De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Ambt en bediening

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ambt en bediening

9 minuten leestijd

De discussie over de vicaris stelt het vraagstuk van ambt en bediening wederom aan de orde, mede in verband met de onderscheiding van kerkelijk instituut en kerkelijk organisme, (cf. Prof. Van Ruler in het Weekblad der Hervormde Kerk, dd. 17 December '49).

De onderscheiding ambt en bediening dient intussen eerst in het oog gevat. In de studiecommissie, welke zich in de tijd der bezetting met deze vraag heeft bezig gehouden, werd de verhouding van ambt en bediening zó gezien, dat de bediening als een hulp van het ambt werd opgevat.

Daarnaast hield men rekening met een onderscheiding van de ambtelijke arbeid in verschillende takken van bijzondere dienst. Deze gedachte sloot aan bij het voorbeeld door Calvijn uitgestippeld in de dienst der diakenen : b.v. de verzorging der armen en behoeftigen naast de ziekenverzorging.

De behoefte aan zulk een differentiëring of uitwaaiering van de ambtelijke dienst, werd zonder twijfel in de hand gewerkt door de steeds groeiende gemeente en door de historische ontwikkeling van het kerkelijk leven, maar zij heeft ook gerede aanleiding in het leven der geïnstitueerde kerk, wanneer de organisatie zich richt op de gemeente onder één Herder en Leraar.

Wij denken o.a. aan de oude catechiseermeesters, die een stuk arbeid verrichtten, dat onder het ambt van de Herder en Leraar valt. Naar de bovengenoemde onderscheiding beoordeeld, zou zulk een catechiseermeester dus een bediening hebben vervuld onder de verantwoordelijke leiding van de kerkeraad (in het algemeen) en van de Dienaar des Woords (in het bijzonder).

Aangezien in de kerkeraad alle ambten tegenwoordig zijn, t.w. het profetische, het priestelijke en het koninklijke, ligt het in de lijn, dat alle bedieningen als hulpen van het ambt, in het algemeen onder de kerkeraad en in het bijzonder onder een bepaald ambt zijn gesteld.

Houden wij aan deze verhoudingen vast, dan volgt daaruit, dat bij een differentiëring van de ambtelijke arbeid ook de bedieningen eenzelfde arbeidsverdeling volgen.

Beginnen wij met het ambt van de Dienaar des Woords, derhalve met de arbeid van de Herder en Leraar, die als zodanig krachtens de duidelijke uitspraak der Heilige Schrift een ouderling is. (1 Tim. 5 : 17). Daarin ligt besloten, dat het ouderling zijn nimmer van de Dienst des Woords kan worden losgemaakt, want hij is niet arbeidende in het Woord en ook nog ouderling, maar hij is ouderling en heeft de herderlijke taak te vervullen als profeet.

Dit profeet-zijn zet hem echter niet in de eerste plaats in de rij van de profeten des Ouden Testaments en ook niet in de rij der apostelen, want hij staat op het fundament der profeten en apostelen. Het profeet-zijn maakt hem dus niet tot een ziener of Gods-man in de zin van die Bijbelse openbarings-organen Gods.

Het profeteren van de drager van het profetische ambt is getuigen uit het geopenbaarde Woord Gods, de prediking des Woords en de uitlegging der Schriften. De hoogste Profeet en Leraar heeft zelf een voorbeeld gegeven van deze profetische dienst, toen Hij de Emmaüsgangers in de Schrift onderwees. Hij gaf hun geen nieuwe profetiën of openbaringen, maar Hij opende hun de Schriften. De apostelen zijn Hem daarin gevolgd en hoewel de apostelen ook profeten in hogere zin zijn geweest, onderwierpen zij degenen, die de gave der profetie meenden te hebben aan de profetiën. (1 Cor. 14 vs. 32) en de gemeente bij het Woord bepaald. (2 Petrus 1 vs. 19).

De Dienaren des Woords zijn de predikers en de uitleggers der Heihge Schrift ; hun herderlijke taak richt zich allereerst op de tucht des Woords in de gemeente door de prediking en uitlegging. De tucht begint bij de prediking. Zij waken over de zielen, allereerst door de arbeid in het Woord. Vandaar telkens de vermaning om te volharden in de leer.

De hulpprediker, die in de gemeente van de Herder en Leraar prediking des Woords mede waarneemt, is als zodanig in het algemeen reeds een abnormale figuur der bediening. Zulk een figuur moet zijn aanleiding vinden in omstandigheden, die het abnormale node rechtvaardigen. Want zal het goed zijn, dan moet de Herder en Leraar in de Dienst der prediking voor de aan hem toevertrouwde gemeente kunnen voorzien. Wanneer de gemeente zich uitbreidt in zulk een mate, dat het voor hem te veel wordt, kan aanvankelijk met een hulpgebouw en een hulpprediker een overgangstoestand worden overbrugd, om zo spoedig daartoe kan worden overgegaan, een nieuwe gemeente te vormen.

Zo kan men in abnormale toestanden, als waarin wij thans kerkelijk verkeren, voor bepaalde takken van arbeid, hulppredikers te hulp roepen, doch zij zullen alleen goed werk doen, als zij zich zo spoedig mogelijk overbodig maken en hun arbeid in handen van de gewone Herder en Leraar zien overgaan.

In de arbeid van in- en uitwendige zending en op evangelisatie-posten zal daarom altijd ruimte blijven voor hulpprediker onder de leiding van kerkeraden en Dienaren des Woords, die voor die arbeid aansprakelijk zijn. In de gemeente behoort de hulpprediker, strikt genomen, niet thuis. Daarom hebben wij bezwaar tegen de vicaris, afgezien nog van de bevoegdheid, welke men deze man geven wil om een herderlijk woord te spreken en de sacramenten te bedienen. Doch ook tegen deze bevoegdheid rijst terecht bezwaar.

Het is onjuist , om het ambt van Dienaar des Woords te verdelen in drieërlei verscheiden prediking : de profetische, de herderlijke en de apostolische, zodat er feitelijk drie soorten van predikanten zouden ontstaan. 

Een gezonde prediking moet zijn prediking des Woords (profetisch), prediking des geloofs (herderlijk) en prediking tot bekering (apostolisch).

Er is ook volstrekt geen aanleiding om die drieërlei verzorging aan de Dienaar des Woords gedeeltelijk te onttrekken, alsof hij die in zijn prediking niet zou kunnen behartigen. Indien hij toch zijn taak verstaat, kan hij niet anders, omdat het Evangelie zelf hem alzo onderwijst.

Hulp-predikanten en evangelisten zijn geen hulpen, omdat de drievoudige eis der prediking te zwaar is om door één man volbracht te worden, maar zij worden te hulp geroepen om hulpposten, wordende fihaalgemeenten en evangelisatie of zendingsposten te bezetten.

Op die wijze blijft het karakter bewaard van bedieningen, zij zijn hulpen en vooruitgeschoven posten, onder leiding van het ambt.

Wat men van de vicaris wil maken, is eigenlijk een soort onder-predikant met de ambtelijke halfslachtigheid aan zulk een figuur eigen.

De herderlijke toespraak b.v. Wat wil men daaronder verstaan? Een soort prediking, maar toch weer niet Dienst des Woords. En daarbij , de bevoegdheid om sacramenten te bedienen, alsof de bediening der sacramenten kon worden losgemaakt van de Dienst des Woords.

Neen, zal men zeggen, practisch loopt dat alles dooreen. Welnu, dan weet men van te voren, dat men practisch zal toestaan, wat men theoretisch niet toestaat. Dat bewijst alleen maar, dat de theorie niet deugt en dat men met „de herderlijke toespraak" eigenlijk een ijdele en misleidende onderscheiding poneert. '

Herderlijke toespraken - niet als een theoretisch uitgedacht preektype, maar als practisch middel in de herderlijke arbeid, wijzen ons naar het huisbezoek van de ouderling, hij zij predikant of ouderling. Bij het werk in de gemeente is de herderlijke toespraak, al noemen wij die niet zo weids, op haar plaats.

Hebben wij eerst aangetoond, dat de herderlijke toespraak van de kansel aan de volwaardige Dienaar des Woords toekomt, evenals de bediening der sacramenten, zo is er geen plaats op de kansel der gemeente voor een vicaris.

In de gemeente geschiedt de herderlijke arbeid door de predikant met de ouderlingen tezamen. Zou men een vicaris als een bijzonderlijk voor de herderlijke verzorging toegerust man willen bestemmen, dan treedt hij op het terrein van de ouderling en zou hij öf ouderling der gemeente moeten worden, óf in een bediening onder het ouderlingenambt komen te staan.

Dan echter is nog meer duidelijk, dat er gans geen reden is, om hem de bediening der sacramenten op te dragen. En principieel en institutair is dat een wanverhouding.

Men zou aan een lerend-ouderling kunnen denken, doch deze figuur is niet alleen een nood-figuur, maar draagt toch weer een ander karakter.

Een vicariaat — of hulppredikerschap, zou dan ook alleen een aannemelijke instelhng kunnen zijn, indien men alle halfslachtigheid liet varen en daarvan een bediening maakte om te voorzien in de bovengenoemde hulpposten en mogelijk ook in langdurige vacaturen.

Het verplichte hulppredikerschap der proponenten bedoelt een zekere overgang van de opleiding naar het ambt, of liever een sluit-stuk van de opleiding.

Wat kan er nu tegen zijn om een hulppredikerschap in het leven te roepen van meer blijvende aard, maar dan toch zo, dat deze mannen, indien hun practische arbeid zulks rechtvaardigt en alleen op die grond, tot het volle ambt toe te laten.

Op allerlei wijze wil men de z.g.n. lekenarbeid bevorderen, en men zet z.g.n. leken op vaak belangrijke posten in het „kerkewerk". Waarom begint men dan in deze bedieningen onmiddellijk met scolastieke spitsvondigheden ?

Er zijn tal van „leken" met een diploma „Godsdienstonderwijzer", waaronder mensen, die gaarne een post als hulpprediker zouden ambiëren, indien er uitzicht ware op het ambt. Er zijn er, voor wie dit, beoordeeld naar hun maatschappelijke positie, een belangrijk offer zou betekenen, dat zij gaarne zouden brengen, omdat zij begeerte hebben tot het ambt.

Rekent men voorts het aantal godsdiienstonderwijzers in dienst, waaronder een getal, dat op grond van hun werk zeker in aanmerking zou kunnen komen voor het hulppredikerschap.

Voorts zullen onder de hulpkrachten, die in de laatste jaren op enige wijze in een bediening werkzaam zijn gesteld, ook nog personen voorkomen, die voor het hulppredikerschap in aanmerking kunnen worden gebracht.

Wat is nu eenvoudiger, dan dat men een hulppredikerschap instelt, en voor personen, uit de genoemde groepen, de gelegenheid openstelt om de bevoegdheid van hulpprediker te verkrijgen, b.v. op voorstel van een classis ?

Daarbij zou het aanbeveling verdienen, dat de betrokken classis een voorstel omtrent een bepaalde persoon doet in verband met een functie in de classis of bij een van de kerkeraden, die hem begeert.

Het ligt voor de hand, dat aan zulk een hulpprediker in beginsel de bevoegdheden van de Dienaar des Woords moeten worden toegekend, onder de bepaling, dat hij deze bevoegdheden voor zoveel nodig vervult onder leiding en verantwoordelijkheid van een kerkeraad of van een daartoe aangewezen Dienaar des Woords.

Zijn staat van dienst als hulpprediker door de classis aan te houden, moet dan ter gelegener tijd dienen tot de beslissing, of hij wordt toegelaten tot het ambt van de Dienst des Woords , dan wel ongeschikt zal worden geacht.

Op deze wijze zal men kunnen voorzien in de nodige hulpdiensten en tegemoet ko­men aan het tekort van predikanten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Ambt en bediening

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's