Gedachten van Luther
Ben ik uitverkoren ?
Dezer dagen herdachten wij de kerkhervorming.
Onze gedachten gaan dan vier eeuwen terug naar de tijd, waarin de Heere door Zijn Geest zulke machtige wonderwerken heeft verricht.
De Geest gaat zijn eigen stille weg, in de aanvang onopvallend voor de mens.
Op 31 October 1517 slaat een eenvoudige monnik uit het Augustijner klooster te Wittenberg vijf en negentig stellingen aan op de deur van Wittenberg's Slotkapel om — naar de gewoonte van die tijd — een dispuut uit te lokken over de aflaat.
Luther heeft toen de draagwijdte van zijn daad niet overzien.
En waarvoor heeft de Heere deze daad niet willen gebruiken !
Een machtige, reformatie werd het gevolg. De stellingen gingen van hand tot hand en binnen korte tijd waren ze in Duitsland ook bij de eenvoudigen bekend.
Wij vragen ons af : Wat een honger, wat een belangstelling was er toen voor theologische zaken!
Kom daar nu eens om.
Dr. Lekkerkerker vergelijkt in de ,,Gereformeerde Kerk" van 27 October 1949 ook de mens van toen met die van nu en schrijft:
,,De mens is vandaag een andere dan die van vroeger. In 1517 stroomde de markt vol, wanneer Tetzel kwijtschelding van de straffen op de zonde te koop aanbood voor geld. Tegenwoordig zou Tetzel niet zoveel belangstelling meer hebben op het Vreeburg van Utrecht ! Want de mens van vandaag heeft niet zoveel last meer met zijn zonde. Hij weet nauwelijks, wat dat is. Dogmatici beweren : in de 16e eeuw ging het om de vraag : hoe krijg ik een genadige God? vandaag om de vraag : bestaat God ? en bemoeit Hij Zich wel met de wereld ? Het geschrift : ,,Fundamenten en perspectieven", aangeboden door de Generale Synode der Hervormde Kerk, heeft daarom ook een heel andere aanpak dan b.v. de Heidelberger Catechismus, i
Nu moeten we ons ook niet al te veel storen aan de mens van vandaag. Is wellicht zijn diepste nood, dat het ouderwetse: Hoe krijg ik een genadige God ? géén vraag meer voor hem is ? Is wellicht zijn grote tekort, dat hij niet kan komen tot de kennis van de vergeving der zonden ? En dan keren we opnieuw terug naar Luther en Calvijn. De verzekerdheid des geloofs straalt uit hun geschriften. Maar zij hebben ook gesidderd voor de toorn Gods. Zonder deze siddering zal het niet gaan. En zo hebben juist de Hervormers enkele, zeer dringende vragen aan ons te stellen !"
Met grote instemming citeer ik deze uitspraken van dr. Lekkerkerker.
Deze vraag komt bij mij op — een vraag in de eerste plaats tot mij gericht en daarna tot de anderen ,,Is de God der Reformatoren Dezelfde, Die wij als predikers preken en over Wien wij schrijven ? "
Dit weet ik zeker, dat een bepaalde theologie, die in onze Kerk helaas zo'n grote invloed heeft en die leert, dat het ja der genade het neen van het gericht over alle mensen, gelovigen en ongelovigen, overheerst, zeker niet de ware prediking van de toornende God, onder Wie Luther bijkans bezweek, bevordert, maar integendeel, afbreekt.
Luther heeft gekend zijn diepe worstelingen onder een toornende God, geestelijke angsten, waardoor hij werd gekweld als hij zich de vraag stelde : Ben ik wel uitverkoren ?
Ik wil daarvan iets meedelen, misschien is het tot vertroosting en bemoediging van deze of gene aangevochtene.
We zijn tegenwoordig, ook in onze Gereformeerde gemeenten, zo ver verwijderd van de religie der Reformatie.
Aan de ene zijde zijn er in onze Kerk predikers, die alleen maar willen weten van een genadige en liefdevolle God, en de toorn Gods niet verstaan, laat staan daarvan spreken ; aan de andere zijde zijn er predikers, die als een recept het „hel-en-verdoemenis"-thema in elke prediking de revue laten passeren, om na de dienst rustig achter een geurige kop koffie over te gaan tot de orde van de dag.
Tot de eersten zou ik willen zeggen, dat die geestelijke worsteling onder en met God zó'n diepe indruk op Luther heeft gemaakt, dat hij tot aan het eind van zijn leven, getuige zijn Tischredenen, er nog steeds over heeft gesproken.
Tot de tweeden zou ik willen zeggen : Als er één mens geweest is, die hellesmarten en benauwdheden heeft gekend, dan is het Luther geweest, maar als er ook één geweest is die vertroostend en bemoedigend, teer en gevoelig, zonder het steenkoud hel-en-verdoemenis-thema heeft gepreekt, dan is het Luther geweest.
,,Vreze voor God is het oorspronkelijkste element van zijn Godsbeschouwing geweest", zo schrijft Johannes von Walter over Luther in zijn ,,Die Theologie Luthers", blz. 47.
Voordat Luther in het voorjaar 1513 tot de verrassende ontdekking kwam, dat niet onze maar een ,,andere" gerechtigheid, de gerechtigheid van Christus, ons behoud en redding is, heeft hij God steeds in vertwijfeling en angst gevreesd. Toch is deze vreze, ook nadat zijn ogen voor de genade door 't geloof alleen open gingen, zijn gehele leven bijgebleven. In één zijner Tischreden zegt hij : ,,Wij hebben meer oorzaak tot vreugde dan tot treurigheid, maar de treurigheid is ons aangeboren".
Natuurlijk wordt het moment van de vrees van Luther daar het sterkst geaccentueerd, waar Luther aan zijn eigen strijd denkt, die hij moest doorstaan voordat hij Christus vond.
Wie denkt hierbij niet aan die blikseminslag te Stotternheim, die in het jaar 1505 de jonge student in de rechten naar het klooster dreef ?
Hoe diep zijn nood toen was, bewijst dat bijzondere woord uit de Resoluties, die bij de aflaatstellingen in het jaar 1518 zijn gevoegd : ,,Ik ken echter een mens, die beweert deze straffen dikwijls te hebben geleden, wel is waar slechts in korte ogenblikken, maar zo zwaar en zulke helse straffen, dat geen tong ze kan uitspreken, geen pen ze kan beschrijven, niemand ze kan geloven, die ze niet heeft ervaren, zo dat, wanneer deze kwellingen ook slechts een half uur, ja slechts een tiende deel van een uur geduurd zouden hebben, hij gans en al te gronde gegaan zou zijn en zijn gehele gebeente tot as veranderd zou zijn.
Daar verschijnt God in afgrijselijke toorn en met Hem de gehele creatuur. Daar is geen vlucht, geen troost, noch buiten, noch binnen, maar slechts aanklachten na; aanklachten", (v. Walter, blz. 49).
Het vreesmotief is volgens von Walter het doorgangspunt tot het geloofsmotief geworden, maar toch ook weer niet zó, dat de vrees daarna geheel aan de kant wordt , gezet.
De gedachte aan dood en jongste gericht speelt steeds weer een rol in de predikaties van Luther : „Wij worden allen tot de dood opgeroepen en niemand kan voor een ander sterven, maar een ieder zal voor zich zelf persoonlijk met de dood strijden. Ik zal dan niet bij u zijn, noch gij" bij mij".
Ook nadat Luther God als de God der liefde vond in Jezus Christus, bleef voor hem nochtans steeds God als de God des toorns.
Zijn kleine Catechismus begint bij de verklaring van ieder gebod met het: ,,Wij moeten God vrezen en liefhebben".
Von Walter waarschuwt op blz. 50 : „Het is een zeer verkeerd begrepen Protestantisme, dat het wezen en de toorn Gods uit de vroomheid van Luther wil schrappen. De vreze voor God laat zich door geen protestantisme, van de Aufklarung wegdisputeren. Het bewust zijn over de „gans andere God" is en blijft een grondelement van alle vroomheid, maar eerst recht van de christelijke".
Bij deze gedachten van Luther willen we ook nog wijzen op de uitverkiezingsgedachte van Luther.
Die uitverkiezing is voor Luther de aanleiding tot grote geestelijke strijd in het klooster geweest en de wijze, waarop Luther zijn uitverkiezingsangsten heeft overwonnen, zal ons tonen hoe Luther de overgang van vreze tot liefde, van toorn tot de genade Gods gevonden heeft.
Voor een man, die zo sterk onder de indruk van de toorn Gods stond en bij wie de vreze voor God zo sterk ontwikkeld was, is het gemakkelijk in te zien hoe de praedestinatiegedachte op hem werken moest. De schrik van het geloof aan zijn eigen verworpen zijn moest hem aanpakken en de vrees voor God moest hem tot vertwijfeling brengen.
In het in 1525 verschenen geschrift „De servo arbitrio", dus ongeveer 15 tot 20 jaar na zijn geestelijke worstelingen, schrijft hij: ,,lk zelf ben niet slechts eenmaal daarmede aangevochten geworden tot in de diepte en tot de afgrond der vertwijfeling, zodat ik wenste nooit tot een mens geschapen te zijn".
De eerste katholieke Lutherbiograaf Cochlaus vertelt ons, dat Luther eens in het klooster, toen het Evangelie van de bezetene, die de discipelen niet konden genezen, voorgelezen werd, met een schreeuw uitriep : ,,Ik ben het niet, ik ben het niet!" Maar toch zijn ook, volgens Luther, de praedestinatieangsten heilzaam, ze leiden tot de genade.
Luther schrijft ergens, dat de Predestinatie zoet is voor de uitverkorenen, bitter en hard voor degenen, die naar het vlees wandelen.
Naast deze twee werkingen, zo schrijft hij in zijn commentaar op Romeinen 8 vs. 28, is er ook nog een derde werking voor degenen, die tussen beiden staan en die van het vlees overgaan naar de geest. Deze worden gekenmerkt als de pusillanimes, de kleinmoedigen of armen van geest, die daar sidderen als ze het woord uitverkiezing horen. Er is niets — zegt Luther — wat zo geschikt is om te verschrikken, te verootmoedigen en het hoogmoedige aanmatigende vertrouwen op de verdiensten te verstoren, als, de leer van de uitverikiezing. Wie echter bij het aanhoren vreest en siddert, die heeft aan deze angst het ,,optimum et felix signum", het hoogste en gelukkige teken, want — zo voegt Luther er bij — juist een angstig gemoed, dat God vreest, belooft God Zijn hulp. Wie aan zichzelf vertwijfelt, bewijst, dat het Woord Gods zijn werk aan hem verricht. „Daarom, wanneer iemand zeer vreest, dat hij niet uitverkoren is, hij zegge met zulk een vrees dank en hij verheuge er zich over, dat hij vreest, daar hij met vertrouwen weet, dat God niet liegen kan. Die gezegd heeft: ,,Een angstige geest, dat wil zeggen een vertwijfelde, is God een offer, een verslagen en gebroken gemoed, zult Gij o God niet verachten".
Bij de verdoemde vinden we zulke toestanden van vrees niet, hij zegt aanmatigend' ; „Ben ik verdoemd, zo zal ik verdoemd worden". Ergens elders zegt Luther: „De vreze voor God is een doorgangsweg om de goddelijke genade. te ontvangen". Hoe werd Luther van zijn uitverkiezingsangst verlost ?
Op meerdere plaatsen, o.a. in zijn Tischreden en Genesiscommentaar, schrijft Luther hoe Staupitz hem in die grote nood heeft geholpen. Toen Luther in vertwijfeling en angst over de Uitverkiezing bij Staupitz kwam, troostte deze hem met de volgende woorden : Cur istis speculationibus te crucias ? Intuere vulnera Christi et sanguinem pro te fusum. Ex istis fulgebit praedestinatio. „Wat kruisig je jezelf met deze speculaties? Zie naar de wonden van Christus en Zijn bloed, dat voor u vergoten is. Daaruit zal de uitverkiezing voor je stralen".
Luther is door dit woord machtig getroost geworden, zodat hij later in zijn leven nog telkens op dit woord teruggrijpt.
In de wonden van de Heiland straalt onze verkiezing !
De gekruisigde Christus is het enige antwoord op alle Uitverkiezingsvragen.
Misschien kan Staupitz, zoals hij Luther geholpen heeft, met dit woord ook ons nog helpen.
Staupitz en Luther zijn heengegaan.
Maar nog glanst het Kruis van Golgotha voor al de aangevochtenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's