De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Woord Gods en de Heilige Schrift *)

Bekijk het origineel

Het Woord Gods en de Heilige Schrift *)

12 minuten leestijd

In de in 1948 verschenen critische beschouwing van „De Nederlandse Geloofsbelijdenis" door prof. dr. J. N. Sevenster en andere vrijzinnige theologen, wijdt prof. Sevenster een artikel aan het onderwerp , .Openbaring en Schrift", n.a.v. N.G.B. Art. 2-7.

Hij begint daar met te zeggen (blz. 9) : ,,De eerste 7 artikelen van de Geloofsbelijdenis spreken over Gods openbaring en vormen daarom het fundament van het gehele dogmatische gebouw van de belijdenis. Want iedere geloofsleer wordt bepaald door wat zij denkt van Gods openbaring. Terecht noemt prof. Haitjema ergens het openbaringsbegrip de meest fundamentele kategorie in alle theologieën. Dat geldt inderdaad van elke theologie, van elke dogmatiek. Zo zijn ook de eerste 7 de fundamentele artikelen van de Ned. Geloofsbelijdenis.

„Daarom zal de houding ten opzichte van deze eerste 7 artikelen ook voor een belangrijk deel beslissend zijn voor de beoordeling van de gehele belijdenis. Stemt men volkomen in met wat de belijdenis hier zegt over de openbaring Gods, dan kan nog wel hier en daar verschil van mening rijzen over de vraag, of de lijnen van dit begin steeds zuiver zijn doorgetrokken, maar wat op dit fundament gebouwd wordt zal toch in hoofdtrekken steeds een sterke overeenkomst vertonen. Wijkt men echter in gedachten over de fundamentele kategorie van de belijdenis af, dan zal dat ook in de verdere uitwerking van de geloofsinhoud steeds te merken zijn". Dit is volkomen juist gezien. Daarom zullen wij moeten nagaan, hoe hier in de N.G. B. de verhouding van Woord Gods en H. Schrift wordt gezien; vervolgens, welke bezwaren daartegen worden ingebracht; om ons dan af te vragen, of de visie der belijdenis nog houdbaar is.

Over het eerste punt kunnen wij kort zijn, daar dit onder ons als bekend mag worden verondersteld. De N.G.B, spreekt herhaaldelijk zonder meer van de H. Schrift als „het Woord Gods". We denken b.v. aan de artikelen over de Kerk. Art. 28 : „ . . . . .is het ambt aller gelovigen, achtervolgende het Woord Gods, zich af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn . . . . ." Art. 29 : ,,Wij geloven, dat men wel naarstiglijk en met goede voorzichtigheid, uit den Woorde Gods, behoort te onderscheiden, welke de ware Kerk zij . . . . . ' „De merktekenen om de ware Kerk te kennen" worden samengevat in de woorden : ,,Kortelijk en zo men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daar tegen zijn. . . ." „Aangaande de valse kerk, die schrijft zich en hare ordinantiën meer macht en autoriteit toe dan den Woorde Gods...; zij bedient de Sacramenten niet gelijk Christus in Zijn Woord, verordend heeft, maar zij doet daar af en toe, gelijk als het haar goeddunkt; zij grondt zich meer op de mensen dan op Christus ; zij vervolgt degenen, die heiliglijk leven naar het Woord Gods " Art. 30 : „Wij geloven, dat deze ware Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie, die ons onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord; namelijk, dat er Dienaars of Herders moeten zijn om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen " Artikel 31 spreekt van „de Dienaars des Woord's Gods", die met ouderlingen en diakenen behoren verkoren te worden „door wettelijke verkiezing der Kerk, met aanroeping van de naam Gods en goede orde, gelijk het Woord Gods leert". Art. 32 : „de excommunicatie of de ban, die daar geschiedt naar den Woorde Gods". Art. 33:

Onze goede God heeft de Sacramenten gevoegd bij „het woord des Evangeliums, om te beter aan onze uiterlijke zinnen voor te stellen, zowel hetgeen Hij ons te verstaan geeft door Zijn Woord, als hetgeen Hij inwendig doet in onze harten". Art. 35 : Het geestelijk en hemels leven wordt den wedergeborenen gegeven „in de tweede geboorte, welke geschiedt door 't Woord des Evangeliums, in de gemeenschap des lichaams van Christus". Art. 36 : Het ambt der Overheid is o.m. : „'t Woord des Evangeliums overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt". Ieder is schuldig de Overheden „gehoorzaam te zijn in alle dingen, die niet strijden tegen Gods Woord", En art. 37 : ,,Ten laatste geloven wij achtervolgende 't Woord Gods", dat onze Heere Jezus Christus uit de hemel zal komen, enz.

Enkele dingen vallen ons hier wel heel sterk op.

Ten eerste, dat in de N. G. B., afgezien van de eerste artikelen, waar het gaat over de H. Schrift, over het Woord Gods voornamelijk gesproken wordt in de artikelen over de Kerk, en in aansluiting daarbij in die over de Sacramenten. Geen wonder, want volgens artt. 5 en 7 ontleent de Kerk haar gezag aan de H, Schrift, en „verwerpen wij van ganser harte al wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt".

Ten tweede, dat voortdurend gesproken wordt over „het Woord Gods", terwijl zonder uitzondering bedoeld wordt: de Heilige Schrift, die omvat de 66 Canonieke Boeken, die in art. 4 genoemd worden. Dit in volkomen aansluiting bij artt. 3—7, waar deze schriften genoemd worden : heilige en Goddelijke schrifturen. Art. 7 begint met „deze H. Schrifture", en het is niemand geoorloofd anders te leren, dan ons nu geleerd is door de heilige Schrifturen — want het is verboden „den Woorde Gods iets toe of iets af te doen".

Ten derde, dat meermalen gesproken wordt van „het woord des Evangeliums", als bedoeld wordt: het gepredikte Woord, waarbij de Sacramenten zijn gevoegd ; waardoor de wedergeboorte wordt gewerkt; en dat de Overheid overal moet doen prediken. Dit maakt echter principieel geen verschil, want in Art. 30 wordt gezegd, dat er Dienaars of Herders moeten zijn „om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen". En Art. 31 noemt hen „de Dienaars des Woords Gods". De prediking des Woords betekent dus, vergeleken met de H. Schrift, geen uitbreiding van het Woord Gods. Integendeel, zij is gebonden aan de H. Schrift als onfeilbare regel, en hier geldt: ,,Beproeft de geesten, of zij uit God zijn", d.i. dus in dit geval: of hun prediking geput is uit het Woord Gods. „Desgelijks : Zo iemand tot u komt en deze leer niet medebrengt, ontvangt hem in uw huis niet". (Art. 7). Geen. andere leer wordt in de Kerk geduld, dan de leer der H. Schrift; het Woord Gods. „Alle deze boeken alleen ontvangen wij voor heilig en canoniek, om ons geloof naar dezelve te reguleren, daarop te gronden en daarmede te bevestigen — en geloven zonder enige twijfeling al wat in dezelve begrepen is".

Doch hier rijzen de bezwaren. Kunnen wij dat nog zeggen, dat wij zonder enige twijfeling geloven al wat in de Schrift begrepen is ? Geloven wij nog, dat de H. Schrift een onfeilbare regel is, omdat zij is het Woord Gods ? En verwerpen wij al wat hiermede niet overeenstemt ?

Dr. J. Thijs geeft in zijn dissertatie over ,,De Moderne Positieve Theologie in Duitsland" (Diss. V.U. 1917) in een hoofdstuk over „De Kenbron der Theologie" (blz. 77 —92) een goede samenvatting van de bezwaren, die tegen deze belijdenis gerezen zijn bij theologen als Th. Kaftan, R. Seeberg, R. H. Grützmacher, K. Beth en K. Girgensohn.

Hoewel deze dissertatie reeds van 1917 dateert, worden nog steeds vele van de daar opgesomde bezwaren gehoord.

Genoemde theologen „waarderen de bijbel als de oorkonde der openbaring, geloven dat in de bijbel Gods woord vervat is. Maar zij erkennen niet de bijbel als het Woord Gods, de inspiratio verbalis (woordelijke ingeving) is voor hen een overwonnen standpunt en de bijbelcritiek wordt door hen aanvaard.

,,Volgens Kaftan drijft de moderne werkelijkheidszin tot het toepassen van tekstcritiek, literarische en historische critiek op de Schrift en eist de moderne autonomie van de, individu, dat slechts dat in de bijbel als Gods woord erkend worde, door welks waarheid wij innerlijk overwonnen zijn. „Der Tatbestand" der Schrift weerspreekt het dogma der verbale inspiratie : de tekst van de bijbel is niet zuiver overgeleverd ; sommige boeken zijn hjet product van een gecompliceerd literarisch proces, b.v. de Pentateuch ; soms citeren de bijbelschrijvers zelf bronnen ; de bijbel weerspiegelt in zijn natuurbeschouwing, in zijn kennis van hemel en aarde, in zijn historische berichten de opvattingen die gangbaar waren toen de bijbelboeken ontstonden, maar nu onhoudbaar zijn geworden ; de bijbel bevat tegenstrijdigheden b.v. in de bepaling van Jezus' sterfdag en in de berichten der verschijningen van de opgestane Jezus. Maar wij zijn op grond van onze geloofservaring zeker, dat we in de Schrift Gods woord hebben ; de Christenheid ervaart, dat door de bijbel God tot de gemeente en de ziel spreekt, haar zegt de dingen die het heil der ziel en het eeuwige leven betreffen ; daarom zeggen we dat de Schrift Gods woord is, nauwkeuriger : dat in de Schrift Gods' woord is. De vraag echter hoe de Schrift Gods woord kan zijn, moet op reële, niet' op formele wijze worden opgelost; het antwoord moet in haar inhoud, niet in haar ontstaan gezocht worden. In plaats van : de Schrift is Gods woord, omdat ze ontstaan is door inspiratie, moet men er op antwoorden, zoals Luther deed : de Schrift is Gods woord, omdat Christus haar inhoud is, en inzoverre ze „Christum treibt", is ze Gods woord. „Die an Christus orientierte vernüriftige Ueberlegung" moet beoordelen, wat het woord Gods is in de Schrift. Maar precies op hoofdstuk en vers af te zeggen, wat Gods woord is, en wat niet, is onmogelijk. Gods woord is in de Schrift als de ziel in het lichaam ; gelijk de ziel in het gehele lichaam, zo is Gods woord in de ganse Schrift, maar gelijk niet alle delen van het lichaam evenzeer bezield zijn, zo zijn ook niet alle delen der Schrift in dezelfde mate Gods woord. Het woord Gods nu is de kenbron der „moderne Theologie des alten Glauben". Zij grondt zich niet op de inwendige ervaring, 't Oude geloof en Schleiermacher 's methode zijn onverenigbaar". Het woord Gods, dat de kenbron der theologie moet zijn, is ,,die zentral in Jesu Christo, dem eingeborenen Sohn Gottes, dem gekreuzigten und auferstandenen Weltheiland, gegebene, von der Schrift uns überlieferte Gottesoffenbarung". Deze theologie bezit dus een objectief karakter.

Tot zover Kaftan's gedachtengang. Wanneer wij echter Kaftan's critiek critisch bezien, blijkt de objectiviteit van deze theologie toch wel zeer dubieus. Door en door subjectief is het uitgangspunt: het beroep op „de moderne werkelijkheidszin" en op „de moderne autonomie van de individu". Zijn bestrijding van het dogma der verbale inspiratie is niet erg overtuigend. Dat de tekst van de bijbel niet zuiver overgeleverd is, sluit een verbale inspiratie van het origineel niet uit. Dat sommige boeken het product zijn van een gecompliceerd literarisch proces, b.v.. de Pentateuch — dat de bijbelschrijvers soms zelf bronnen citeren — waarom zou dat niet samen kunnen gaan met verbale inspiratie ? Over het wereldbeeld der bijbelschrijvers maken wij ons niet zo druk, en het tijd-gebondene in hun natuurbeschouwing en historische berichten heeft dunkt ons, bitter weinig te maken met de heilsboodschap, die zij ons overbrengen. De „tegenstrijdigheden" in de verhalen van Jezus' lijden, sterven en opstanding, maken op ons ook weinig indruk en dienen eerder tot bevestiging van ons geloof in de betrouwbaarheid der Schrift, dan dat zij dit doen wankelen. Desgewenst kunnen we in de discussie hierop dieper ingaan, maar persoonlijk kan ik mij onmogelijk druk maken over zulke bezwaren.

Vele van deze bezwaren keren terug bij Seeberg en zijn school: wij zullen die dus niet herhalen. Hier is de Schrift niet kenbron, maar norm der theologie, doch wordt ook de inspiratio verbalis verworpen. Behalve door Kaftan reeds genoemde argumenten, voert Seeberg aan : het getuigenis des H. Geestes (door hem aldus opgevat: dat de kracht des Geestes in de zielen werkzaam wordt) kan de verbale inspiratie niet bewijzen, want het (getuigenis des Geestes) kan slechts betrekking hebben op de religieuse en ethische inhoud der Schrift en dan ook nog niet op de woorden, maar op de gedachten. Dit is ook weer zo'n kapitale bewering, die „mir nichts, dir nichts" zonder nader bewijs daarheen wordt geworpen en slechts gemotiveerd wordt met de opmerking : ,,want het zijn gewoonlijk niet letterlijk geciteerde bijbelwoorden, doch vrij weergegeven bijbelse gedachten, waardoor een mens bekeerd wordt" !

Het is mij ook volkomen onduidelijk, wat het met inspiratio verbalis te maken heeft en waarom het daartegen zou pleiten, dat elk bijbelschrijver zijn eigen stijl, lievelingsgedachten en lievelingswendingen heeft; dat er over kleine bijzaken wordt gesproken, zoals over Paulus' advies aan Timotheüs om wat wijn te gebruiken om zijn maag en menigvuldige zwakheden, en over Paulus' achtergelaten reismantel; dat Paulus zegt niet meer te weten, of hij te Corinthe nog meer mensen gedoopt heeft. Behalve het antieke, onjuiste wereldbeeld, dat de bijbelschrijvers hadden, zouden zij ook het volksgeloof omtrent de demonen aanhangen en sagen en legenden verteld hebben. Het is maar de vraag, wat men volksgeloof noemt. Zonder blikken of blozen wordt hier gedecreteerd, dat het Nieuwe Testament een valse interpretatie van het Oude huldigt, naar de methode der Rabbijnen, b.v. in Matth. 1 : 22, 2 : 17 en Gal. 4 : 21 v.v. Voor ons is de interpretatie van het N. T. van groter gezag dan die van Seeberg. De auteurs der bijbelboeken begaan vergissingen. B.v. in Matth. 27 : 9 wordt Jeremia genoemd, waar een woord uit Zach. wordt aangehaald. 1 Cor. 10 : 8 laat 23.000 Israëlieten sterven op één dag, Num. 25 : 9 echter 24.000. Markus 5 : 2 spreekt van „een mens met een onreine geest", die Jezus ontmoette, Matth. 8 : 28 v.. wordt gesproken van twee van de duivel bezetenen. Mark. 10 : 46 noemt één blinde bij Jericho, Matth. 20 : 30 telt er twee.

(Wordt vervolgd).


*) 'Inleiding, gehouden op de vergadering van de Noodraad voor Kerk en Evangelisatie te Woudschoten op 13 September '49, door dr. H. Schroten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het Woord Gods en de Heilige Schrift *)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's