Ontvangen Boeken
Christelijke Huiskalender Immanuël. Uitgave : H. Veenman & Zonen, Wageningen.
Deze kalender kunnen wij als de „Confessionele" kalender aanprijzen, gelijk blijken kan, als wij de namen der medewerkenden afdrukken : ds. H. Bakker (Amsterdam), ds. J. H. F. Engel (Rotterdam), ds. A. Groot (Scheveningen), ds. J. J. C. Karres (Apeldoorn), dr. A. F. N. Lekkerkerker (Utrecht), prof. dr. G. C. van Niftrik (Amsterdam), ds. J. D. Planten (Vierhuizen. Gr.), ds. J. J. Poldervaart (Nijverdal), dr. G. J. Streeder, ds. G. Verdoes Kleijn, ds. J de Wit (Leiden), ds. J. R. Wolfensberger (Amsterdam).
De N.C.R.V. Kalender 1950. Uitgave N.V. Gebr. Zomer & Keuning's Uitgevers-Mij., Wageningen.
Een aardig schild met een aantal heel mooie afdrukken van Nederlandse schilders. Verder een 14-daagse kalender, met foto's van bestuursleden, studio, enz.
Bij de kalender behoort een goed uitgevoerd boek, groot formaat, „Nederlandse Schilderkunst" met interessante beschrijving. Bedoeld is de afdrukken van de kalender in dit boek op de daarvoor aangewezen bladzijden in te plakken, zodat het een keurig geheel wordt.
Hervormde Dagkalender 1950. Uitg. : Boekencentrum N.V., 's Gravenhage. Prijs ƒ 1.75.
Het schild, getekend door G. J. Haalboom, munt uit door eenvoudigheid, al bedoelt het niet zo simpel te zijn als men op het eerste gezicht zou menen. Bijna onzichtbaar rijzen uit de achtergrond een kruis en een monogram L H. S. (Jezus Christus Zaligmaker) op, terwijl in duidelijke letters de tekst u tegemoet komt: „De Meester is daar en Hij roept u".
Men wil hier volgens bijgaande verklaring de diepe samenhang tussen woord en beeld uitdrukken.
Een 20-tal predikanten hebben de Schriftoverdenkingen verzorgd. Voor zover wij daarvan kennis namen, zijn zij in de stijl, welke de nieuwe koers als specifiek „Hervormd" wil aanprijzen.
Enige uitgaven van de Hervormde Jeugdraad.
De redactie ontving enige kleine geschriften, uitgaven van de Hervormde Jeugdraad. Wij mogen niet nalaten wederom op de vreemde figuur te wijzen, welke zich hier voordoet. De Jeugdraad is orgaan van de kerk, zeg van de Generale Synode. Hoe moeten wij deze uitgaven nu ontvangen ? Als officiële door de Synode geauthoriseerde uitgaven, of als niet-officiële publicaties van de Jeugdraad ?
Dit laatste gaat natuurlijk niet aan. De Synode kan de verantwoordelijkheid voor pubhcaties harer organen niet op deze afschuiven.
Ligt het anderzijds in de bedoeling om de Raden zulk een grote mate van zelfstandigheid toe te staan, zo, dat zij op eigen gezag publiceren kunnen, zoals hier gebeurt en een soort nieuwe leer schijnen te willen verdedigen, dan kan daarvan geen heil voor het kerkelijk leven worden verwacht.
Wij hebben hier voor ons :
1. Christen heten. Christen zijn.
2. Ontmoetingen met Jezus.
3. Het leven der Gemeente.
4. Het Avondmaal.
5. Ruth.
Van verschillende schrijvers.
Op onderscheidene punten blijkt, dat deze voorlichting wordt gedragen door een geloofsbeschouwing, welke meer door een kerkelijk en politiek ideahsme dan door de belijdenis wordt bepaald. Telkens stuit men op het vooroordeel tegen een niet begrepen Schriftgeloof op de grondslag der reformatie, tegen Christelijke organisaties en „traditionele Christelijke beginselen", tegen de antithese, enz. (Vgl. het eerstgenoemde, blz. 7). Doodstraf en leviraatshuwelijk worden op één lijn gesteld. (Ruth., blz. 25). Dit voorbeeld, met vele Schriftcritische opmerkingen te vermeerderen, welke men in deze litteratuur aantreft, kunnen slechts verraden, hoe weinig inzicht men heeft in de Schrifttheologie der reformatie en in de geschiedenis der openbaring.
Wat wordt aangewezen als het ware Christen-zijn, op een basis van vaagheid en scepsis, wordt op blz. 8 van het betreffende geschrift o. a. omschreven als volgt : ,,Het gaat niet om allerlei waarheden, ook niet allerlei ,,Christelijke" waarheden, (om van eeuwige beginselen e.d. niet te spreken), Het belijden, het getuigen is niet een strijd voor allerlei waarheden en principes. Het is ,,Zijn Naam belijden", d.w.z. er voor uit komen, dat Jezus de Redder, de Heer der wereld is. Er voor uitkomen, zelfs al zou het lijden kosten".
Wij willen dit zo ernstig mogelijk nemen : ,,Zijn Naam belijden". Indien dat nu alleen zou betekenen : zeggen, verkondigen, dat Jezus de Redder, de Heer der wereld is", kan men dan in ernst verwachten, dat iemand, die zich daartoe bepaalt, ooit om dat belijden zal worden vervolgd ?
Nader wordt nog eens gezegd : „Dit kan concreet? alleen maar betekenen : „je Bijbel lezen, bidden, delen in de eredienst van de kerk, prediking en sacramenten".
Dan kan het lijden dus alleen maar komen als Bijbellezen verboden wordt door een wereldlijke macht, of de kerk gesloten wordt.
Dat zal echter ook niet spoedig gebeuren, als het belijden van de Naam des Heeren zich bij de hier verdedigde „Christelijke levensstijl" bepaalt.
Hoe anders wordt het, als het belijden van de Naam des Heeren in ,,woord en daad", of anders gezegd, in leer en leven, ons noopt om telkens weer ,,neen" te zeggen, als er van ons iets wordt gevergd, dat wij om Zijnentwil niet doen kunnen. De oude Christenen kwamen in conflict met de staatsgodsdienst en de keizervergoding.
Dan komt de gehoorzaamheid aan de geboden des Heeren in het geding.
In deze geschriftjes wordt doorlopend gewezen op wat ,,Jezus" deed. (De belijdenis van Jezus als ,,Heer der wereld", mocht ook daarin wel tot zijn recht komen, dat men van Heere Jezus sprak). Deze boekjes spreken ook veel van Farizeërs en veel critiek, op het traditionele Christendom uitgebracht. Christelijke organisaties hebben b. v. is de wijze der Farizeërs. Het schijnt, dat dit op de Jeugdraad, welke practisch niets anders is dan een jeugdorganisatie en wel een, die zelfgenoegzaam geleid wordt om een Christendom op eigen houtje te drijven, niet van toepassing is.
De Heere Jezus bestraft de Schriftgeleerden en Farizeërs ernstig. Dat is waar. (Vgl. Matth. 23).
Maar — in Matth. 23 vs. 1 v.v. lezen wij, dat de Farizeen en Schriftgeleerden zitten op de stoel van Mozes en dat de Heere Jezus tot de scharen en tot Zijn discipelen zegt :
,,Daarom, al wat zij u zeggen, dat gij houden zult, houdt dat en doet het, maar doet niet naar hun werken, want zij zeggen het, en doen het niet".
De Farizeer wordt niet veroordeeld, omdat hij gehoorzaamheid aan de Wet predikt, maar omdat hij dit geveinsdelijk doet en wat hij anderen voorhoudt, met de vinger niet aanroert.
En in vs. 23 van hetzelfde hoofdstuk : ,,Gij vertient de munte, en de dille en de komijn, en gij laat na het zwaarste der Wet, n.l. het oordeel, en de barmhartigheid, en het geloof. Deze dingen moest men doen. (T.w. het oordeel, en de barmhartigheid en het geloof betrachten) en de andere niet nalaten).
Deze woorden van de Heere Jezus laten aan duidelijkheid niet te wensen over en tonen aan, dat de Wet de eis stelt van waarachtig geloof en nauwgezette vroomheid.
Een puriteinse Zondagsheiliging, waartegen men ook al bezwaar schijnt te hebben in deze kring, wordt derhalve door Christus niet veroordeeld, indien deze uit waarachtig geloof opkomt.
Daar ligt de zaak.
Men diende de eis van het andere niet na te laten, welke Christus aan de scharen en aan Zijn discipelen stelt, van te doen, wat de Farizeen en Schriftgeleerden, „op Mozes' stoel gezeten", dus overeenkomstig de Wet, gebieden, aan de jeugd niet te onthouden.
Dat doet men hier in deze boekjes.
Men leert hen mede-Christenen uitmaken voor Farizeërs !
En men heeft er klaarblijkelijk geen oog voor, dat Christus deze veroordeelt, omdat zij van binnen vol doodsbeenderen en onreinigheid, vol geveinsdheid en ongerechtigheid zijn (zie vs. 27, 28), terwijl wij geen hartekenners zijn en het oordeel over het hart ons niet toekomt.
Laat staan, dat naar het woord van Christus bij hen, die men Farizeërs acht, mogelijk nog dingen worden gevonden, waarvan Christus zegt, dat men ze niet moet nalaten: Een zodanig luisteren naar de Heere Jezus schijnt men echter niet te willen. Dat kan ook daaruit blijken, dat men de jeugd, welke men tot voorwerp van zijn opvoeding wil maken, wel vermaant tot het lezen van de Bijbel, maar haar daarbij tracht te voorzien van een bril, welke slechts licht genoeg doorlaat om nog net te kunnen lezen wat deze leidslieden als het evangelie van Jezus Christus wensen voor te stellen.
Hoewel wij geloven, dat dit alles voor degenen, die ter goeder trouw zijn, op mislukking en teleurstelling moet uitlopen en dat anderzijds de Heilige Geest zich niet laat binden, zodat het lezen van de Bijbel mogelijk betere vruchten zal voortbrengen dan welke hier gezaaid worden, moet deze voorlichting in verschillend opzicht misleidend worden genoemd.
Onbegrijpelijk blijft daarom, hoe de Synode de verantwoordelijkheid voor deze jeugdleiding kan dragen.
Zelfs als een jeugdvereniging, die los is van de organisatie der kerk, zulke publicaties verspreidde, zou een Synode, die het Woord van Christus wil bewaren en de belijdenis der kerk niet tot een document zonder waarde wil maken, niet kunnen nalaten de kerk tegen dergelijke voorlichting te waarschuwen.
Genoeg om duidelijk te maken, wat zij, die wat beters voor kerk en jeugd wensen, moeten denken, indien de Synode de uitgave van deze geschriften toelaat en voor haar rekening neemt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 november 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's