De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Het „ongeloof” der gelovigen

12 minuten leestijd

Genesis 17 vers 17. Toen viel Abraham op zijn aangezicht en hij lachte ; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaar oud is, een kind geboren worden, en zal Sara, die negentig jaar oud is, baren ?

Indien onder de mensen iemand verschijnt in schier bovenaardse glans en luister, dan is het wel Abraham, de vader der gelovigen. Deze eerste aartsvader is één van de allergrootsten in het Koninkrijk der hemelen. Hij was een vriend Gods, een verkorene en beminde vóór de grondlegging der wereld. Vele malen openbaarde de Heere zich aan hem in gezichten en dromen. Abraham heeft betekenis voor het volk van de oude dag, maar niet minder voor de Nieuw-Testamentische gemeente. De bede van ons hart mag wel zijn: Geef, Heere, dat wij in geestelijk opzicht zonen en dochteren van Abraham mogen zijn; behoren mogen tot het volk, uit Abraham gesproten".

Abraham's geschiedenis is onder ons overbekend. Wij kunnen deze geschiedenis wel zeer kort samenvatten in een tekst uit Hebr. 11 : ,,Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen gewoond met Izak en Jacob, die medeërfgenamen waren der zelfde belofte".

Zijn geloof treedt telkens op de voorgrond. Door het geloof kan hij zich zonder verwijt of ergernis neerleggen bij de keuze van Lot, die voor zich het klaarblijkelijk beste deel van het land kiest. Door het. geloof kan hij, als deze zelfde hebzuchtige Lot in moeilijkheden is gekomen, de drie honderd en achttien onderwezenen, de ingeborenen van zijn huis, wapenen, de vijand achterna jagen en Lot en al zijn have wederbrengen. Inderdaad: Abraham is een geloofsheld. Wie weten wil, wat het geloof vermag, leze de indrukwekkende geschiedenis van Abraham met ontroering, tot zijn beschaming. Maar ook: tot zijn vertroosting. Want, waar wij in het leven zoveel lafaards en slappelingen ontmoeten, daar doet het weldadig aan te horen, dat er ook andere mensen zijn. Dat er geloofshelden zijn ! Dat er een volk bestaat, welks God de Heere is ; een volk, dat nog een ander geklank kent dan het lokkend geluid van de helse vogelaar ; een volk, dat van een krachtbron weet en een lied kan zingen : „in Christus zijn wij meer dan overwinnaars !"

Troostrijk is de geschiedenis van Abraham., die God kende, gehoorzaamde, liefhad, boven alles ; zó lief had, dat hij zelfs zijn eengeboren zoon Hem ten offer wilde brengen.

Troostrijk is Abraham's geschiedenis. Niet alleen, als we letten op het leven in het algemeen, het leven met zijn gemeenheid, liederlijkheid, geraffineerdheid, zelfzucht, ontucht, woordbreuk, hooghartigheid, bruutheid. Maar ook, indien wij letten op ons eigen leven, ons eigen hart. Want op zijn mooist gevoelen wij ons vaak, als wij iets van de dingen van Gods Koninkrijk mogen verstaan, als een schuchtere jongeling, die geneigd is, naakt, met achterlating van zijn fijn lijnwaad, te vluchten, wanneer men om Christus' wil, slechts één vinger naar ons uitsteekt.

Ach, ons geestelijk leven, ons geloof, gelijkt menigmaal meer op een glimmende vonk, verborgen onder een berg as en sintels, dan op een helder flakkerende flambouw. Gelijkt meer op een geel-groen, pril uitspruitsel, in het vroege voorjaar, dan op een forse eikeboom, die zijn wortels diep in de aarde slaat en zijn kruin verheft in de azuren lucht. Gelijkt meer op een zwak, steunend kindeke, uitgeteerd door een verraderlijke ziekte, dan op een jongeling met een lenig, soepel lichaam, in de bloei der jaren en met de blos der gezondheid op de wangen. 

Welke ernstig gelovige heeft zich niet dikwijls afgevraagd : is mijn geloof geen inbeelding en zelfbedrog ? Wij kunnen ons zo diep ellendig gevoelen vanwege onze ontrouw, onze liefdeloosheid, biddeloosheid, innerlijke verkilling, verstijving, verstarring, vanwege ons ongeloof !

En dan is het troostrijk om Abraham's geschiedenis te lezen. Dan is het troostrijk om te lezen van Abraham's geloof, zijn oprecht, zijn waar, zijn door de Heilige Geest gewekt geloof.

Het kan toch blijkbaar anders ! Er zijn dan toch mensen, die op de Heere vertrouwen, geheel en al, wier. hoogste lust het is Zijn werk te roemen en Zijn gebod te volbrengen.

Troostrijk. En toch, indien wij alléén wisten van Abraham's rotsvast en onwankelbaar geloof, zouden we mogelijk door de geschiedenis van de eerste aartsvader meer verontrust en terneergeslagen, dan vertroost worden.

is met mij nog volstrekt mis en volkomen fout. lik weet nergens van. Ik ben geen christen, maar een pure heiden. We mogen wel dankbaar zijn, dat God de „deugden" van Zijn Sion heeft laten optekenen, maar dankbaarder nog kan het ons stemmen, dat de eerlijke, trouwe Bijbel ook van de ondeugden van Gods kerk gewaagt. Ieder versta mij wèl. Het behoeft geen betoog, dat deze ondeugden piet verhaald worden ter navolging. Eerder tot een afschrikwekkend voorbeeld. Want niemand van Gods kinderen zondigde voorheen of zondigt thans, goedkoop. De zonde moet duur betaald. Satan, deze hardvochtige tiran, schenkt ons, zomin als Shakespeare's Shylock, één penning !

Geen oprecht christen zal de ondeugden der vromen gebruiken als voorwendsel, als dekmantel voor eigen zonden. Maar wie zal het getal tellen dergenen, die troost geput hebben juist uit de omstandigheid, dat bijkans van iedere Bijbelheilige afdwalingen staan opgetekend, dat het „ongeloof" der gelovigen wordt vermeld ?

David valt in uitbrekend kwaad en zondigt gruwelijk tegen het 6e en 7e gebod. Deze man naar Gods hart kende zijn slingeringen en twijfelmoedigheid en stekte zich niet altijd in de Heere, zijn God, doch vreesde soms door de hand van zijn vijand te zullen omkomen.

Elia klaagt onder de jeneverboom : ,,Het is genoeg; neem nu, Heere, mijn ziel!" Petrus verloochent zijn meester. Thomas klaagt: „Als ik in Zijn handen niet zie de tekenen der nagelen, zal ik geenszins geloven". En zo zou ik kunnen voortgaan.

Van Abraham lezen wij, dat hij op zijn aangezicht viel, en lachte, lachte, als uiting van ongeloof en twijfel. Want met de verklaring, dat Abraham lachte, overweldigd van blijdschap, blijdschap vanwege de rijke, kostelijke belofte Gods, kunnen we niet meegaan. Als we de tekst onbevooroordeeld, onbevangen naderen en de tekstgeschiedenis aandachtig lezen, lijkt deze uitleg ons onhoudbaar. Zou Abraham's houding zó geweest zijn, en zou hij zich op deze wijze hebben geuit, indien hij overweldigd was geweest van vreugde ? Hoe is dan ook het vers, volgend op de tekst, te verklaren: „Och, dat Ismaël mocht leven voor Uw aangezicht" ? Dit kan, in het verband, toch moeilijk iets anders betekenen dan : dat er nog een kind uit Sara geboren wordt is onmogelijk. De Heere schenke Zijn gunst daarom aan Ismaël, Hagar's zoon.

Is het zielkundig nu beslist onmogelijk dat Abraham uit ongeloof en twijfel, heeft gelachen ? Abraham was geen heilige. Hij was een geheiligde. Zo wil de Schrift de uitdrukking ,heiligen" verstaan hebben. Heiligen, in de zin van volmaakten, bestaan niet. Ook Abraham is zondaar gebleven tot zijn laatste snik toe.

Abraham was een mens. Een mens met al de zondige aankleve van die. Een mens, niets menselijks was hem vreemd. Een mens, met menselijke zwakheden en gebreken ; een mens, die open en bloot stond voor ongeloof en twijfelmoedigheid.

Herinnert u zich maar de episode uit Abraham's leven, toen hij wegens hongersnood in Kanaan, uitwijken moest naar Egypte. Ook toen wentelde hij zijn weg niet op de Heere, maar hij verzon een menselijke list en verzocht zijn vrouw Sara, zich uit te geven voor zijn zuster. Want Sara was een vrouw, schoon van aangezicht, en Abraham vreesde, dat de Egyptenaren hem zouden doden en Sara in het leven behouden.

Abraham lachte. Hij twijfelde aan de ernst van Gods toezegging. Door deze lach des ongeloofs heeft hij God beledigd en bedroefd. Maar wie, onzer durft nu de staf des oordeels over Abraham breken ? Het zou een snood bedrijf zijn en een bewijs, dat de criticus de boosheid, de arglistigheid, het ongeloof van het menselijk hart, ook al heeft dit genade ontvangen, niet kent. Neen, wie zichzelf leerde kennen, verheft zich niet boven de aartsvader en kan alleen maar dankbaar zijn dat God ook het ,,ongeloof" der gelovigen, hun slingeringen en twijfelingen, heeft laten optekenen. Abraham was dus ook een mens, die, evenmin als wij, altijd op Gods toezeggingen vertrouwde, dwars door alle waarschijnlijkheden en onwaarschijnlijkheden, door alle mogelijkheden en onmogelijkheden heen. Ook Abraham heeft gelogen en gelachen. Dat is : heeft niet altijd bij en uit het woord van Gods belofte geleefd. Ook Abraham heeft boven het gelovig en vertrouwend hart, een plaats ingeruimd voor het denkend hoofd, het critisch verstand. Hoezeer kan ons troosten het ongeloof, het lachen van deze bevoorrechte man! Hoe dicht komt Abraham bij ons staan : geen heilige, maar een mens, een zondaar, als wij, die zo menigmaal lachen om Gods toezeggingen en hoofdschuddend staan tegenover 's Heeren beloften, wij, die het zo vaak te kwaad hebben met ons ongelovig hart.

Ook Abraham zag aan, wat voor, ogen was : een door ouderdom impotente man; een hoogbejaarde Sara, die het opgehouden was te gaan naar de wijze der vrouwen.

Abraham telde, rekende, cijferde. En wij, wij onderzoeken en schiften, wij ontleden en verbinden. We nemen als waar aan, wat wij zien en horen en tasten kunnen. O ja, wij schudden het hoofd over de grof-ongelovigen, die hardop en luidkeels verkondigen, dat de Bijbel een sprookjesboek is, goed voor kinderen, maar geen lectuur, waar volwassenen waarde aan mogen hechten. Volwassenen behoren in de werkelijkheid te staan. Die hakken met een houweel in rotsen ; spitten met een spade in de grond ; werken met zouten en zuren in een laboratorium en met messen, scharen en pincetten in een operatiezaal.

Dat is de werkelijkheid. Er bestaat slechts kracht en stof. Er gebeuren geen wonderen. Er is geen God, er bestaat geen geest, er is geen hemel, er is geen hel.

Ja, wij vinden dat wel héél erg. Maar zijn wij, goed rechtzinnige belijders, er nu wel helemaal zeker van dat in ons hart het ongeloof nooit aan het woord komt, ja, zelfs breed uit op de troon zit! We kunnen ons nu wel verbeelden, dat wij niet lachen om Gods beloften en toezeggingen, maar verbeelding is geen werkelijkheid. Weest gewaarschuwd voor het zelfbedrog van het arglistige hart. O, we willen onszelf zo graag bedriegen en : bedrogen zijn ! Daarom gruwen zovelen van een waarlijk ontdekkende prediking, van een woord : recht-op-de-man-af! Sommigen (moet ik zeggen : velen) begeren, dat dood en verdoemenis een goddeloze wereld op een krachtige, ja huiveringwekkende wijze aangezegd worden. Maar uiteindelijk moet het ,,vrome vlees" toch gestreeld, moet een pluim op de hoed, neen, niet van een arm, oprecht kind Gods — dat begeert zulks niet —, maar van een schijn-vrome, die wel veel over nederigheid spreekt, maar door al zijn belijdenissen en gebeden heen klinkt de verborgen roep : ,,eert me toch, eert me toch!" Hoe vaak heeft men het mij mèt en zonder woorden duidelijk gemaakt: dat niet! Ik wil niet tot de laatste vezel uitgebeend ; ik wil niet in mijn volle naaktheid tentoongesteld ! Ik wil wat schorten en bladeren behouden om mijn schamelheid te dekken.

Maar de waarlijk-vrome, de aan zijn diep bederf ontdekte belijdt: ik weet, - dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed, maar dan ook absoluut, geen goed woont. Ik ben, buiten Christus, een volstrekt verloren, goddeloos mens, die van nature lacht om Gods beloften en zelfs na ontvangen genade nog telkens weer vervalt tot goddeloos, ongelovig gelach.

Alleen : wij, kerkse, rechtzinnige mensen, lachen niet zo opvallend, als de wereld, die het uitschatert. Wij doen meer als Abraham, die met zijn gezicht op de aarde lachte. Zijn lach werd in het stof gesmoord. Het heeft er eerder de schijn van dat hij aanbidt, dan dat hij ongelovig lacht. Maar inderdaad lacht hij, zo goed als Sara lachte. Van Sara lezen wij, wanneer de Heere heeft gesproken : ,,Ik zal voorzeker weder tot u komen, omtrent deze tijd des levens, en zie, Sara, uw huisvrouw, zal een zoon hebben", dat zij bij zichzelf lachte, zeggende: ,,zal ik v/ellust hebben, nadat ik oud geworden ben, en mijn heer oud is ? " Maar Abraham's vrouw, die Gods vraag hoort : waarom heeft Sara gelachen, loochende het, zeggende : Ik heb niet gelachen ; want zij vreesde. En Hij, God, zeide : neen, maar gij hebt gelachen ! De Hartekenner en Nierenproever ziet de lach om de lippen, maar óok de lach in het hart van iedere sterveling. Hij weet van het ongeloof, ook van Zijn liefste kinderen. Maar breekt de lach van het ongeloof telkens door, die lach moet ook telkens weer verstommen, omdat het blijkt dat de Heere een waarmaker is van Zijn Woord, hoe onmogelijk Zijn toezegging en belofte ook schijnt. Abraham en Sara, die beiden ongelovig lachten, hebben dit ervaren. Izak is geboren. Het onmogelijke en onbegrijpelijke wordt werkelijkheid. Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen om zaad te geven, en boven de tijd haars ouderdoms heeft ze gebaard, overmits zij Hem getrouw heeft geacht. Die het beloofd had.

Uiteindelijk ligt op de bodem van het hart van een onherboren, plechtstatig kerkmens, wiens aangezicht zelden of nooit uit de plooi komt, ongeloof. En op de bodem van het hart van een herboren men, dat op zijn aangezicht valt en lacht, ligt geloof. En het ware geloof wordt nooit beschaamd. God heeft Abraham en Sara een lachen gemaakt. Al wie het hoort, zal met mij lachen ! Dat is het lachen des geloofs. Dat is de blijdschap uit en door en tot God. Wij lachten, juichten, onze tongen, verhieven 's Heeren Naam en zongen !

Ieder, die iets van het geestelijk leven kent, zal iets verstaan van Abraham's lach des ongeloofs. En zal er zich mee troosten dat zelfs de vader der gelovigen op een zeker moment in zijn leven ongelovig lachte.

Maar ieder, die iets van het geestelijk leven kent, zal óok iets verstaan van de lach des geloofs. Van een lach bij lege stallen en liegende vruchtbomen. Dan, in benauwde tijden, bij dreigend leed, zucht en murmureert de wereld. Maar Gods kerk, bespot om de dwaasheid, op zijn mooist de kinderlijkheid van haar geloof, lacht en juicht. Want Gods kerk kent het geheim van het ,,en toch" van het geloof en zingt wel uit de diepte : Zou God Zijn gena vergeten. Nooit meer van ontferming weten ? , doch eindigt altijd op de hoogte :

]a, Gij zijt die God, die d' oren, Wond'ren doet op wond'ren horen. Gij hebt Uwen roem alom. Groot gemaakt bij 't heidendom.

(Otterlo)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's