De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meditatie

11 minuten leestijd

Numeri 21 vers 4-9. Toen reisden zij van de berg Hor, op de weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen ; doch de ziel des volks werd verdrietig op deze weg. En het volk sprak tegen God en tegen Mozes : Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn ? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood. Toen zond de Heere vurige slangen onder het volk, die beten het volk; en er stierf veel volks van Israël. Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen de Heere en tegen u gesproken hebben: bid de Heere, dat Hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk. En de Heere zeide tot Mozes: Maak u een vurige slang, en stel ze op een steng; en het zal geschieden, dat al wie gebeten is, als hij haar aanziet, zo zal hij leven. En Mozes maakte een koperen slang, en stelde ze op een steng; en het geschiedde, als een slang iemand beet, zo zag hij de koperen slang aan en hij bleef levend.

De tekst brengt ons met onze gedachten bij Israël in de woestijn. Vlak aan de grens van Kanaan is het tegengehouden door Edom. Opnieuw moet het nu de woestijn in. 't Is te begrijpen, dat het teleurgesteld is. Doch erger is, dat het zich in haat keert tegen God en Mozes en dat het nu openlijk zegt, dat zijn ziel walgt van het manna, dat zeer lichte brood !

Dit is de grote zonde van Israël. Immers als volk des Verbonds had het Edoms verzet moeten zien als teken van eigen adel, dat Edom zich tegen hem verzette uit vijandschap tegen zijn God en tegen de Christus, Dien het reeds in zijn lendenen droeg. En als volk des Verbonds had het altijd dankbaar moeten zijn voor het manna, dat levensbrood. Maar nu is het volk juist om het een en met het ander vol vijandschap tegen de Heere.

Doch de Heere doet Zijn volk hier naar zijn zonde. Hij, Die anders engelen zendt om Zijn volk te bewaren op alle wegen, zendt thans slangen om het volk te bijten. Hij beveelt, — en door Zijn onzichtbare hand geleid, komen ze kronkelend door het zand aanschuifelen in Israels kamp om daar hun gif uit te gieten.

En nergens is men meer veilig. De een na de ander van de kinderen Israëls zinkt neder, en het volk moet het wel begrijpen : dit is een rechtvaardig oordeel Gods.

Hier is ook heilige ironie van de Rechter van hemel en aarde. Immers Israels vijand­ schap tegen God was eigenlijk een kiezen voor de Antichrist, de oude slang, de duivel. Maar nu zal Israël ook weten, welk een heer het koos boven zijn wettige Heere. De oude slang baart hem vele jonge slangen. Israël walgde van het manna, waarin het leven was, nu wordt het gevoed met het gif van de dood. Israël spuwde venijn tegen God en Mozes, nu mag het zelf ondervinden, wat het is, met venijn bespogen te worden.

Maar zo krijgt deze geschiedenis perspectief. Immers, de mens, ook de Christelijke, kerkelijke mens, is vaak niet anders dan Israël ! Wat leeft diep in zijn hart de vijandschap tegen God en Christus, en wat openbaart hij dat vaak in zijn leven ! En wat kiest hij dan principieel telkens weer de dienst van de Boze, de oude slang, boven de Heere, en de dood boven het leven !

En nu is God zo vaak richtend bezig in de geschiedenis der volkeren èn in ons eigen leven. Doch ziet, — dan doet Hij dikwijls nog niet anders dan ons de zonde laten proeven in haar gevolgen en ons slaan met de stok, welke wij zelf kozen. Dan laat Hij ons nog vaak oogsten, wat wij zelf gezaaid hebben.

En wij vinden, — deze tijd is er om het te bewijzen — een woestijn vol dodend vergif, op alle gebied, in het staatkundige en maatschappelijke leven, in de cultuur, in kerk en gezin. En het komt openbaar, hoe het menselijk geslacht om eigen zonde ten prooi ligt aan een dodend verderf!

Intussen, Israël schijnt iets van het oordeel Gods verstaan te hebben. Het volk komt immers tot Mozes, belijdt zijn zonden en vraagt om wegname van de slangen.

Hier is iets van een zuivere .verootmoediging, want hier is belijdenis van zonden ; toch is het niet geheel zuiver, want hier wordt gevraagd om wegname van de slangen en niet van de zonden. En de ware ootmoed bidt toch niet in de eerste plaats om wegneming van het gericht, doch, om verzoening voor de oorzaak van het gericht, de zonden.

Toch is het niet onmogelijk, dat er nu onder het volk zijn, die inderdaad in hun ziel de zonden bewenen en Gods gericht als rechtvaardig billijken, maar die alzo nog hopen op Gods genade over Israël en de opheffing der straf begeren als een teken van Zijn vergeving. Altijd was er onder Israël immers dat overblijfsel naar de verkiezing der genade ?

Mag er echter thans ook iets van waarachtige verootmoediging onder Israël zij, n, dan is God Zelf daarin weer bezig de weg naar de betoning van Zijn genade te banen. Wel toch kent deze genade geen voorwaarden, wel valt ze altijd vrij, toch echter maakt de Heere er vrij baan voor in het leven van Zijn schepselen, omdat Hij mint te rijden door de vlakke velden. En ook daar baant Hij de weg, waar Hij door Zijn Geest de mens onder Zijn rechtvaardige gerichten zich verootmoedigen leert. Dat gold niet alleen voor Israël in de woestijn, dat geldt ook voor ons. Daarom, wanneer dan Gods gerichten over ons gaan, daar rondom ons op allerlei gebied — en in ons eigen leven — is dit steeds de grote vraag : is er ook bij ons reeds een ootmoedig hart, waaruit niet alleen opstijgt de klaagzang over veel ellende, maar een stil belijden, waaruit God hoort, dat wij van onze nood afdalen tot de oorzaak van die nood, onze zonden, een stil belijden, waaruit God hoort, dat wij, vergaande door Zijn toorn en verschrikt door Zijn grimmigheid, toch tot Hem zuchten, omdat wij Hem niet meer missen kunnen en pleiten op Zijn genade alleen.

Van nature verzet alles in ons zich tegen zulk een verootmoediging en zulk een belijden, en klagen wij liever over zoveel ellende, dan over onze zonden, en roepen wij God liever ter verantwoording, dan dat wij ons zo aan Hem uitleveren ; — toch is dit de weg, waarop de Heere ons Zijn genade en verlossingen ontmoeten doet. Handhaaf dan toch nooit uzelf en verhard u niet, bid om Zijn Geest en laat u ook in dit opzicht in de weg Zijner gerichten door Hem leiden !

Daar, waar Israël onder Zifn gerichten weer ootmoedig tot Hem zucht, betoont de Heere ook, dat Hij nog Zijn Verbond gedenkt en uitkomsten geeft, zelfs tegen de dood. En Hij doet dit hier op een wonderlijke wijze. Immers, Hij neemt niet één slang weg, — de slangen blijven woelen, doch Hij geeft Mozes, die ook nu weer bidt voor het volk, het bevel om een vurige slang te maken en die op een stang te stellen, met de belofte, dat, al wie gebeten is en dan die slang aanziet, leven zal.

't Is een wonderlijk werk, dat Mozes te doen krijgt. Snel moet de vergiftige moordenaar getrouwelijk worden nagebootst, in vorm en gestalte ; zelfs in de kleur, zodat als materiaal glanzend koper moet genomen. En dan moet ze aan een lange stang midden in het kamp als een wonderbanier worden opgeheven en mogen de boden uitgaan met de blijde boodschap : er is redding —, wie de koperen slang aanziet, zal leven !

Diepe zin en wondere symboliek liggen in dit alles. Die slang aan die stang betekende dat, wat Israël wondde en doodde, onschadelijk gemaakt was, doch die slangenwond was er als een oordeel Gods. Dus betekende het onschadelijk maken van de slang afwending van dat oordeel.

En dat is genade. Welke echter alleen uitgaat tot een schuldig volk, terwille van die Ene, Die van Zichzelf heeft getuigd : „gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden". Zo wijst de koperen slang ook heen naar Hem.

Hij is Degene, Die voor een schuldig volk, niet alleen van Israels tijd, maar van alle eeuwen, het oordeel Gods draagt en wegdraagt. En dat doet Hij door te komen in de gelijkheid des zondigen vleses, Zich zonde te laten maken en Zich met die zonde te laten nagelen aan het kruis, waar alle toorn Gods over Hem uitgegoten wordt en Hij sterft tot een volkomen verzoening en verlossing.

Ziet, daarom kan er nu in de woestijn tot Israël gepredikt worden : ,,Wat u wondde en doodde, is onschadelijk gemaakt", omdat daarboven uitgaat de prediking van het kruis van de verhoogde Christus tot een schuldig volk, dat zich verootmoedigt, — in alle eeuwen : ,,de zonde, üw zonde, is gelegd op die Christus en in Hem verzoend, nu is er voor u nieuw leven onder de oordelen en éénmaal een volkomen verlossing !" Waar het echter voor Israël in de woestijn nu op aankomt, is op een zien naar die koperen slang. Een zien — in gehoorzaamheid des geloofs. Zo licht zou het volk thans kunnen zijn gaan redeneren of twijfelen : hoe is er nu door een slang genezing en leven, — door wat eerst de dood bracht ? Maar het volk mag niet redeneren, twijfelen, doch het heeft te gelóven, dat is, het heeft zich met zijn hoogmoedig verstand en opstandig hart te onderwerpen.

En zo wil de Heere steeds Zijn genade betonen in het leven van zondaren. In het dal der waarachtige verootmoediging, waar Hij hen Zelf brengen wil door Zijn Woord en Geest, doch waar dan ook het geloof groeien en zijn vruchten voortbrengen moet. Alzo wil de Heere nog grote dingen doen. Ook bij Israël in de woestijn.

Daar waren niet alleen de slangen, daar was ook Israels zonde. En God kende die tot in haar diepste kern als opstandigheid, ongeloof. Dat was tenslotte hèt kwaad in Israël, dat is immers eveneens hèt kwaad van ons aller leven van nature, dat is immers de beet, waarmee de oude slang ons dodelijk verwond heeft.

En nu wil de Heere, wanneer Hij ons genade bewijst, ons leven ook daarvan genezen. Daarom geschiedt het telkens weer in de weg van de waarachtige verootmoediging en van het geloof, omdat dit betekent de doodsteek aan alle opstandigheid en ongeloof.

Zo weet Israël daar in de woestijn de weg der genezing. Wie weigert, in onwil of in twijfel aan de'Waarachtigheid van het Woord des Heeren; zal nóg sterven, maar wie opziet in het geloof, zal leven.

Zo is ook ons de weg der genezing bekend. Wie onzer in waarachtige verootmoediging tot de Heere leert zuchten, mag het weten, dat er inderdaad redding is, niet alleen van de oordelen, doch vooral ook van de zónde, — in Christus n.l., maar dat die hem alleen persoonlijk ten deel vallen, wanneer hij in het geloof op die Christus zien leert; — in het geloof ; dat is — in volkomen onderwerping van ons natuurlijk verstand, dat daar steeds weer tegen in redeneert en in volkomen overgave van ons hart, dat daar telkens weer niet aan wil.

Is het echter nu juist niet een feit, dat wij zolang ook hiertegen néén zeggen, en zolang in twijfel en eigenzinnigheid déze weg der genade niet willen, en liever andere wegen der verlossing zoeken ?

Doch evenmin als die Israëliet in de woestijn, die ook néén zou zeggen tegen Gods wil, de genezing heeft kunnen vinden, vinden wij dan de genezing. En zo kunnen wij alleen maar die genezing in de weg staan.

Gelukkig, dat de Heere nog veel geduld heeft met zulke schepselen als wij zijn, en sterker is dan ons hart, en alzo ons Zelf door Zijn Woord en Geest niet alleen tot de ware verootmoediging, maar ook tot een waarlijk gelovig kennen van en zien op Christus brengen wil !

Wie onzer nu weet, hoe groot zijn zonden en ellenden zijn, en dat alleen in Christus de redding ligt, doch tevens, dat zijn ongeloof en bedenkingen en twijfelingen zo groot zijn, die ook daar zoveel last van heeft voor de Heere, die legge ook dat maar veel voor de Heere neer en belijde het alles als schuld en smeke om genezing van dat alles !

Ziet, onder Israël hebben er, gebeten door de slangen, in gehoorzaamheid des geloofs opgezien en zij zijn genezen. Gebroken onder Gods gerichten, gebroken om eigen zonden, mogen er nog opzien met een oog des geloofs tot Christus en mogen bij Hem schuilen en in Zijn offerande rusten.

En welgelukzalig die allen ! Een volkomen genezing van de beet van de oude slang en een volkomen afwending van het oordeel Gods en het eeuwige leven wacht hen. Want : gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo is de Zoon des mensen verhoogd geworden, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe !

(Hilversum)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's