De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Tussen reglement en kerkorde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Tussen reglement en kerkorde

7 minuten leestijd

Haast!

Telkens ontdekt men, dat de leiding grote haast schijnt te hebben om sommige beslissingen van de Generale Synode uit te lokken.

De voorbereiding van een kerkorde schijnt dat nodig te maken, ook als het juister voorkomt, dat men eerst de kerkorde afwachtte. Wij denken b. v. aan het seminarium, dat blijkbaar haastelijk tot stand moest komen, alsof de kerk geen dag zonder deze instelling kon blijven op gevaar van algehele ondergang. De voorbereiding van de kerkorde, zoals de heersende richting zich die voorstelt, schijnt het echter dringend nodig te maken.

Zo ware er meer te noemen, waardoor het begrip voorbereiding een bepaald richtingsaccent gaat vertonen.

Dezer dagen kwam namens het Moderamen der Synode bij onze Secretaris een antwoord binnen op het schrijven van het Hoofdbestuur aangaande de knielbanken in de Maranatha-kerk.

Daarin wordt medegedeeld, dat de kerkdiensten en de inrichting van het kerkgebouw in de eerste plaats berust bij de plaatselijke gemeente.

Daarnaast verwijst zij naar ,,Aanwijzingen voor gemeenten en bouwmeesters ten gebruike bij het ontwerpen en bouwen of het restaureren en inrichten van Nederlandse Hervormde kerkgebouwen".

Deze „Aanwijzingen" werden door de Generale Synode in haar vergadering van 9 Juni 1947 te Groningen gegeven volgens een concept van de Hervormde Raad voor Kerk en Eredienst, tezamen met de Bouwen Restauratiecommissie.

Punt V spreekt van dat deel van het kerkgebouw, waar Doop en Avondmaal worden bediend en een daarmede overeenkomende ruimte. Alles, wat in de dienst nodig is, kan zijn vaste plaats in deze ruimte krijgen, waarbij echter zorg gedragen wordt dat de Avondmaalstafel door vorm of aankleding niet het karakter krijgt van een altaar.

Verder wordt da'arin gezegd : ,,Daar in de Christelijke Kerk, ook in de tijd van de Reformatie, de gebedshouding de knielende is geweest, is het goed en allerminst onschriftuurlijk idoor de constructie der banken en stoelen hiertoe gelegenheid te geven".

Niemand zal beweren, dat de knielende gebedshouding onschriftuurlijk is. Indien in een plaatselijke gemeente een drang naar de knielende gebedshouding, ook in de samenkomst der gemeente, mits overigens het gereformeerd karakter van de Dienst des Woords gehandhaafd wordt, zulks rechtvaardigt, wie zou er tegen zijn daartoe gelegenheid te geven ?

Daartegen gaan onze bezwaren niet. In sommige gemeenten schijnt het gewoonte te worden de zittende gebedshouding te prefereren, waartegen tenslotte ook geen principieel bezwaar kan worden ingebracht, alhoewel het ons voorkomt geen aanbeveling te verdienen, dat de mannen de staande gebedshouding opgeven.

Het raakt meer onze bezwaren, als punt V waarschuwt tegen vorm en aankleding van de Avondmaalstafel, welke daaraan het karakter van een altaar geven. Hier komt de vrees voor de offergedachte om de hoek kijken.

Reeds daarom moet ernstige bedenking rijzen tegen een vaste Avondmaalstafel. De waarschuwing van de Generale Synode geeft reeds een bewijs, dat er grond is voor zulk een bedenking.

Ook op practische gronden is het streven naar een vaste Avondmaalstafel niet aan te bevelen. Men kan toch moeilijk een zo grote ruimte met een toereikende grote tafel permanent inrichten, als nodig is, indien velen toetreden. In een gezond kerkelijk leven zal het gebruik van het Avondmaal zeker toenemen en zal er behoefte zijn aan uitgebreide tafels.

Stel al, dat men zulke uitgebreide tafefs voor vast wilde houden, hoe zou men zulk een tafel willen aankleden ? Toegericht als voor het gebruik gereed ? Misschien zelfs met brood en wijn ?

Hoewel dit enerzijds logisch zou zijn, zou dit niet alleen op practische bezwaren stuiten, maar, hoe logisch ook, het zou toch gerede aanleiding geven tot bedenkelijke misvattingen. Het gaat bovendien niet om de ta[el, maar om het gebruik van het Avondmaal, naar het bevel van Christus tot Zijn gedachtenis, zodat het alleen zin zou hebben, als men b. v. iedere week Avondmaal zou vieren.

Het is moeilijk aan te nemen, dat men bedoelt grote, permanente tafels te plaatsen. De vaste tafel zal wellicht van bescheiden afmetingen zijn en als zodanig een soort teken of symbool willen voorstellen.

Afgezien van de aankleding, zou dit reeds ongeschikt wezen, omdat de tafel als zodanig ganselijk geen sacramentele betekenis heeft.

De aankleding zou het dus juist moeten doen en dan zouden de tekenen brood en wijn tegenwoordig moeten zijn. Hoe dicht is men dan weer bij de gedachte aan een gedurig offer ?

Stelt men de tekenen niet ten toon op zulk een vaste tafel, waarmede wil men dan het sacrament betekenen ?

Als men het niet betekent, waartoe dan een vaste tafel ?

En als men het sacrament betekenen wil door de tafel, of door enig ander teken, waarmede deze aangekleed wordt, dan maakt men tot teken, wat de Heere niet als zodanig heeft ingesteld en is men op een dwaalweg.

Zo heeft de Synode zelf in die aanwijzingen de weg geopend voor dwalingen, waartegen zij waarschuwt, en een advies gevolgd, hetwelk gericht op veruitwendiging van de Dienst, eer geschikt is om romaniserende invloeden te bevorderen, dan te bestrijden. Het beroep op de belijdenisgeschriften en formulieren der kerk, in deze aanwijzingen een en andermaal gedaan, had haar behoren te weerhouden in deze weg te gaan.

Op de eigenlijke kwestie gaat het Moderamen dan ook niet in.

Het wijst op de plaatselijke gemeente en zegt, dat de verantwoordelijkheid voor de orde der kerkdiensten en de inrichting van het kerkgebouw in de eerste plaats bij haar berust.

De kerkeraden zullen hiervan zeker nota nemen, voor het geval de stukken eens andersom komen te staan en de Raad van Kerk- en Eredienst gezamenlijk met de Bouw- en Restauratiecommissie voorstellen doen van ruimten en vaste tafels, terwijl de plaatselijke gemeente daarvan niet gediend is, omdat zij het gereformeerd karakter wil behouden en aan dergelijke neigingen tot veruitwendiging en romanisering geen voet wil geven.

Intussen hebben wij hier weer een voorbeeld van Synodaal beleid in zaken, welke wegens de fundamentele vraagstukken, welke daarmede verbonden zijn, geen beshssing hadden mogen erlangen, alvorens de kerk daarover op een kerkelijke wijze naar goede orde had kunnen handelen.

Dit alles kan slechts tot de conclusie voeren, dat de opvatting, welke de leidende partij van de taak, door de werkorde aan de interim-Synode opgedragen, tot een methode heeft geleid, die even weinig in oveneenstemming hjlijkt te zijn met het gereformeerd als met het presbyteriaal karakter ener kerkorde, waaraan zij volgens haar opdracht gehouden is. 

Het is in dit opzicht een bedenkelijk teken, dat de Generale Synode, welke daarvoor de verantwoordelijkheid moet dragen, zich klaarblijkelijk te weinig rekenschap heeft gegeven van de betekenis van dergelijke beslissingen in verband met haar opdracht.

Bedenkelijk ook is dit voorbeeld als een bewijs, dat de Synode al te gemakkelijk op adviezen van Raden en Commissies blijkt in te gaan. Steeds werd dezerzijds op het gevaar van nevenregering gewezen, maar het schijnt, dat de Synode dit gevaar niet ducht en zich licht gewonnen geeft voor argumenten van particuhere deskundigheid en particulier initiatief.

Ten eerste staat de Synode vrij tegenover die adviezen en behoort zij die te bezien in het licht van haar opdracht en de waarachtige belangen der kerk, en heeft zij die te overwegen in het licht van Schrift en belijdenis.

In de tweede plaats staat de interim-Synode volkomen vrij tegenover Raden en Commissies, die immers onder haar opdracht, leiding en verantwoordelijkheid, werkzaam zijn.

Het heeft er echter alle schijn van, alsof de leiding zich op het standpunt wil stellen, als zou het ontwerp-kerkorde, waarbij verschillende Raden en Commissies imperatief en permanent worden ingesteld, althans worden voorgesteld, ten aanzien van verschillende dier organen reeds vigeren. Zulk een alsof-methode kan enerzijds de ogen openen voor de gegronde bezwaren tegen het stelsel, doch anderzijds moet men bedenken, dat de sancties nog niet kunnen, worden toegepast.

Het ontwerp-kerkorde vigeert nog niet, het heeft, om zo te zeggen, geen kracht van wet. Men zal zich daarom, om een heldere voorstelling te vormen, de situatie moeten indenken, welke zal ontstaan, als dit wèl het geval is en alle Raden en Commissies, die het ontwerp voorstelt, en alle bepalingen dienaangaande zullen vigeren.

Reeds krachtens de eis ener presbyteriale kerkorde, hebben wij ons van meetaf tegen dit stelsel verzet. En wij kunnen het niet anders zien, dan dat de toepassing van de bepalingen, zoals deze in sommige ordinanties worden voorgesteld, zo zij al voor uitvoering onder de huidige omstandigheden mogen vatbaar zijn, een noodlottige demonstratie zal geven van de onrechtmatige onderstelhngen, waaruit zij zijn voortgekomen.

Men geve «ich rekenschap van deze din­gen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Tussen reglement en kerkorde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's