De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een slecht pleidooi

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een slecht pleidooi

7 minuten leestijd

De heer F. H. L. heeft blijkens zijn artikel in „De Hervormde Kerk" dd. 17 Dec. J949, aanstoot genomen aan ons artikel: „Evengoed hun richting" in het nummer van 8 December j.l.

Wij hebben daarin beweerd, dat de Hervormde Kerk geregeerd wordt door een richting, welke wij nieuwe-koers-richting zouden kunnen noemen. Voor de heren, die zeggen, dat er geen richtingen meer zijn, is dat misschien niet plezierig, maar dat doet van de feiten niets af.

De heer L. voelt zich geroepen op een wijze, die zacht uitgedrukt onbescheiden, ja op de rand af onbehoorlijk is, commentaar te leveren op wat wij schreven.

Hij schrijft, dat hij er niet veel meer van begrijpt.

Deze uitlating is vrijwel overbodig, want dat blijkt uit zijn pleidooi duidelijk genoeg. Maar, waarom bemoeit hij zich dan met zaken, die hij niet begrijpt ?

Wij zullen ons wel niet vergissen, als wij de naam F. H. L. dicht bij de leiding zoeken, maar wij kunnen toch moeilijk aannemen, dat hij in opdracht van de leiding schreef. Ook kunnen wij moeilijk onderstellen, dat F. H. L. zich persoonlijk zou aantrekken, wat aan het adres van de leiding wordt gezegd.

Daarom is het zo'n vreemde figuur, dat deze man op ons artikel reageren moet.

Wij hebben n.l. beweerd, dat de kerk geregeerd wordt door een richting, die wij de nieuwe-koers-richting zouden kunnen noemen. Ook hebben wij beweerd, dat die richting zich afkerig betoont van de erkenning onzer confessie als draagvlak van het kerkelijk geloof — en verder, dat deze richting de opvatting van het Schriftgezag vrij laat.

Deze dingen zijn zó duidelijk openbaar, dat ieder lid van de kerk het kan weten en de leiding zal het niet ontkennen, want zij doet dit welbewust.

Nu komt F. H. L. ons met groot gebaar vertellen, dat de Generale Synode regeert, formalist als hij blijkt te zijn, alsof dat inderdaad onze beweringen kracheloos zou maken en de feitelijkheid daarvan zou wegnemen.

't Gebaar gaat verder : „Dat te ontkennen" — n.l. dat de Synode regeert — ,,zou een ondergraven betekenen van ons huidige kerkrecht en van de nieuwe-concept-kerkorde tegelijk".

Wat het ondergraven van het ,,huidige kerkrecht" aangaat, zijn wij van oordeel, dat de leiding op zeer fundamentele punten in strijd handelt met, wat als het „huidige kerkrecht" behoort te gelden. Het is n.l. niet duidelijk, welke gedachten F. H. L. daaromtrent heeft, doch wij willen de onze geven. Het huidig kerkrecht wordt bepaald door de opdracht der werkorde en overigens door de reglementen der organisatie van 1816, voorzover deze door de bepalin­ gen der werkorde niet werden gewijzigd.

Wij laten voor het moment buiten beschouwing, hoe de Generale Synode haar taak, in die opdracht omschreven, opvat, of — anders gezegd — hoe de huidige leiding de taak der interim-Synode (wij leggen dus nadruk op dat interim) meent te mogen opvatten, maar wij vragen J op welke grond van het huidige kerkrecht heeft een interim- Synode het recht om de belijdenisgeschriften op non-actief te stellen en te weigeren die als; belijdenis der kerk te erkennen ?

Dit gebeurt openlijk door de leiding eri namens de Generale Synode. Als de leiding daartegen bezwaar had, zou dit tot een conflict tussen leiding en Synode hebben geleid, dat niet verborgen ware gebleven. Omgekeerd ook, indien de Synode bezwaar had op dit fundamentele stuk buiten het rechte spoor te treden.

Op grond hiervan kunnen wij er niet veel bezwaar tegen maken, dat F. H. L. op de Generale Synode overdraagt, wat wij aan de regerende richting toeschreven.

Wij ontzeggen F. H. L. echter het recht, ons in de schoenen te schuiven, dat wij zouden hebben beweerd, „dat de Synode een soort samenzwering op touw zou hebben gezet, die de bedoeling heeft bepaalde ,,richtingen" in onze kerk overal buiten te houden, om zo een koers te varen, (een nieuwe!), die ten doel heeft  het gezag van de Heilige Schrift te loocherten ea de belijdenisgeschriften op non-actief te zetten !"

,,Dat is ons toch al te gortig !"

Het is ons niet alleen al te gortig, maar hier worden door een leugenachtige voorstelling dingen gesuggereerd, die wij nooit gezegd hebben ! Dat is zelfs onbehoorlijk.

Intussen verwijst F. H- L. ons naar de handelingen der Synode.

Welnu, in de aanbieding van ,,Fundamenten en Perspectieven" aan de kerk namens de Synode, als „een proeve van hernieuwd reformatorisch belijden" is een handehng der Synode, die in dit verband een onmiskenbare conclusie inhoudt omtrent de wijze, waarop zij het „huidig kerkrecht" opvat. Zonder enige opmerking[ biedt zij dit geschrift aan, dat spreekt van de vroegere belijdenisgeschriften. (Vgl. blz. 6 en blz. 9). De Synode laat deze uitdrukkingen zonder enige opmerking passeren. Daarin ligt alzo een beshssing der Synode, welke voor iedereen duidelijk kan zijn en een ontkenning inhoudt, dat de belijdenisgeschriften nog altoos de confessie der kerk zijn.

Wij zijn van oordeel, dat dit in strijd is met het ,,huidige kerkrecht" en als de leiding daarmede instemt, had zij blijk moeten geven de verantwoordelijkheid voor deze handeling der Synode niet te kunnen dragen.

Deze zaak staat niet op zichzelf, maar heeft consequenties voor de opvatting van het Schriftgezag. Wij hebben niet beweerd, dat het Schriftgezag wordt „geloochend", zoals dè heer L. ons aanwrijven wil, maar dat de opvatting aangaande het Schriftgezag wordt vrij gelaten. Dat betekent dus, dat de belijdenis der kerk op dit fundamentele stuk wordt losgelaten.

In de door de Synode aangeboden proeve behoeft men slechts kennis te nemen van de betreffende passage op blz. 14, om te zien, dat onze opmerking juist is.

Dat deze proeve niettemin plaatsen uit Schrift en belijdenisgeschrift aanhaalt, doet van de juistheid onzer conclusie niets af;

Het algemeen reglement der Synodale Organisatie schrijft nog voor, — nu zijn wij ook eens formeel — dat de besturen de leer zouden handhaven. De wijze, waarop dat is opgevat, kwam practisch neer op leervrijheid, maar de belijdenis bleef niettemin de confessie der kerk en is dat rechtens nogi

Wij laten het thans aan het oordeel van de lezer over, aan welke zijde sprake kan zijn van ondermijning van het ,,huidige kerkrecht".

Over ondergraving van de nieuwe concept-kerkorde kunnen wij er kort zijn. Deze concept-kerkorde vigeert niet en de interim-Synode is in geen geval bevoegd te regeren naar een concept, dat geen kracht van recht heeft, doch de leden der kerk hebben het volste recht en de plicht om hun bezwaren tegen het ontwerp kenbaar te maken.

Van de zijde der Synode is altijd beweerd dat men prijs stelt op critiek. Dat kan aan F. H. L. bekend zijn, dat dit dezerzijds ernstig is genomen. Wij hebben geen aanleiding om in dit' opzicht aan de ernst van die bewering te twijfelen, maar voor zover dit ,,overleg" mag heten en van overleg kan gesproken worden, althans van contact, waarbij de aangelegen fundamentele stukken onderwerp van discussie hebben uitgemaakt, heeft dit geen resultaten gehad, die tot erkenning van de belijdenis als de confessie der kerk hebben geleid, noch ook de leiding weerhouden hebben van een handeling, die een negatieve beslissing inhoudt, althans deze niet wederspreekt.

De verwijzing naar de medeondertekening van een lid der betreffende commissie, welke door F. H. L. wordt gedoodverfd als behorende „tot de ,partij' mannen", die volgens ,,S." zo hardnekkig door de Generale Synode worden geweerd (sic) is ten enenmale misplaatst. De bedoelde persoon zal zelf tegen deze kwalificatie protesteren, terwijl de aangehaalde zinsnede ook overigens een gedichtsel van de schrijver is.

Voorts zijn wij genoegzaam op de hoogte met commissie-werk, dat wij ons wel wachten om ieder der ondertekenaars persoonlijk verantwoordelijk te stellen voor alles wat in het stuk staat, ook zonder dat hij uitdrukkelijk verklaart bezwaren en reserves te hebben.

Een onbetwistbaar feit is echter, dat de zo even gereleveerde handeling der Synode door die negatieve beslissing een standpunt verraadt! ten aanzien van de confessie der kerk, waardoor zij zich distantieert van degenen, die aan de confessie trouw blijven en voor haar rechten opkomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Een slecht pleidooi

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 december 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's