De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HUWELIJK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HUWELIJK

8 minuten leestijd

Oorsprong

Nu wij in grote trekken gesproken hebben over de voorbereiding tot het huwelijk en de kerkelijke huwelijksinzegening, moeten wij vanuit deze gedachten dieper doordringen tot de oorsprong van het huwelijk.

Reeds in Genesis 1 wordt iets van het geheimenis ontsluierd, wanneer daar staat, dat God de mens schiep als man en vrouw naar Zijn beeld en gelijkenis. De mens is man of vrouw, maar God beslist of wij als man of als vrouw geboren worden, ieder met eigen aanleg en geaardheid. Bovenal wordt hier geleerd, dat man en vrouw een éénheid zijn, die als zodanig Gods beeld vormen.

In Gen. 1 vs. 27 staat: „man en vrouw schiep Hij ze", maar de grondtekst heeft eigenlijk : manlijk en vrouwelijk schiep Hij ze. Dit beeld heeft dus ook betrekking op het genererend vermogen van de mens als man en vrouw, waardoor het menselijk geslacht wordt in stand gehouden. Dit vermogen is dus kennelijk een goddelijke gave. En het is mede deze gave, die zulk een grote rol speelt in het liefdeleven van de mens en daardoor in het tot stand komen van een huwelijk. Het is immers die geheimzinnige macht der liefde, die twee mensen tot elkander brengt en waaruit straks het kind geboren wordt, als een erfdeel des Heeren. Hier gaat het dus over het sexuele leven van de mens, waarover ook onder Christenen soms zulke dwaze dingen gezegd kunnen worden.

Wij behoren echter altijd te bedenken, dat wij hier te maken hebben met Gods scheppingswerk. God heeft deze geslachtelijke onderscheiding gewild en daarom heeft Hij de mens zo geformeerd. En wat God rein acht, zal de mens niet onrein achten. Het sexuele leven is dus een goddelijke gave, niet hoog genoeg te waarderen. Daarom is het zo te betreuren, dat met deze dingen zo vaak de draak wordt gestoken en — wat nog erger is — dat op dit gebied zoveel geknoeid wordt. Velen echter beschouwen alles wat met deze dingen te maken heeft, als iets lelijks, iets gemeens, waar je als fatsoenlijk mens niet over behoort te spreken. En daarom zwijgen zij ook in alle talen over deze zaak tegenover hun kinderen, die er nu helaas, op straat maar achter moeten komen. Maar op welk een wijze geschiedt dit gewoonlijk. In de vorm van ongepaste verhalen en ondeugdelijke moppen. Daarom is het de plicht der ouders op tijd met hun kinderen te spreken, opdat zij het vroeg leren zien als een goddelijke gave. ledere andere beschouwing is een miskennen van Gods scheppingsgedachte! Daarom juist moeten wij eerbiedig met deze dingen omgaan en er eenvoudig en teer over spreken. Alles wat met het sexuële leven samenhangt gemeen te achten, is zeker niet christelijk. Integendeel, het is zuiver heidens.

Gods Woord leert ons anders denken, wijst zelfs op het mysterie van Christus' verhouding tot Zijn gemeente. In de heidense gedachtenwereld der Griekse oudheid, meen­de men, dat de geest toch eigenlijk veel hoger stond dan het lichamelijke. Daarom kenden zij ook alleen maar een zondigen met het lichaam, alsof de zonde steekt in het schepselmatige. Opmerkelijk is, dat gelijksoortige gedachten ook nu nog altijd voortleven. Ook nu zijn er nog vele Christenen, die menen, dat het met de zonde uit zou zijn, als zij maar geen lichaam bezaten. Maar Christus heeft ons juist met het oog op het 7de gebod geleerd, dat wij ook met onze gedachten (geest) echtbreuk kunnen plegen. Het is dan ook uit de Griekse filosofie, die aanvankelijk grote invloed oefende in het leven der oude Kerk, te verklaren, waarom de gedachte, dat het sexuele zondig zou zijn, zo hardnekkig is blijven bestaan. In zekere zin leeft deze gedachte ook nog voort in het gedwongen ongehuwd-zijn der Roomse priesters, hoewel anderzijds het huwelijk door de R. K. Kerk juist is verheven tot sacrament. De Schrift leert ons echter, dat God in het sexuele leven die wondere voortplantingsmacht heeft geschapen, waardoor wij in het huwelijk als man en vrouw samen een gezin zouden kunnen vormen tot verrijking van ons leven ; tot voortzetting van het menselijk geslacht; tot uitbreiding van het Koninkrijk Gods en daarmede tot Gods eer.

De oorsprong van het huwelijk ligt dus in deze door God geformeerde geslachtelijke onderscheiding. En hiermede nauw verbonden is die tweede rijke gave, die God ons schenkt: de liefde. Helaas is er door de zonde veel bedorven, vooral op dit terrein van het huwelijk, doch die liefde is er nog. En de liefde is uit' God, van Wien ook het vaderschap zijn naam heeft. En dit stelt alles wat er mee samenhangt op een zeer hoog plan. Rijk is de tijd, waarin de jonge liefde opbloeit als een ontluikende roos.

Salomo zegt er van : vele wateren blussen de liefde niet uit, stromen spoelen ze niet weg. Al gaf iemand al de schatten van zijn huis, men zou hem smadelijk afwijzen. Het Nieuwe Testament kent eigenlijk twee woorden, die beide liefhebben betekenen, doch met een diepgaand verschil. Wij kunnen dit slechts aanduiden door te spreken van lichamelijke liefde en geestelijke liefde.

Het eerste heeft dan meer de betekenis van ,,houden van", terwijl het tweede meer aanduidt een zielsverwantschap. Dit komt o.a. duidelijk uit in het gesprek van Jezus met Petrus na de opstanding. Tweemaal vraagt de Heere naar die hogere liefde, de derde maal is de vraag eigenlijk : houdt gij van Mij ! Vandaar Petrus' droefheid, nu 't lijkt of Jezus zelfs aan deze lagere liefde twijfelt. (Joh. 21 vs. 15—18).

Maar het zal wel duidelijk zijn, wat met deze onderscheiding bedoeld wordt ten aanzien van het huwelijk. Wanneer er alleen maar een lichamelijke liefde is tussen man en vrouw, is het gevaar groot, dat men alles van het lichamelijke samenleven verwacht, en dit moet onherroepelijk tot grote teleurstelling leiden. Blijvende liefde is alleen daar, waar men elkander ook geestelijk liefheeft. Vandaar, dat het ideale huwelijk daar is, waar man en vrouw elkander liefhebben als broeder en zuster in Christus, omdat dit een eeuwigheidsband vormt. Dat bedoelt immers ook een huwen ,,in den Heere". In zulk een huwelijk vindt de wederzijdse verhouding een afschaduwing in de verhouding van Christus en de gemeente. Immers in en door Jezus Christus weten wij eerst ten volle wat liefde is. (Joh. 3 vs. 16). En ik denk hier ook aan dat eigenaardige woord van Joh. 31 vs. 34 : „een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefhebt, gelijk Ik u liefgehad heb . . . . ." Dit woord sprak Jezus na de voetwassing, een werk van nederige en dienende liefde, als beeld van Christus' komst in de armoede van deze wereld, niet om gediend te worden, maar om te dienen en Zijn leven te geven tot een rantsoen voor onze zonde. De liefde, die de Heere hier van Zijn discipelen tegenover elkander eist, gaat dus dieper dan het: uw naaste liefhebben „als uzelven". Neen, méér dan uzelf, n.l. gelijk Christus ons heeft liefgehad tot in de dood. Daarom kan dit een nieuw gebod genoemd worden. Dat is eerst „Christelijke liefde", waar men bereid is tot offer en dus tot zelfverloochening. Misschien mag dit wel het wezen van het „christelijke huwelijk" genoemd worden. In het paradijs, waar God eens het huwelijk instelde, moet de liefde ook wel volmaakt geweest zijn. Doch door de zonde is veel verbroken, wat alleen door de genade in Christus weer geheeld kan worden ; dat is door het nieuwe leven des geloofs, dat uit God is. Alleen door het herscheppend werk van de Heilige Geest is ook een vernieuwd huwelijksleven mogelijk. Dr. van Royen spreekt in zijn „Christelijke Ethica" van de hogere geestelijke liefde als ,,agapè". Daarnaast plaatst hij de lichamelijke liefde als ,,eroos", die zichzelf zoekt en die zich wil uitleven, met name in het sexuele. Het feit, dat Adam en Eva zich met bladeren dekten, acht hij de omhulling van het „zondige ik" tegenover God, terwijl dit „zondige ik" zich juist weer onthullen kan in de vereniging van man en vrouw.

Het gevaar van de „eroos" blijft alzo in het huwelijk. Daarom is er zoveel pijnlijke spanning en schrijnend leed. Dit Ik-zoekend leven blijkt de tragiek te zijn van het leven en kan slechts opgevangen worden in het waarachtig christelijk huwelijk. Aldus dr. Van Royen.

Dit komt overeen met wat wij boven zeiden van het „nieuwe gebod", dat de Heere Christus ons gegeven heeft, niet zichzelf te zoeken, maar zichzelf te offeren terwille van de ander. En dit, kan slechts daar, waar men heel dicht bij de Heere leeft.

Alle dingen zijn mogelijk door Hem, Die ons heeft liefgehad. .  . . . . !

In een volgend artikel willen wij trachten nog dieper in te gaan op het meer intieme leven binnen het huwelijk, met de problemen daaraan verbonden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HUWELIJK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's