GEMENE GRATIE
Hoewel de belangstelling voor dit onderwerp onder ons niet bijster groot is, mag toch worden aangenomen, dat het uitgebreide werk van dr, Kuyper, „De Gemene gratie", althans onder de ouderen niet geheel onbekend is. Eveneens kan men weten, dat deze leer van verschillende zijden aan critiek is onderworpen.
Dr. Kuyper wijst er op, dat de oude dogmatici geen afzonderlijke behandeling der ,,gemene gratie" kenden ( dl. I, blz. 9). Enkele hoofdstukken werden behandeld bij de ,,deugden der heidenen", ,,burgelijke gerechtigheid", „natuurlijke Godskennis". Dr. Bavinck gaf een redevoering uit over de ,Algemene Genade" in 1894, en dr. Kuyper zette zich tot een volledige behandeling, welbewust, dat hij in dezen zijn eigen weg ging.
Hij gaat uit van de „lankmoedigheid" Gods, waaruit de „gemene gratie" geboren werd. Hij omschrijft die lankmoedigheid, als het goddelijk geduld, waarmee de Almachtige de zonde tijdelijk verdraagt (blz. 10). Daarbij beroept hij zich op enkele uitdrukkingen van Calvijn : o.a. : ,,Wij moeten in aanmerking nemen, dat in de algemene verdorvenheid, waarvan wij hebben gehandeld, de genade Gods enige plaats heeft, niet om die verdorvenheid der natuur te verbeteren, maar om ze terug te dringen en inwendig te temperen. Een genade derhalve, welke die verdorvenheid niet reinigt, maar inwendig bedwingt, zodat zij niet uitbreekt". (Vgl. Inst. II.3.3.).
Daar ligt dus het probleem. De menselijke natuur door de zonde ganselijk verdorven een stuk, waarbij Calvijn zeer nadrukkelijk en uitvoerig stilstaat. En toch - - hoe vaak wordt bij heidenen en ongelovigen een mate van rechtschapenheid en nobele zin aangetroffen, die Christenen vaak beschaamt ? (Vgl. Gemene gratie blz. 10).
De vraag dringt zich op : Is de natuur van de mens door de val zo ganselijk verdorven ?
Dit is niet alleen een vraag voor Calvijn, die zo thuis was in de classieke literatuur, welke daartoe inderdaad aanleiding geeft, b.v. de in zijn tijd veel gelezen geschriften van Seneca, maar die vraag blijft altijd actueel. Of komen wij in het leven niet in aanraking met mensen, die met ons niet vergaderen en zich onderscheiden door ,,rechtschapenheid en edele zin" ?
Wij willen natuurlijk niet ontkennen, dat èn in de oudheid èn in de moderne tijd de kentekenen van de verdorvenheid der menselijke natuur overvloedig zijn aan te wijzen, maar dat neemt niet weg, dat in die zondige wereld, om dr. Kuyper's woorden te gebruiken, ook buiten de kerk, zoveel schoons, zoveel eerbiedwaardigs, zoveel, dat tot jaroersheid verwekte", was.
Op dat schone en eerbiedwaardige moet het humanisme steunen en het is er niet weinig trots op, zó zelfs, dat het van zonde en verdorvenheid der natuur eigenlijk niet wil weten, maar, als het aan de gebreken komt, van onvolmaaktheid gewaagt.
En hoewel het in een tijd als de onze wel heel moeilijk gaat de ogen te sluiten voor de gruwelen der zonde, schijnt het humanisme dit toch te willen doen en zich in een ongegrond optimisme te sterken. Het spreekt van de rechten van de mens, van rechtvaardigheid en barmhartigheid als de pijlers van een nieuwe toekomst, welke het zich bereiden zal. Een modern Christendom sluit zich daarbij aan.
Zonde en verdorvenheid van ons geslacht worden door velen in en buiten de kerk niet meer ernstig genomen.
Wij kunnen nu wel zeggen, dat daarin des te meer de zonde en de verdorvenheid der mensen openbaar wordt, en dat is ook zo. Wij kunnen ook zeggen, dat over de toenemende onverschilligheid van velen, die niet meer van God willen weten en niet meer „aan de kerk doen", de toorn Gods openbaar wordt, wijl Hij hen overgeeft in hun eigenwillige wegen.
Dat mag alles zo zijn. Wie de geschiedenis der mensheid aanziet, moet echter met Calvijn bekennen, dat de humanisten altijd nog kunnen wijzen op verschijnselen, waaraan zij argumenten tegen ons ontlenen, als ware het laster tegen de menselijke natuur van onze ganse verdorvenheid te spreken.
Het antwoord van Calvijn nu was : Gij vergist u, want het schone, goede en welluidende, waarop gij u beroemt, komt niet uit de mens, is niet van de mens en komt hem ook niet toe, maar in dat alles is een goddelijke genade, die de zonde inwendig bedwingt, opdat zij niet uitbreekt.
Van deze gedachte van Calvijn uitgaande, heeft dr. Kuyper zijn ,,Gemene Gratie" uitgewerkt.
In het bovenstaande kan genoegzaam zijn gebleken, dat Calvijn's beschouwing daartoe een gegronde aanleiding biedt, al wil dat nog niet zeggen, dat hij de ganse leer van dr. Kuyper zou hebben aanvaard, als zouden zijn beschouwingen in verschillend opzicht niet aanvechtbaar zijn. Dit kan intussen de grondgedachte niet treffen.
In het licht van het strenge oordeel Gods: ten dage, als gij van deze boom eet, zult gij de dood sterven, staan wij toch voor de op zichzelf onverklaarbare moeilijkheid, dat het leven der mensheid en de procreatie van het menselijk geslacht voortgang hebben gevonden, ondanks de zondeval en het oordeel des doods.
Daarin schuilt het probleem, als wij van probleem willen spreken. Het oordeel Gods kan niet anders betekenen dan dat de dood zal intreden, zodra de mens in overtreding komt tegen de wil van de God zijns levens. Derhalve is niet alleen het feit, dat er in de heidenwereld en bij de ongelovigen nog van ,,deugden" kan worden gesproken, maar niet minder, dat de geschiedenis van de mens ook na de zondeval nog voortgang heeft gevonden, in het licht van het strenge oordeel Gods een op zichzelf onverklaarbare werkelijkheid.
Gaat het oordeel Gods dan toch niet door, of is de mensheid niet zozeer verdorven, dat hij moest omkomen ? Immers zelfs een wijsgeer als Hobbes, die de mens ziet als een zoeker van zich zelf, dewijl hij alleen door een natuurlijke drang tot zelfbehoud zou bewogen worden, tekent hem als een wolf voor zijn medemens, die in een oorlog van allen tegen allen moest ten onder gaan. Dit deed hem zoeken naar een verklaring, hoe het niettemin mogelijk is, dat een geordende saamleving ontstond.
Wij laten zijn beschouwingen, die intussen van grote invloed zijn geweest op de ontwikkeling van het moderne naturalisme, verder rusten. Het is echter tekenend, dat deze man.er oog voor heeft gehad, dat een saamleving van egoïsten onmogelijk is.
Wij zouden het ook anders kunnen zeggen : dat een saamleving van goddelozen onmogelijk is. De Heilige Schrift geeft ons daarvan een klaar beeld in de geschiedenis van de Zondvloed. Zij tekent ons, hoe een geest van bruut geweld, die Lamech dreef, de overhand nam, hoezeer de goddeloosheid toenam en de tyrannie heerschappij nam tot een wis verderf. (Genesis 4 vs. 23 ; Gen. 6).
Dr. Kuyper begint met de Verbondssluiting van God met Noach, na de zondvloed. Hij noemt deze het vaste geschiedkundige uitgangspunt voor het leerstuk van de gemene gratie (a.w. I, blz. 11).
Terecht heeft dr. Kuyper de betekenis van het Noachietisch Verbond daarmede op de , voorgrond gesteld. Zonder twijfel ook heeft dit een voorname plaats in te nemen bij de beschouwingen over het onderhavige onderwerp. Denken wij slechts aan Genesis 8 vs. 22 : „Voortaan zullen alle de dagen der aarde, zaaiïng en oogst, koude en hitte, zomer en winter, en zo ook dag en nacht niet ophouden".
En toch zijn wij van oordeel, dat in het Noachietisch Verbond het begin niet is. Ook vóór dien heeft de mens geleefd. Seth heeft gewoond in zijn tenten en Kaïn, de broedermoorder, trok uit van voor het aangezicht des Heeren, maar nochtans met het teken van Gods bescherming. En hij bouwde zijn stad.
Het uitgangspunt voor dit leerstuk, als wij dat zo mogen noemen, moet gezocht daar, waar God Zijn straffende en tegelijk genadige hand uitstrekt tot Adam en Eva, toen zij in de zonde gevallen waren. (Genesis 3).
Wij lezen daar, dat de Heere God allereerst Zijn vloek uitspreekt over de slang. Daarna spreekt Hij van de strijd tussen het zaad der vrouw en het zaad der slang, en van de verlossing, welke de overwinning van het zaad der vrouw over het zaad der slang zal brengen, (vs. 15).
Het lijdt geen twijfel, dat met het beiderlei zaad mensen zijn bedoeld. Immers niet slechts Johannes de Dooper, maar ook de Christus zelf heet de goddeloze wederstrevers van Gods wil: addergebroedsel. Christus zegt tegen de Farizeen en Schriftgeleerden, die zich tegenover Hem beroemen Abrahams zaad te zijn : Gijlieden zijt uit uw vader, de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen ; die was een mensenmoorder van den beginne (Joh. 8 vs. 44).
Wijl de Heere van het zaad spreekt, wordt dus duidelijk, dat Hij de procreatie van het menselijk geslacht niet wilde afsnijden, want als Hij van het zaad spreekt, spreekt Hij van de kinderen en kindskinderen. De profetie van Genesis 3 vs. 15 getuigt er van, dat God de orde van het huwelijk heeft bevestigd, ondanks de zonde, en zij laat over deze bevestiging het licht van de Verlosser opgaan.
Deze bevestiging van de orde des huwelijks krijgt nog een bijzondere nadruk in het volgende vers (vs. 16), ,,met smart zult gij kinderen baren".
Wij menen dan oök, dat wij in de bevestiging van de huwelijksorde na de zondeval het Schriftuurlijk uitgangspunt moeten vinden voor het leerstuk, dat men als ,,gemene gratie" aanduidt.
Daarmede heeft de Heere geopenbaard, dat Hij geen lust heeft in de dood des goddelozen, maar daarin, dat hij zich bekere en leve. Het is het begin van de openbaring der verborgenheid, waarvan Paulus getuigt in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Efeziërs, n.l. dat Hij alle dingen in Christus wederom bijeen wil vergaderen, die in de hemel en op aarde zijn, en welke dingen daar verder worden aangeroerd.
Want immers uit de instandhouding van het huwelijk blijkt, dat de Heere de voortgang der geslachten uit het gevallen mensenpaar heeft gewild, ondanks de zonde. Zo ging het licht der genade op over het ganse geslacht.
Dit genadebestel Gods houdt voorts in, dat de Heere nog meerdere gaven heeft geschonken, opdat een saamleving van zondaren mogelijk ware. God heeft de mens een nieuwe arbeid gegeven onder de zon, om daarin bezig te zijn. Ook in het straffende woord, tot de man gesproken, dat hij in het zweet zijns aanschijns zijn brood zal eten, treedt het aan de dag. Het leven van de zondaar zal een leven van strijd en moeite zijn.
Maar ook in die strijd onthoudt de Heere hem niet de gaven, om hem die arbeid toch mogelijk te maken. Kaïn bouwt zijn stad en wordt een vader der cultuur. Wie meent, dat deze dingen uit de natuur of uit de mens moeten worden verklaard, doet tekort aan het goddelijk getuigenis. Jesaja bepaalt er ons bij, dat de mens ook de landbouw van God heeft geleerd. (Vgl. hoofdst. 28 vs. 23—29).
Er is dus wel aanleiding om van een gemene gratie te spreken, een genade, welke het leven van een verdorven geslacht op aarde mogelijk maakt, zowel door een inwendige beteugeling der zonde, zodat zij niet uitbreekt tot algeheel verderf, als door de verbeurde gaven van Zijn gunst, welke Hij daaraan toedoet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's