Fundamenten en Perspectieven
Aangeboden als een „proeve van hernieuwd reformatorisch belijden"
Reeds eerder hebben wij met een enkel woord op de aanbieding dezer ,,proeve" gewezen. De studie-commissie van de Geref. Bond heeft de nadere bestudering van dit geschrift op haar programma gezet en daarmede een aanvang gemaakt.
Bij de algemene beschouwingen kwamen enkele punten naar voren, die van belang zijn voor de beoordeling van het geheel.
De samenstellers van dit „leerboek" spreken de wens uit, „dat de Heilige Geest hun werk moge gebruiken, opdat wij tezamen tot eenheid van geloof, prediking en belijdenis mogen komen". (Ter inleiding, blz. 11).
Het standpunt, waarop men zich heeft gesteld en de methode, die men bij de samenstelling heeft gevolgd, komen ons echter voor door beschouwingen te worden bepaald, welke uit een oogpunt van kerkelijk denken tot ernstige critiek aanleiding geven. Wat het standpunt aangaat, is het duidelijk, dat men het draagvlak van het kerkelijk geloof, in de belijdenis der kerk gegeven, heeft verlaten om te streven naar een leidraad, welke in de huidige verwarring op het stuk van de leer de gewenste ,,eenheid in geloof, prediking en belijdenis", zou kunnen bevorderen, gelijk men meent.
Derhalve werd dit standpunt bepaald door de situatie van het ogenblik, met name door de tegenstellingen der richtingen en de theologische onkerkelijke, wellicht ook politieke adspiraties, welke zich daarin mengen, terwijl het eenheidsstreven werd gedragen door de idee van een gemeenschappelijk belijden, hetwelk, om een mode-woord te gebruiken, ,,dwars" door de tegenstellingen ,,heen", deze mogelijk zou kunnen opheffen, en in ieder geval negeren, hetzij dan met vriendelijk gebaar of onbeschaamd.
De Generale Synode drukt er ondertussen het stempel van „hernieuwd reformatorisch belijden" op, nadat zij dit ,,na uitvoerige bespreking in deze vorm heeft vastgesteld", zoals zij doet mededelen.
Het zou als een insinuatie kunnen worden opgevat, als wij de vraag stelden, of de Synode wel beseft, dat zij hier een geschrift voor „reformatorisch" verklaart, hetwelk in de meest fundamentele stukken van het belijden der reformatoren afwijkt en dat zonder enige gegronde rechtvaardiging.
Wij stellen deze vraag dan ook niet, gelet op haar vaststelling na uitvoerige bespreking, maar constateren slechts, dat zij een en ander verantwoord acht en voor haar rekening neemt.
Daarbij kan tevens worden geconcludeerd dat de Synode haar taak, de voorbereiding van een gereformeerde en presbyteriale kerkorde, zodanig blijkt op te vatten, dat zij onder de schijn van de religie der belijdenis te handhaven, een nieuwe leer aanprijst, welke opzettelijk vermijdt de grondslag van het geloof der kerk, waarop de vaderen zich beroepen krachtens het getuigenis des Heiligen Geestes, te erkennen.
,,Wie het doel van dit geschrift in het oog „houdt, zal verstaan, waarom geen aparte ,,leer van de Heilige Schrift werd opgesteld. ,,Wat ons in de Kerk samenbindt en tot een ,,gemeenschappelijk belijden bekwaamt, is ,,niet deze of gene opvatting aangaande het ,,Schriftgezag in formele zin (wij cursiveren), maar is het feitelijk gezag, dat de inhoud der Schrift (cursivering van ons) op ons uitoefent. Alleen door het buigen voor deze inhoud ontstaat het geloof in de Heilige Schrift als Gods Woord", (blz. 14).
Deze verklaring is even duidelijk als openhartig, en wij willen het een zowel als het ander waarderen.
Het doel van het geschrift, laat naar het oordeel der samenstellers niet toe, het allervoornaamste punt vast te stellen : de grondslag.
In het statuut ener burgerlijke vereniging wordt allereerst de grondslag vastgesteld en daardoor wordt bepaald, wie tot zulk een gemeenschap kunnen behoren en wie niet, hetgeen toch tot een goede samenwerking allereerst nodig is. Men zal dit wel erg burgerlijk noemen en mogelijk vinden de samenstellers het helemaal niet belangrijk, op welke grondslag men burgerlijk samenwerkt.
Kerkelijk althans huldigt men in dit opzicht voorstellingen, die op zijn minst verwarrend, om niet te zeggen misleidend zijn. Dat de kerk grenzen heeft, kan men niet weerspreken, gelet op de voorgestelde tuchtmaatregelen tot ontheffing en ontzetting toe. Desniettemin laat men opzettelijk achterwege „een aparte leer over de Heilige Schrift" op te stellen, (blz. 14).
Met het doel, dat men zich voorstelt, schijnt het overeen te komen, dat men het Schriftgezag aan de vrijheid van subjectieve opvattingen overlaat. Aan de belijdenis der kerk dienaangaande (Vgl. art. 2—7 der Ned. Geloofsbelijdenis) hecht men klaarblijkelijk slechts een formele zin. (Zie blz. 14).
Men wil dit verdedigen door te zeggen, dat het feitelijk gezag der Heilige Schrift door de inhoud op ons wordt uitgeoefend. ,,Alleen door het buigen voor deze inhoud ontstaat het geloof in de Heilige Schrift als Gods Woord", (blz. 14).
Het begrip buigen voor de inhoud is tamelijk duister. Breng dit eens over op een gewoon boek. Hoe wil men dan voor de inhoud buigen ? Buigen is erkennen van gezag, zich aan dat gezag onderwerpen. Buigen voor de inhoud zou dus betekenen, dat men voor een boek buigt, terwijl een iegelijk kan begrijpen, dat een boek met zulk een ontzagwekkende inhoud, op zich zelf geen gezag kan hebben, doch dat dit aan zijn auteur toekomt.
Hoe weinig de inhoud des Bijbels als zodanig tot het geloof in de Heilige Schrift als Gods Woord voert, kan de ervaring leren, als men de geschiedenis van het critisch Schriftonderzoek nagaat. Dit veelvuldig onderzoek van een ganse drom geleerden heeft toch niet kunnen plaats vinden zonder dat zij van de inhoud kennis namen. Edoch, het gezag aan deze ,,verzameling van Joodse en Christelijke geschriften" — gelijk men zich pleegt uit te drukken — toegekend, bleek relatief aan de maatstaven, welke men op allerlei gronden aan die geschriften en hun bekende of niet bekende auteurs meende te mogen toeschrijven. Doch zomin de astronoom God in de omwenteling der hemellichamen ontdekte, heeft dit onderzoek tot ontdekking van de goddelijke Auteur der Heilige Schrift geleid.
Alleen het historische feit, dat dit merkwaardige Boek in de wereld als orgaan van Gods openbaring werkt, afgezien van en ondanks de beschouwingen en resultaten van dat critisch onderzoek, stelt hen voor een moeilijk probleem.
Met dat buigen voor de inhoud is de zaak van het ,,feitelijk" gezag der Heilige Schrift niet opgehelderd. Dat heeft men mogelijk ook niet bedoeld.
Doch laten wij onderstellen, dat men, indien men die inhoud nader zou willen aangeven, zou zeggen : Christus is de inhoud, gelijk Hij zelf heeft getuigd. (Joh. 5 vs. 39). Welnu, dan zou men dus de bovenaangehaalde zinsnede als volgt mogen lezen : door het buigen voor de Christus ontstaat het geloof in de Heilige Schrift als Gods Woord. (Vgl. blz. 14)
Men zou dus eerst buigen of leren buigen voor de Christus, d.w.z. dat men eerst gelooft of leert geloven in de Christus en dit geloof zou dan weer het geloof in de Heilige Schrift als Gods Woord doen ontstaan.
Deze averechtse voorstelling zet niet alleen het Schriftgeloof achteraan, maar maakt het vrijwel overbodig. In dit verband wordt het duidelijk, dat men zich over de opvatting aangaande het Schriftgezag niet zozeer bekommert, omdat men dit een formele kwestie van ondergeschikt belang acht.
Er zou aanleiding zijn om te vragen, of er buiten de Heilige Schrift om een weg is tot kennis van de Christus, b.v. door innerlijk licht, intellectuele openbaring, of in hoeverre een aangenomen distantie tussen Schrift en openbaring hier in het geding mag zijn. Wij willen ons er echter bij bepalen, er op te wijzen, dat men zich radicaal distantieert van de gemeenschap met de belijdenis der vaderen en — wat van meer belang is — van de klare en duidelijke uitspraak van de Christus zelf. Het is niet moeilijk daarvan vele voorbeelden te noemen, maar laten wij volstaan met één, n.l. Matth. 26 vs. 54 ; waar Christus het goddelijk getuigenis der Schrift als openbaring van de wil des Vaders zo nadrukkelijk te kennen geeft en ons in gehoorzaamheid aan dat getuigenis een diep verootmoedigend exempel stelt, als Hij zegt: „Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeggen, dat het alzo geschieden moet ? "
Zo gaat de overste Leidsman des geloofs ons voor in gehoorzaamheid aan de Schriften, en stelt ons onder haar goddelijk gezag: „Zij hebben Mozes en de profeten, dat zij die horen".
En ook na Zijn opstanding bestraft Hij de Emausgangers : „O, onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben ! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan ?
En begonnen hebbende van Mozes en al de profeten, leide Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was". (Lukas 24 vs. 25 v.v.).
De hoogste Profeet en Leraar begint dus zelf met de Schrift en uit de Schrift te onderwijzen en datzelfde beveelt Hij ook aan de kerk. (Matth. 28 vs. 19).
Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben : en die zijn het, die van Mij getuigen. (Joh. 5 vs. 39).
Hoe kunnen de Schriften van de Christus getuigen, die bij de Vader in de hemel was, dan alleen, omdat dit getuigenis uit de hemel gegeven is ?
Zo bevestigt de Christus in Zijn bevel om de Schriften te onderzoeken, ook de waarachtigheid van dit getuigenis.
Twee dingen mogen in het licht der Heilige Schrift dus worden vastgesteld :
1e. dat de samenstellers ten onrechte de opvatting van het Schriftgezag een formele kwestie noemen, als ware het een louter subjectieve aangelegenheid.
2e. dat. zij zich slechte leerlingen van Christus betonen te zijn, die geen navolging verdienen, omdat zij, tegen het onbetwistbaar duidelijke voorbeeld en bevel van Christus in, niet met de Heilige Schrift beginnen en opzettelijk nalaten in gemeenschap met de kerk der eeuwen haar goddelijk gezag te belijden.
De conclusie ligt dan ook voor de hand, dat het standpunt, waarvan dit geschrift ten aanzien van de grondslag des geloofs uitgaat, uitgesproken vrijzinnig is. Alle vroomklinkende woorden en termen, die schijnbaar met de waarheid overeenkomen, kunnen dat niet camoufleren.
Het doel, dat de samenstellers zich hebben voorgesteld, is van zodanige aard, dat zij terwille daarvan ten aanzien van het Schriftgezag het reformatorisch geloof hebben ingeruild voor een vrijzinnig uitgangspunt.
De Generale Synode aanvaardt deze dingen niet alleen, maar drukt er het stempel op van : „hernieuwd reformatorisch belijden" en biedt het als zodanig aan de kerk aan.
Wat anders dan blindheid of opzettelijke onwil om de duidelijke uitspraak van de Christus der Schriften te erkennen, kunnen oorzaak zijn, dat de Generale Synode een dergelijk geschrift aan de kerk aanbiedt, en dat onder een cachet, hetwelk het aan de waarheid getoetst niet mag dragen.
Veelvuldig wordt er gewezen op de verantwoordelijkheid, die de kerk voor de wereld zou hebben, maar de Heren van de Synode mogen wel eens aan hun verantwoordelijkheid voor de kerk herinnerd worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 november 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's