MEDITATIE
LEVEN UIT HET OFFER
Romeimn 8 : 32. Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken ?
We zullen weer een nieuw jaar ingaan. Hoe zullen we gaan ?
Dat we niet alleen gaan, maar dat we gaan mogen met God, in Wien de apostel roemt: „Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn ? "
Wanneer wjj den Heere tot ons deel mogen hebben en Hem mogen vrezen, dan zullen we aan geen ding gebrek liebben. Zijn genade is genoeg en Zijn liefde is genoeg en Zijn almacht is genoeg om Zijn volk van alle nooddruft naar lichaam en ziel te voorzien.
Wilt ge daar het bewijs van ? Zie dan eens in de kribbe van Bethlehem en op het kruis van Golgotha. Daar hebt ge het beste en grootste bewijs van de gadeloze liefde en' trouw des Heeren jegens Zijn volk. Bethlehem en Golgotha zeggen ons beide ; ,,Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven".
Het liefste, dat de Heere had te geven, heeft Hij voor zondaren niet teruggehouden. Het dierbaarste, wat Hij had. Zijn eigen. Zijn enige Zoon heeft Hij niet gespaard, maar overgegeven voor zondaren.
Waarbij zullen wij dit vergelijken of welke gelijkenis zullen wij hiervoor vinden ? Hier is geen gelijkenis voor. Slechts een heel zwakke afschaduwing heeft de Heere Zelf gegeven in de geschiedenis, van Abraham en Izak. ,,Abraham, neem uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, en ga heen, offer hem op één der bergen, die Ik u wijzen zal".
Zo heeft God ook Zijn Zoon genomen. Zijn enige, dien Hij liefhad. En gelijk Abraham niet met Ismaël of met een ander kon volstaan, zo kon ook de Heere niet met een ander toe. Geen engel, geen mens, geen aangenomen kind mocht het wezen. Zijn eigen. Zijn eniggeliefde Zoon moest het zijn. En Hij heeft Hem niet gespaard. Hij heeft Hem overgegeven. Hij heeft Hem ge legd in de kribbe. Hij heeft Hem gebonden op het altaar, het kruis. Hij heeft Zijn hand uitgestrekt om Zijn Zoon te offeren en neen, toen was er geen engel, die Hem weerhield. Hij heeft Zijn eigen Zoon geofferd aan het kruis. Hij heeft Hem overgegeven in de dood, opdat Hij doodschuldige zondaren het leven zou kunnen geven. Wat een liefde, welk een daad !
God heeft Zijn Zoon niet gespaard, maar Hij heeft Hem voor ons overgegeven in Bethlehem, op Golgotha. Maar onze gedachten blijven niet bij Bethlehem en Golgotha stilstaan. Zij gaan terug naar de stilte der eeuwigheid. Toen reeds heeft de Vader raad gehouden en Hij heeft Zijn Zoon niet gespaard maar overgegeven voor verloren en verkoren zondaren. Toen er nog geen zondaren waren en toen er nog geen wereld was, heeft Hij Zijn eigen lieve Zoon gegeven om zondaren zalig te maken. Hij zag ze daar liggen. Zijn kinderen, gevallen, ontluisterd, verloren in zonde en schuld: „Wie is er, die tot Mij genake, dat Hij met zijn hart Borg zij voor dit volk ? "
,,Zie, Ik kom o God, om Uw wil te doen, in de rol des boeks is van Mij geschreven".
Hij heeft hen liefgehad met een eeuwige liefde, en Hij heeft Zijn Zoon niet gespaard, maar gegeven en gegeven van eeuwigheid. Maar ook : gegeven in de tijd. God heeft Zijn belofte vervuld, 't Is trouw, al wat Hij oojt beval. Als de volheid des tijds gekomen is heeft God Zijn Zoon in de wereld gezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, Hij heeft Hem overgegeven in de handen der mensen, overgegeven in de kaken van de dood om Zijn van eeuwigheid gekende volk uit de wrede kaken van de dood weer los te maken. Ja, dat ,,eens" breekt voor hen in de doorleving aan, wanneer het Hem behaagt Christus te openbaren in het hart als de Zondevernieler en Doodsoverwinnaar door de Heilige Geest, die Christus verheerlijkt.
En dat „eens" zal straks in volkomenheid aanbreken (en nu gaat onze blik vooruit), als de Bruidegom komt om Israël volkomen vrij te maken van ongerechtigheden. Dan zal de Zoon volkomen en geheel gegeven worden aan de verloste Kerk en dan zullen Bruidegom en Bruid voor goed verenigd zijn. De Heere doet geen half werk Hij begint. Hij zet voort en Hij voleindigt. Dat elke bekommerde van hart, dat elke heilzoekende ziel daar toch veel op zie : Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven.
Voor ons allen. Wie zijn dat ? Dat zijn : Paulus en al degenen, die hun heil in Christus zoeken ; dat zijn de uitverkorenen Gods, gelijk blijkt uit het volgende vers, waar Paulus vraagt: Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods ?
Maar ga dat nu niet beredeneren en uiteenrafelen met uw verduisterd verstand, want dan komt ge weer met het oude liedje: ,,als ik daar dus niet bij ben, als ik niet uitverkoren ben, dan is het niet voor mij".
Paulus zegt hier, dat God Zijn lieve Zoon voor ons allen overgegeven heeft, d.w.z. voor allen, die arme, naakte, schuldige zondaren geworden zijn, die het leven verbeurd hebben ; voor alleri, die tranen leerden schreien in het verborgene om hun verdorven bestaan en naar gerechtigheid dorsten ; voor allen, die zichzelf als ellendige zondaren openbaar gekomen zijn, die het leven niet meer in eigen hand kunnen houden ; voor allen, die God missen, en niet meer. kunnen missen, voor die allen heeft God Zijn Zoon overgegeven aan het kruis, en aan die allen zal Hij ook, als zij maar diep genoeg hebben leren bukken en het zalig worden uit handen hebben leren geven, Zijn Zoon geven, openbaren in het hart.
Wij moeten niet vanaf de hoogte van ons natuurlijk bestaan in de diepte der uitverkiezing kijken. Dan zullen we duizelig worden en er in te pletter vallen. Maar wij moeten vernederde zondaren worden. Wij moeten op onze plaats komen. Dat is een lage plaats : ellendige, doemwaardige zondaren, die de hel verdiend hebben. Wij moeten overal buiten komen te staan, alle rechten verliezen . . . . wat een wonder ! voor zulken, voor zulken allen heeft God Zijn Zoon gegeven.
En : „Hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken ? "
Ja, met Hem ontvangen we alles. Met Hem kunnen we voort. Met Hem kunnen we ook het jaar weer in. Met Hem gaan we niet alleen. Vrienden mogen henengaan, alles wat van de aarde is moge veranderen. Hij verandert niet. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid.
We kunnen in geen beproeving komen, waarin Hij niet geweest is, want Hij is in alles verzocht geweest als wij, doch zonder zonde. Met Hem kunnen we het nieuwe jaar in. Want een nieuw jaar betekent wel een nieuwe tijd, maar geen nieuwe mens. We nemen onze zorgen mee ; we nemen onze moeiten mee ; we nemen onze zonde mee. Wij mogen er door Gods genade tegen hebben leren strijden ten bloede toe, maar in onszelf zullen we het niet verder brengen dan arme zondaren, die onze weg voor de Heere verderven. In zichzelf zullen Gods kinderen het niet verder brengen dan dwaze, eigenzinnige, ongelovige, ondankbare kinderen. Wat zullen zij dan in zichzelf en zonder Hem ? Niets dan zonde op zonde stapelen en schuld met schuld vermeerderen, niets dan strijden en worstelen en nederlagen lijden, maar met Hem zullen zij overwinnen, met Hem meer dan overwinnaars.. . . ,,Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus ? Verdrukking of benauwdheid of vervolging of honger of naaktheid of gevaar of zwaard (gelijk geschreven staat : want om Uweantwil worden wij de ganse dag gedood ; wij zijn geacht als schapen ter slachting), maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad".
Het ligt alles in Hem. Zonder Hem zouden wij verteerd worden. Wij zullen bestreden en aangevochten worden, wij zullen een strijd te voeren hebben in ons eigen bestaan, het vuur der beproeving zal misschien tegen ons branden. Hoe zullen we dan staande blijven, als we alleen zijn ? Zo ik niet had geloofd, dat in dit leven, mijn ziel Gods gunst en hulp genieten zou, mijn God, waar was mijn hoop, mijn moed gebleven ? Ik was vergaan in al mijn smart en rouw !
Maar : met Hem niet vergaan. „Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken ? "
Dat is een vraag, maar voor Paulus is het geen vraag ; het is juist een zeer vaste en een zeer blijde wetenschap voor hem : gewis zal Hij ons met Hem alle dingen schenken . . . . alle dingen ; de Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden. Hij voert mij zachtkens aan zeer stille wateren. Hij verkwikt mijn ziel ; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om Zijns Naams wil.
Wie Christus ontvangt, die ontvangt alles, want Hij is alles. Hetzij dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren. Met Hem en om Hem schenkt God ons alle dingen, niet alleen voor de ziel, maar ook voor het lichaam. Zie, zo kunnen we het jaar ingaan Wat zullen wij eten, wat zullen wij drinken, waarmee zullen wij ons kleden ?
Zal Hij ons met Hem niet alle dingen schenken ?
Ja, om Hem ontvangen alle mensen nog vele zegeningen. Zonder Hem en zonder Zijn kruisverdienste lag alles onder de vloek en was er geen leven op aarde mogelijk. Maar nu : om Hem ontvangen alle mensen nog vele zegeningen : gezondheid en kracht, voedsel en kleding eij nog zoveel meer. Maar Gods kinderen ontvangen nóg méér. De wereld ontvangt de tijdelijke zegeningen, maar Gods kinderen ontvangen ook de geestelijke zegeningen: Gods gemeenschap, Gods gunst, die beter is dan dit tijdelijk leven. Daarom, zij kunnen zo arm zijn als de straat, toch zijn zij rijk : rijk in Hem, met Wien God hun alle dingen schenken zal, zodat het in Hem van hen gezegd kan worden, wat Paulus schreef „niets hebbende en nochtans alles bezittende....; alles bezittende in Hem. Hier nog slechts in beginsel, maar straks zullen zij genieten het volle bezit van de schone erfenis, die in de hemel voor hen bewaard wordt. Want zij zijn erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus. Dan zal Hij hun ten volle met Hem alle dingen schenken.
Het gaat om Hem, dat wij Hem hebben. Wie Hem heeft, dié zal gegeven worden. Wie Hem niet heeft, van die zal genomen worden ook dat hij heeft.
Dat wij zonder Hem niet voort durfden ! Dat het ons tot nood wordt; dat het ons uitdrijve tot God ; dat het ons als schuldige, doemwaardige zondaren brenge aan de voeten van de Heere Jezus. Met minder dan Jezus kunnen wij niet toe. Met al wat wij hebben buiten Jezus, zijn wij nog ellendige schepselen. Buiten Jezus is geen leven, maar een eeuwig zielsverderf.
Maar zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn ? Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken !
Hun zal een schat van zegeningen In Hem ten erfdeel zijn.
Het gaat om Hem. Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid.
Amen.
(Huizen)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's