MEDITATIE
STRIJD
Heeft niet de mens een strijd op aarde ? Job 7 vers la.
Het tweede deel van deze tekst ,,en zijn zijn dagen niet als de dagen van een dagloner", willen wij onbesproken laten. Dit is niet, dat zij geen betekenis zouden hebben. Integendeel, zij versterken het eerste deel. De bedoeling daarvan is, dat de mens hijgt naar het einde van de strijd van zijn leven, evenals een dagloner hijgt naar het einde van zijn zware dagtaak, om dan rust te krijgen en zijn loon te ontvangen. Hij wordt het zo moede.
Wij willen dit woord van Job eens op zichzelf beschouwen. Wij letten daarbij ook niet zozeer op de omstandigheden, waarin Job verkeerde, toen hij geperst werd om dit woord uit te spreken.
Wij bezien dit als een ernstige waarheid, het houdt zulk een gewichtig feit in, dat wij wèl doen om er met grote ernst op te letten.
„Heeft niet de mens een strijd op aarde ? " De vorm van dit woord stelt het zo voor, dat 't op zichzelf een onaanvechtbare waarheid is. En de ontkenningsvorm, waarin het is weergegeven, duidt er juist op, dat het zo stellig zéker is.
Er kan bij iemand, die dit woord leest, een bedenking rijzen, 't Is deze, dat de lijder Job, die het zo zwaar had in zijn moeilijke levensgang, het toch wel al te zwaarmoedig, te pessimistisch heeft weergegeven.
Bedoelt hij eigenlijk niet maar alleen zich zelf, wanneer hij zegt ,,een mens" ?
Zo gebeurt het toch meer. Zelfs in velerlei opzicht gebiedt de bescheidenheid om niet direct met ons eigen ik naar voren te komen, zodat men kan spreken over ,,een mens", terwijl men toch zichzelf bedoelt.
Dit gebeurt in het dagelijks leven en zelfs het Woord van God geeft er ons wel voorbeelden van. Denk b. v.. maar aan de uitspraak van Paulus in 2 Corinthe 12 vers 2, wanneer hij gaat schrijven over wat de Heere hem geopenbaard had en waarop hij toch niet wenste te roemen ; hij zegt dan : „Ik ken een mens in Christus". Later blijkt het, dat hij dit zelf is.
Voor wie dit nu menen mocht, wijzen wij op een andere uitspraak van Job in hoofdstuk 14 vers 1 : „De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust".
O, zeker, 't is wel door de benauwenis in zijn leven dat dit woord hem uit de ziel wordt geperst. Job ondervindt het nu zo sterk bij eigen ervaring, en dat doet hem juist zó spreken. Maar daarin proeft hij te meer de werkelijkheid van de waarheid, welke hij uitspreekt.
Doch wij stellen dit nu als een niet tegen te spreken waarheid : de mens heeft hier op aarde een strijd. Dit leven is een worsteling. Neen, niet voor sommige mensen, in onze moeilijke tijd zeker zeer velen, ja, wij schrijven het met volle overtuiging, voor iedereen, wie dan ook. Er moge nog wel enig verschil in de hevigheid of zwaarte van de strijd wezen, maar ieder wordt het gewaar.
Dat gelooft niet, althans hij wil er niet aan, die mens, die luchtig voortleeft, die rondfladdert als een vlinder en zijn oog begerig richt op zoveel, wat hij nog van het leven verwacht, die nog zoveel idealen heeft, waar zijn hart naar haakt.
,,Het leven een strijd, een worsteling !? " Och, kom, wees en denk toch niet zo zwaarmoedig — denkt zo een. Houd er de moed maar in! Pluk de dag, geniet van het leven, wat ge kunt, 't komt best terecht, hoor !
Hoevelen spreken zo, die zich groot trachten te houden, die, in de stilte gekomen, voor het eigen bewustzijn moeten erkennen dat het eigenlijk toch wel waarheid bevat. Maar is dit misschien tegenwoordig zo en was 't vroeger niet anders, niet beter?
Gewoonlijk lijkt het zo, dat vroeger alles veel beter was, en wij verwachten steeds, dat wat nog komen moet, veel beter zal zijn dan tegenwoordig.
„Geen tijd, zonder strijd" — las ik eens op een oude gevelsteen. Daaronder stond het jaartal 1804. Ach, ja, dat was die benauwde tijd van de Franse revolutie en overheersing, enz. 1904, was het toen beter ? Ook een tijd van strijd, beroering en onlusten, toen ook geen rust in de wereld. Straks is onze eeuw voor de helft weer om. En wat is er in die 50 jaar wel gebeurd in de wereld ? We behoeven het u niet eens weer te geven. Ieder weet wel, wat we hebben doorgemaakt. En wat zullen de tijden, welke nog mogen komen, te zien geven en te doorleven ?
Maar niet alleen „geen tijd zonder strijd", neen, er is geen mensenleven zonder strijd, zonder worsteling. Welke zware lasten menigmaal om te torsen !
Dit wordt verstaan door de lijder op het ziekbed, die veel in pijn en smart terneer ligt. O, wat een worsteling om weer opgericht te worden, om aan de greep van de dood te ontkomen ! Als men zo lang reeds weken, maanden, jaren, naar herstel, naar genezing uitzag en tot hiertoe nog tevergeefs. Och, wat een strijd, welk een worsteling !
Moeten wij nog wijzen op hen, die in groot leed zijn gebracht, die in diepe smart en zware rouw hun levensweg gaan ? Voor wie het is, alsof de zon aan hun levenshemel op de middag onderging en alles in duisternis verkeerde — terwijl zij nog zoveel verwachting hadden. Och, wat een worsteling, welk een strijd !
Zien wij maar verder rond in de wereld. Wat heeft menigeen het zwaar in de strijd om het bestaan. Hoe zal hij staande blijven, nu de goede dagen van voorheen — misschien nog maar zo kort geleden — voorbij zijn ? Of hoe zal hij er weer bovenop komen ! 't Is haast niet om uit te houden, 't is schier zonder verwachting !
En ga nu het leven met z'n vele schakeringen maar na, is het dan niet volle waarheid : ,,heeft niet de mens een strijd op aarde ? " Immers „ieder huis heeft zijn kruis, en ieder hart heeft zijn smart".
Ieder? Dat wordt weer niet toegegeven door een, die zelf zo in de moeiten, het lijden, de zorgen en de lasten van het leven verkeert. Hij meent, dat deze en die het zoveel beter en ruimer en gemakkelijker in het leven heeft. Hij meent er zo wel veel te kunnen noemen. En anderen, — zo meent hij — gaan toch zo rustig door het leven, zo zonder beroering van het effen levensvlak.
't Is maar schijn, hij weet niet, wat die anderen kwelt en drukt, hij ziet maar de buitenkant en is in het leven van anderen niet ingewijd.
Evenwel, we letten nog op iets anders. De mens is een stoffelijk, maar óok een geestelijk wezen, geschapen met lichaam èn ziel. Zo leidt hij een stoffelijk en een geestelijk bestaan. En bij dit laatste bedoelen we nog niet dadelijk het echte, ware geestelijk leven. Maar wat wordt er in menig mensenhart verborgen geworsteld, in het geweten. Men wil goed en waar en deugdzaam wezen, men wil beter worden dan men is, men worstelt tegen dit of dat kwaad en tevergeefs.
Nóg een andere zijde bezien wij. ,,De mens heeft een strijd op aarde". Hoe graag wil hij eigenlijk onder alle strijd uit, hij wil vrede en rust! Zal dit dan nooit komen ? Vanwaar is dat toch, dat het leven een strijd is ?
Neen, uit de strijd moet de mens niet uit. Hij moet er juist ingewikkeld worden, de strij.d niet ontlopen. Het is alleen nodig, dat hij een réchte strijder, een échte worstelaar wordt.
Daarom moeten wij u, die dit leest, juist oproepen tot de strijd en op de oorzaak daarvan wijzen. Weet gij het wel, dat daarom de mens een strijd op aarde heeft, omdat hij de ware vrede is kwijtgeraakt? Omdat hij God is kwijtgeraakt ? Van God afgevallen door de zonde, is de mens, de zondaar, onder het oordeel Gods gekomen! Voor dit leven geldt het nu, dat deze aarde hem doornen en distelen voortbrengt, dat hem ellende en leed en smart ten deel vallen. En zolang hij op aarde is, wacht hem niet anders — al blijft hij ook steeds anders hopen —, totdat hij in zijn einde tot de aarde wederkeert en zijn geest tot God keert, die grote Rechter, Die naar Zijn goddelijk recht hem zal doen vergaan tot in eeuwigheid. Omdat de mens, de zondaar, zich tegen God in de strijd gemengd heeft.
Wat is dan eigenlijk zijn strijd op aarde ? Dit, dat hij met zijn wil tegen de wil van God gekant is. Dat hij niet recht onderworpen is aan de Heere. Dat hij het beter weet, hoe het moet, dan de Heere zelf.
En, geen einde van deze strijd, geen overwinning, geen vrede, tenzij hij ingewikkeld wordt in een andere strijd, de worsteling om het leven, het eeuwige leven !
Geen einde, geen overwinning, geen vrede, tenzij het werkelijkheid wordt : ,,Strijdt de goede strijd Van het geloof ; grijpt naar het eeuwige leven".
Dat roepen wij nu alle strijders, alle worstelaars in het aardse strijdperk toe : ,,wilt gij de vrede, de ware vrede bereidt u dan tot de strijd, de geestelijke strijd van het geloof !"
Dit is de strijd van allen, die God leren kennen, die zichzelf leren zien, zoals zij zijn, die Christus leren nodig krijgen, die bij zichzelf vinden de dood door de zonde en bij en in Christus het leven.
Zo gij deze strijd nog niet kent, is heel uw aardse strijd min of meer één worsteling op het onzekere, straks nog een eeuwige mislukking.
Maar, in déze strijd ingezet, kan het niet anders of gij zult overwinnen.
Deze strijd kan eerst recht bang en zwaar zijn, maar het einde is glansrijke overwinning.
In deze strijd moet gij leren om te winnen door te verliezen, door uzelf te leren overgeven. Daarin ligt het behoud.
In deze strijd leert gij eigen krachten te verachten en juist door zwak te zijn sterkte te verkrijgen.
Daarom wordt dit een strijd om te leren buigen voor God, een worsteling op de knieën met een schuldverslagen, neergebogen hart.
Het voornaamste wapen in deze strijd is het ootmoedig gebed.
In deze strijd leren de strijders klagen : ,,ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam van deze dood ? "
Maar zij leren óok roemen : ,,ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere". Ja zelfs : ,,wij zijn meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons heeft liefgehad". Het is een strijd tegen zonde, wereld, satan en dood, maar het wordt gezien, dat dit al overwonnen vijanden zijn.
De zege is reeds behaald door hun machtige Voorstrijder, hun Koning en Goël, toen Hij op het hoogste punt van Zijn geweldige strijd heeft uitgeroepen: ,,Het is volbracht". Hij maakt het nu voor hen waar : „Ik zal voor u strijden en gij zult stil zijn". „Uw vrucht is uit Mij gevonden".
Kent gij, lezer (es), deze strijd?
Hierop komt het nu voor u zo geheel en al aan. Leer er de Heere om aanlopen, dat Hij u in deze strijd zette en daarin oefene. Ge zult anders tevergeefs tégen Hem strijden en het onderspit moeten delven. Want één van beide : we zijn öf voor of tegen Hem.
Gelukkige worstelaars, die deze strijd mogen kennen. Gij hebt het menigmaal bang en zwaar, maar :
„Gij, die God zoekt in al uw zielsverdriet. Houdt aan, grijpt moed. Uw hart zal vrolijk leven.
Nooddruftigen, veracht Zijn goedheid niet; Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven".
(Eemnes-Buiten.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's