voldoende zijn, als allen eenzelfde waardering der Schrift hadden. Maar dat nu is juist niet het geval. Men denkt over de waarde en het gezag van de Heilige Schrift zeer verschillend. Wat nu, is de oorzaak van een verwarring aangaande het geloof en zijn inhoud, tengevolge waarvan „het belijden der Schrift als de enige regel des geloofs" geen gemeenschappelijke zin heeft. Verschil van opvatting omtrent de waarde en het gezag der Schrift, moet toch tengevolge hebben, dat de enigheid van de regel des geloofs opgaat in de veelheid der meningen.
Niet de Schrift wordt dan gewaardeerd als regel des geloofs, maar de maatstaf, welke men aan de Schrift aanlegt, wordt regel des geloofs.
En welke maatstaf is het dan, die men aanlegt ? Welk vermogen, welke kracht, oordeelt dan over de Schrift, n.l. over haar goddelijke of niet-goddelijke autoriteit ?
De Zwingli-groep is duidelijk. Zij steekt haar waardering voor de mens en voor zijn zedelijk en redelijk vermogen niet onder stoelen of banken. Zij komt er voor uit: De Schrift niet enige regel des geloofs.
Wij laten thans in het midden, of zulk een waardering van de mens wordt gerechtvaardigd door de geschiedenis. Eveneens laten wij de vraag rusten, of men dit standpunt voor de vierschaar der rede zelf kan handhaven. Deze dingen zijn belangrijk genoeg, maar vallen buiten 'het bestek onzer beschouwing.
Het is echter de vraag, hoevelen, die niet bij de Zwingli-groep aansluiten, mogelijk minder radicaal en daarom ook minder consequent een opvatting der Schrift huldigen, welke haar evenzeer onderwerpt aan de maatstaf van verstand of gevoel, zodat ook voor deze niet de Schrift, maar gevoels- of verstandsoverwegingen, of beide tegelijk, de regel des geloofs bepalen.
Indien zij zich voegen onder de belijdenis : ,,de Heilige Schrift enige regel des geloofs", terwijl zij een eigen opvatting daaromtrent volgen bij hun arbeid in het Woord, is daarin een dubbelslachtigheid, welke tot allerlei willekeur moet voeren. Dezulken arbeiden niet in het Woord, maar in hun individuele levensbeschouwing.
Kan de kerk niet zodanig formuleren, dat deze apocrieve vrijzinnigheid zich althans niet al te rustig onder de dekmantel ener orthodox-klinkende formule verbergen kan ?
Dat kan zij thans zonder twijfel. In een veelstemmig koor zou deze vrijzinnigheid zich openbaren, indien de kerkorde in art. X eenvoudig bepaalde, dat alle ambtsdragers, kerkelijke vergaderingen en organen voor hun handelingen aan de belijdenis der kerk (t.w. de Drie Formulieren) gebonden zijn. Dat nu wil men, naar het schijnt, angstvallig vermijden. Men zegt wel : ,,naar de belijdenis toe", maar geeft de vrijzinnigheid armslag.
Prof. Van Ruler beweert wel, dat ,,in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen" inhoudt: ,,in overeenstemming met" en dat het meer is dan dit doch dat gelooft alleen, die het wil geloven. Wij houden ons intussen overtuigd, dat de woorden „in overeenstemming met" bij velen-protest zouden uitlokken, die nu vrede nemen met een „gemeenschap met de belijdenis der vaderen", welker innigheid zij bepalen naar de maatstaf van eigen gevoelens en religieus inzicht.
De dezerzijds verdedigde binding aan de belijdenis der vaderen, op grond van het feit ook, dat deze nog altijd de belijdenis der kerk is, zou immers een belijdenis omtrent de Heilige Schrift involveren, welke niet alleen de grondslag der reformatie uitmaakt, maar een fundamenteel kenmerk van de kerk der eeuwen tot uitdrukking brengt.
Alleen op grond van de gemeenschap met de belijdenis der vaderen kan art. X spreken van de Heilige Schrift als enige regel des geloofs, maar als dan ,,het besef van verantwoordelijkheid voor het heden" de enigheid van deze regel aan de opvattingen der hedendaagse theologie prijs geeft, zal men toch moeten erkennen, dat de gemeenschap met de belijdenis der Vaderen hier een elasticiteit verkrijgt, die niet veel rek meer nodig heeft om ook de remonstranten te omvatten.
Ook in het verleden werd de twist tussen remonstrant en contra-remonstrant door het Schriftgeloof bepaald, getuige het reeds toen gehooide verwijt van een „papieren paus". Hoewel wij dit op zichzelf niet ernstig kunnen , nemen, omdat het o.i. berust op een misverstand van het reformatorisch Schriftgeloof, wijst het toch op een controvers. Intussen zijn wij erkentelijk voor het feit, dat er van vrijzinnige zijde duidelijk op gewezen werd, dat de belijdenis aangaande de Heilige Schrift in art. 2—7 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis haar als Gods Woord en dus met goddelijk gezag bekleed, aanneemt, en zó als enige regel des geloofs de ganse belijdenis domineert.
Wie de artikelen 2—7 aanvaardt, zal geen aanleiding tot ernstig gravamina vinden tegen de belijdenis als geheel, maar wie dat niet doet, nadert, zoals wij hebben opgemerkt, tot de Schrift met een maatstaf, welke met het geloof der vaderen op gespannen voet staat. De gemeenschap met de belijdenis der vaderen verschijnt dan in een eigenaardig licht.
Bedenkelijk wordt ook de roeping om „naar de regel van het Woord Gods opzicht te oefenen", zoals art. X wil.
Dit moet welhaast alle opzicht illusoir maken of aanleiding geven tot willekeur. Wat toch zal men verstaan onder de regel van het „Woord Gods", als men daarmede wat anders bedoelt of bedoelen kan dan de Heilige Schrift ? En wat betekent in diezelfde onderstelling „beroep op het Woord Gods" ?
Men schijnt echter toch opzicht te willen. En als men dat wil, zullen er grenzen worden gesteld, binnen welke het belijden zich heeft te bewegen. Hoe zal men uitmaken, of iemand buiten - laat mij zeggen — het toelaatbare gaat, indien men distantie zet tussen het Woord Gods en de Heilige Schrift ? Mogelijk zal iemand zeggen, dat het in de practijk niet zo'n vaart zal lopen, omdat het gezag der Heilige Schrift zich machtiger zal bewijzen dan de critiek. Wie zó redeneert, kan beter voor de belijdenis van het goddelijk gezag der Schrift pleiten.
Wie dat niet wil en niettemin ,,naar de regel van het Woord Gods" geroepen is te handelen, zal buiten de Schrift geen regel vinden, en loopt gevaar in het euvel te vervallen, dat hij wil vermijden, en een regel te stellen, die al te menselijk, subjectief en willekeurig is.
Daarom is het van belang, dat de belijdenis aangaande de Heilige Schrift wordt vastgesteld in overeenstemming met de belijdenis der vaderen. Dit is niet alleen een principiëel belang, maar ook van grote betekenis voor de practijk van het kerkelijk leven.
Wij betreuren het daarom te meer, dat slechts één stem in de Synode voor deze zaak is opgekomen. Niet alleen, omdat die éne stem in de Synode niet evenredig is aan de plaats, welke de gereformeerde belijders in de Hervormde kerk innemen. Maar ook, omdat het voor allen van belang is, dat willekeur en onwaarachtigheid zoveel mogelijk worden voorkomen, en wat allen zwaar moest wegen, omdat het reformatorisch karakter der kerk hierbij in het geding is. Een kerk, die het Schriftgeloof der reformatoren loslaat, is van het grondvlak der reformatie afgegleden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 oktober 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's