De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HERVORMING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HERVORMING

6 minuten leestijd

31 October. Wij hebben de Reformatie weer herdacht. Hoe zouden wij anders ? Er is meer dan vele jaren lang van kerkelijk renteniersleven aanleiding en behoefte om de grote gebeurtenissen van de 16e eeuw te gedenken.

Maar daarom kunnen wij de Reformatie niet gedenken gelijk de verwende kinderen van de man, die zijn koetjes op het droge heeft. Zo deden wij het onder het vroegere synodaal bestek. Dan roemde de vrijzinnige collega de vrijheid als de vrucht der reformatie, welker orthodoxe zonen, in een gemeenschappelijke dienst voor deze gelegenheid tegenwoordig, het verwijt in ontvangst hadden te nemen, van voor de roomse paus een papieren paus in de plaats te hebben gesteld, — even alsof zij ontrouw waren geworden aan de geest der Reformatie en de vrijzinnigen haar oprechte verdedigers en schatbewaarders zouden zijn.

De rechtzinnige collega aan het woord gekomen, negeerde dit verwijt van de papieren paus, omdat buiten de vrijzinnigheid toch niemand dit gelooft. Mogelijk tekende hij zijn gehoor, dat de libertijnse vrijheidszin der Renaissance heel wat anders is dan de geestelijke vrijheid der Reformatie. Daarna sprak hij over het goddelijk gezag der Heilige Schrift, en prees deze aan als de enige regel des geloofs. Na de dienst ging men over tot de orde van de dag.

Zo gemoedelijk gaat het niet meer.

Er is thans een nivelleringsgeest werkzaam, die zich over de richtingen en over de kerken wil uitstrekken, de Grieks-orthodoxe en de Roomse incluis, een geest, die van geen tegenstellingen wil weten, ook niet tussen kerk en wereld.

Dit schijnt wel erg irenisch en het bedoelt ook erg Christelijk te zijn, want, die door deze geest bezield zijn, worden niet moe te zeggen, dat het alleen maar gaat om het belijden van Christus.

In dit verschijnsel worden ongetwijfeld verschillende reacties verenigd, welke worden opgeroepen door de verworden toestand van het kerkelijk leven en de gevolgen, welke daaruit moesten voortvloeien voor geheel de saamleving, in één woord saamgegrepen: reacties op de ontkerstening, welke zich allerwege op schrikbarende wijze openbaart.

Tegenover het toenemend getal dergenen, die van kerk en Christendom niet meer willen weten en van God geen notitie meer wensen te nemen, schijnt het een gezegend teken, dat de kerken in beweging komen, althans, dat er in de kerken beweging wordt gewekt om haar tot bezinning te roepen. Gezegend schijnt ook de roep om het belijden van Christus — om het naar een hedendaagse mode uit te drukken — dwars door de tegenstellingen heen.

Men zou zo zeggen, wat kon men nu eer verwachten dan dat men meer dan ooit behoefte had om de Reformatie te herdenken. En toch zijn er tekenen, die er op wijzen, dat men met de Reformatie een weinig verlegen wordt.

Gedachtig aan de woorden des Heeren, zouden wij willen vragen : de Reformatie, was die uit God of uit de mensen ? Indien uit de mensen, wat verwachting kunnen wij dan hebben van welke reformatie ook, waarvan men spreekt en waarnaar men streeft in onze dagen ?

Doch geen Schriftgelovige zal zo denken en blind zijn voor de grote werken Gods in de historie.

Maar daarom ook, als wij het werk des Heeren, waarvan de reformatoren getuigen en waarop zij zich beroepen, aan het historisch gebeuren der Hervorming niet kunnen ontzeggen, kan er slechts één weg zijn voor de kerk der reformatie in haar verscheurdheid, n.l. dat zij zich rekenschap geve van het geloof en de kracht, waardoor zij toen uit de beklemming van menselijke inzettingen werd bevrijd en een nieuwe gestalte herwon.

Om de uitnemende kennis van Christus en om Hem te belijden in woord en daad, ging het ook de reformatoren. Wie Hem liefheeft in die uitnemende kennis, zal ook de belijdenis der vaderen liefhebben en in ere houden. Daarin zal de gemeenschap met het geloof der vaderen openbaar worden, dat wij met hen in die uitnemende kennis van Christus verenigd zijn en door dezelfde Geest geleid worden.

Inderdaad gaat het om het belijden van de Christus, en wanneer de ,,reformatorische" Christenheid in dat belijden zover uiteengaat, als thans het geval is, is er allereerst aanleiding om te onderzoeken, of het ons wel om dezelfde Christus te doen is, van Wien de reformatie getuigenis heeft gegeven, immers, wat er ook verouderd moge zijn, de Christus, die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld, is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.

En wijl niemand kan zeggen Christus de Heere te zijn dan door de Heilige Geest, welke is de Geest van Christus, kan de gemeenschap in de kennis van die Christus niet gebroken worden. Het is één Geest, één geloof, één Doop, één Heere.

Bovendien is er een hoogst ernstige grond om onszelf op het stuk van de belijdenis van de Christus te onderzoeken, omdat wij gewaarschuwd worden tegen valse Christussen.

De reformatoren wilden van geen andere Christus weten, dan van de Christus der Heilige Schrift, welke zij beleden Zijn Woord te zijn, en de enige regel des geloofs.

Het gaat dus maar niet om het belijden van de Naam van Christus, of om het belijden van Christus, het gaat om het belijden van de Christus der Schriften, en daarom ook om de goddelijke autoriteit der Heilige Schrift.

Wie ter wereld kan iets, dat waar en goed is, beweren aangaande de Christus, dat niet ontleend is aan de Heilige Schrift. Zelfs zou iemand geen valse voorstelling, een Christus zijner verbeelding, kunnen geven, indien de ware Christus in deze wereld niet geopenbaard ware.

Hoe zullen wij dan onderscheid weten tussen ware en valse voorstellingen van de Christus, als wij deze niet kunnen toetsen aan Zijn eigen openbaring ?

Hoe ook zullen wij waarheid en leugen uit elkander houden, als wij menen, dat de Schrift ons een ontrouw beeld geeft ?

Zo zien wij, dat de Christusbelijdenis niet los kan zijn van de Heilige Schrift en omgekeerd kan de Heilige Schrift niet los zijn van de Christus.

Maar daarom ook kan het belijden van de Christus niet los worden gemaakt van het belijden der Heilige Schrift als Gods Woord.

Als de Heilige Schrift niet Gods Woord is, welke waarborg zouden wij hebben, dat het getuigenis van de Christus, hetwelk zij biedt, waarachtig is ?

Maar nog meer, men zal Christus buiten Zijn Woord niet leren kennen.

De reformatoren hebben dit innig verband gezien en het goddelijk gezag der Heilige Schift beleden met een beroep op het getuigenis van de Heilige Geest.

Dit nu dreigt in onze tijd weg te zinken.

Hoewel geen enkel argument kan worden aangevoerd, dat steekhoudend is, heeft de Schriftcritiek bij velen het reformatorisch Schriftgeloof ondermijnd en twijfel gezaaid omtrent haar goddelijk gezag.

Daarom heeft de kerk meer dan ooit nodig de reformatie te gedenken en zich te toetsen aan de belijdenis der vaderen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HERVORMING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 november 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's