De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NOODZAKELIJK en Schriftuurlijk!?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOODZAKELIJK en Schriftuurlijk!?

7 minuten leestijd

Prof. van Ruler heeft in het Weekblad voor de Herv. Kerk een uitvoerige uiteenzetting en verdediging gegeven van de z.g. vicaris. Hij doet dat op een wijze, die heel principieel schijnt te zijn, zodat de figuur van de .vicaris zelfs als een hoogst noodzakelijke ontplooiing van de gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift wordt voorgesteld.

Hij construeert daartoe een drievoudige onderscheiding van de éne kerkelijke prediking :

1. de verkondiging des Woords van de dienaar des Woords ;

2. de herderlijke toespraak van de vicaris ;

3. de verkondiging van het evangelie van de evangelist.

Deze drieledige onderscheiding wordt begripmatig aangeduid :

1. als de profetische vorm van de prediking ;

2. de pastorale vorm der prediking en

3. de apostolische vorm der prediking.

Nog weer wat toegespitst : de dienaar des Woords lijkt het meest op de profeten van het Oude Testament, de evangelist lijkt het meest op de apostelen des Nieuwen Testaments en de vicaris — daartussen in — lijkt het meest op de Heere Jezus zelf (in de Messias vindt de vereenzelviging van het Woord met de mens plaats en de vicaris is daarvan de grote weerkaatsing).

Hij wil dat dan zó verklaren, dat de dienaar des Woords alleen maar te zeggen heeft: ,,Zo spreekt de Heere". Deze toch kent de grondtalen van de Schrift. Het gewicht valt hierbij vooral op het opgeleid zijn aan een Universiteit, benevens cultuurhistorische argumenten, welke prof. v. R. daarmede verbinden wil en die zijn visie grotendeels bepalen.

't Geheel is een merkwaardig gedachtenspel, dat hier wordt ten toon gespreid, hetwelk intussen geen navolging verdient, opdat wij bewaard worden voor een moderne scolastiek.

De noodzakelijkheid van de voorgestelde ontplooiing in de figuur van de vicaris kan haar grond slechts vinden in de overwegingen van een problematiek der huidige kerkelijke, theologische en culturele situatie, waardoor prof. Van Ruler zich laat leiden om daarop een structuur te bouwen, welke hij vervolgens als Schriftuurlijk tracht voor te stellen. Overtuigend is die noodzakelijkheid echter niet, althans niet wat de figuur van de vicaris aangaat, allerminst in een structuur der prediking, welke hier wordt voorgesteld, terwille waarvan de dingen op gewelddadige wijze uit elkander worden gerukt.

En dan de Schriftuurlijkheid !

De taak, aan de Dienaar des Woords toegedacht als een zuiver profetische, op grond van de Universitaire opleiding van de predikant, dreigt een scheiding te maken tussen de profetische en herderlijke taak, welke aanleiding kan vinden in de distantie tussen de theologie der gemeente en de wetenschappelijke ontwikkeling der theologie.

Nu is de scheiding tussen de profetische en herderlijke taak aan een Schriftuurlijke opvatting van de Dienst des Woords getoetst, in geen enkel opzicht te verdedigen. De Heilige Schrift spreekt van ouderlingen, die in het Woord arbeiden, m.a.w. van herders, die in het Woord arbeiden en dubbele eer waardig zijn. (1 Tim. 5 vs. 17).

De door prof. Van Ruler uitgedachte structuur roept nochtans wel een Schriftuurlijke figuur voor de geest — en wel bepaald een Oud-Testamentische. Men kan toch niet ontkennen, dat de door hem voorgestelde orde van profetische dienaren, grote kans maakt een corps van Schriftgeleerden in het leven te roepen met al de preteilties van de Grote Synagoge.

Zulk een moderne Schriftgeleerdheid zou mogelijk te hulp geroepen worden in moeilijke aangelegenheden. Wij denken b.v. aan de oude Schriftgeleerdheid, die door Herodes werd geraadpleegd om de Wijzen uit het Oosten te kunnen inlichten. Noch de Schriftgeleerden, noch Herodes gingen echter naar Bethlehem.

Daar kwamen de herders en de vreemdelingen uit het Oosten. Wij ontmoeten ook andere profetische gestalten in de omgeving van de wondere geboorte : Zacharias, Simeon, Hanna !

De herderlijke taak wordt van de profetische (of Schriftgeleerde) prediking onderscheiden, om niet te zeggen gescheiden, en in het bijzonder aan de vicaris toegedacht. De vicaris schijnt in de structuur van prof. Van Ruler de eigenlijke pastor te worden. Hij lijkt het meest op de Heere Jezus Christus Zelf ; in de Messias vindt de vereenzelviging van het Woord met de mens plaats en de vicaris is daarvan de grote weerkaatsing, zo beweert hij.

Wij laten deze uitspraak voor zijn rekening, maar duidelijk is, dat hij de vicaris ziet als een afspiegeling van de grote Herder der schapen.

Wellicht wordt in deze toespeling gedoeld op de werking van het Woord in het leven der gemeente en het weiden van de kudde des Heeren in het Woord.

Vergelijken wij, wat het formulier tot bevestiging van de Dienaren des Woords ons leert omtrent hun dienst, dan zullen wij opmerken, dat deze toch met name aan de Dienaren des Woords wordt toegekend. Men zal ook opmerken, dat niet alleen wanneer het formulier van de ,,Herders" handelt, deze taak bijzonderlijk wordt omschreven, maar óok, dat de profetische arbeid onmiddellijk met deze herderlijke taak is saamgekoppeld.

De Schrift kent geen cultuurhistorische dominé, maar herders, die de kudde des Heeren weiden en waken over de leer !

Dat hgt trouwens in het wezen van het leven der kerk. Het waarachtig geloof openbaart zich in het getuigen, hetwelk als zodanig een profetisch, herderlijk en apostolisch karakter draagt. Een iegelijk, die gelooft, wordt in zijn omgeving een profeet, een herder en een zendeling. Denk eens aan de gelovige vader en moeder in het huisgezin.

Er kunnen omstandigheden zijn, dat een ,,ambteloos" Christgelovige predikt, en zelfs het sacrament bedient, als de ambtelijke dienst niet kan plaats vinden. Denk b.v. aan schipbreukelingen, die op een onbekend eiland terecht komen. In zulk een geval geschiedt dit alleen op grond van het geloof, of wil men, krachtens het ambt der gelovigen.

Uit dien hoofde is het in strijd met het leven van Christus' gemeente een scheiding teweeg te brengen in de orde der prediking, gelijk prof. Van Ruler heeft uitgedacht.

Maar stel al, dat de vicaris in de herderlijke arbeid werd gesteld op de voorgestelde wijze, zo zal hij, indien hij het leven der kerk kent, de eigenlijke Dienaar des Woords worden in de zin van het formulier. Hij wordt de herder, die in het Woord arbeidt. Dan komt aan hem ook practisch het opzicht en de tucht toe over de kudde, welke hem zal worden toevertrouwd. De distantie tussen de Schriftgeleerdheid en de gemeente zal in dat geval tot een kloof worden, zoals wij dat in de Heilige Schrift kunnen opmerken.

Indien de vicaris niet uitgroeit tot zulk een herder, dan zal zijn positie weinig benijdenswaardig zijn. Hij wordt een dienaar der Schriftgeleerdheid zonder gemeente, een demonstratie van Ruleriaanse speelsheid.

Zou hij daarentegen de eigenlijke herder en leraar worden, en zou dat mede de bedoehng zijn, dan dreigt een onheilspellend twistgeding tussen deze man en de Schriftgeleerde instanties, die met opzicht en tucht zijn belast.

De evangelist, die aan het apostolaat wordt verbonden, laten wij thans buiten beschouwing. Doch als men aan de mogelijke consequenties van de figuur van de vicaris denkt, zou men zich niet behoeven te verwonderen, als de verdedigers van deze figuur aan de Synode voorstellen het ontwerp-kerkorde aan een grondige herziening te onderwerpen, met name ten aanzien van de vicaris en de regeling van opzicht en tucht.

Intussen komt het ons voor, dat er slechts eén conclusie volgt uit deze overwegingen. Wil men de herderlijke taak aan de vicaris toekennen, dan wordt hij een herder, die in het Woord arbeidt, of een onmogelijke halfslachtigheid.

Waarom dan niet radicaal in de weg der reformatie ? Waarom in het tekort aan Dienaren des Woords niet voorzien door de toegang tot het ambt open te stellen voor mannen, die geloof en gaven hebben om deze dienst te vervullen ? Of meent men, dat de kerk schade zou lijden, als een deel der predikanten de kennis der grondtalen zou missen ?

Wij zijn van, oordeel, dat een aantal Dienaren des Woords, die geen Grieks en Hebreeuws hebben geleerd, niet zo schadelijk is voor de kerk als de hier voorgestelde structuur der prediking, waardoor gescheiden wordt, wat in Christus één is. En het komt ons voor, een beroep op de Schriftuurlijkheid niet te kunnen rechtvaardigen, de profeet en de apostel op een afstand van het vleesgeworden Woord en mitsdien van de herder te zetten, alsof de grote Herder der schapen ook niet de hoogste Profeet en Leraar en de Apostel des Vaders ware.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

NOODZAKELIJK en Schriftuurlijk!?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 december 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's