Open Brief
aan de lidmaten der Ned. Herv. Gemeente van Alkmaar.
Geachte Gemeenteleden
Het is niet, dan na rijp beraad, dat wij ons tot u richten in deze ,,Open Brief", om u een inzicht te geven in de moeihjkheden, die er in onze kerkehjkel gemeente gerezen zijn, en die zich inzonderheid bij de laatstgehouden verkiezingen van ambtsdragers hebben voorgedaan. Wij doen dit vanuit onze verantwoordehjkheid als ouderlingen tegenover allerlei verkeerd begrip en onbekendheid ten opzichte hiervan bij de gemeente.
Geenszins ligt hierbij de bedoeling voor, een kerkelijke strijd te ontketenen, maar alleen om aan de gemeente verantwoording te doen van ons ingenomen standpunt.
Voor degenen die kerkelijk meeleven, mag het als bekend worden verondersteld, dat er in onze gemeente verschillende groeperingen zijn, als gevolg van de ontwrichting van ons kerkelijk leven. De leervrijheid, die in 1815 in onze Kerk gekomen is, heeft de binding aan haar belijdenis krachteloos gemaakt, en een individualisme de Kerk ingedragen, waar door het mogelijk is dat men de Heilsfeiten zowel kan erkennen als ontkennen. Het is al voldoende, de namen van vrijzinnig en rechtzinnig te noemen, en u weet welk een tegenstellingen daarin worden uitgedrukt.
Het zou te ver voeren, te spreken van de droeve toestanden, die daarvan het gevolg v/erden ; we noemen slechts de onzalige partijstrijd, zodat de noodzakelijkheid tot Kerkherstel door velen werd ingezien en nagestreefd. Vooral in en na de bezettingstijd kregen deze pogingen vaste vorm.
Maar hoe in deze ontwrichte Kerk orde te scheppen, zó, dat er weer naar kerkelijke normen gesproken en gehandeld zou worden ? ,,Gemeenteopbouw" kwam, welke de neerslag van haar streven uitsprak in de basisformule : ,,Gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staan op de bodem der Belijdenis". Niet eigen persoonlijk inzicht, maar ,,Schrift en Belijdenis" zouden in onze Kerk weer gezag moeten krijgen. Maar hoe ? In de weg van het gesprek der richtingen, om zo gezamenlijk te buigen onder het gezag van het Woord van God.
Dit alles wekte grote verwachting, en wij waren ten volle bereid hierin mede te werken, temeer, daar wij dit doen konden met behoud van beginsel. Met nadruk werd dan ook verklaard, dat Gemeente-opbouw in genen dele bedoelde een eenheidsmolen te zijn, maar een pogen om de richtingen te doorbreken om niet naar partijstandpunt, maar naar de Heilige Schrift in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen te leven.
Maar wat is hiervan geworden ? Ook in onze kerkeraad is het kerkelijk gesprek meermalen aan de orde geweest. Het bleek echter, dat we het over het meest fundamentele van onze Belijdenis, n.l. dat Christus gestorven is voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking, nog niet eens konden zijn, om van de erkenning van het volkomen gezag van de Heilige Schrift nog maar niet te spreken.
Van vrijzinnige zijde stond men afwijzend tegenover de leer der verzoening door Christus' bloed, terwijl ook de Heilige Schrift maar ten dele Gods Woord kon worden genoemd. Wij hebben daar steeds tegenover gesteld, dat dit niets gemeen had met de basis-formule van Gemeente-opbouw, „gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staan op de bodem der belijdenis", dus dat daarmede ook de basis voor een gemeenschappelijk optreden in het jeugdwerk en de actie onder de buitenkerkelijken ontbrak. Daarmede was dus de tegenstelling vrijzinnig—rechtzinnig gebleven.
Dat er rechtzinnigen zijn, die zich op zulk een ruim standpunt kunnen plaatsen, dat voor hun een samengaan met de vrijzinnigen aantrekkelijker is dan een samengaan met hen, die naar Schrift en Belijdenis wensen te spreken en te handelen, laten we geheel voor hun rekening.
Wij echter achten ons gebonden aan de belofte, bij de bevestiging tot ouderling voor God en de gemeente afgelegd, dat wij alle leringen zouden verwerpen die in strijd zijn met de volkomen leer der zaligheid, die ons in de Schriften des Ouden en Nieuwen Testaments is gegeven, welke Schriften wij beloofd hebben te zullen houden voor het enig Woord van God. Daarom kunnen wij in onze Kerk geen gelijke rechten toekennen aan een prediking, die in de hoofdzaken afwijkt van wat onze Kerk belijdt overeenkomstig Gods Woord, als de leer der zaligheid.
Gevolg hiervan is geweest, dat wij om des beginsels en des gewetens wil nu uit de ambten worden geweerd en vervangen door hen, die wel bereid zijn tot bovengenoemde erkenning en samenwerking.
Wij hebben getrouw willen zijn in de ons opgedragen taak de gemeente te wijzen op de Christus der Schriften en de doopouders te herinneren aan hun belofte, hun kinderen te zullen opvoeden en te doen onderwijzen in de voorzegde leer. Op grond van deze belofte, zijn wij van mening dat rechtzinnige ouders hun kinderen niet mogen brengen onder vrijzinnige invloedssfeer. Dit geluid mag echter niet meer worden gehoord.
We hebben in onze gemeente een eenheidspartij gekregen, die met terzijdestelling van de Gemeente-opbouw-formule, zich toch op grond van G.O. het recht toekent, allen die met dit eenheidsstreven niet kunnen meegaan, uit te bannen.
Daarom moet ds. Den Oudsten een van zijn toegewezen ouderlingen missen en zullen waarschijnlijk ook de andere te zijner tijd moeten volgen. Dat dit zelfs in vrijzinnige kringen verontwaardiging heeft gewekt, behoeft geen betoog, daar destijds de vrijzinnigheid er zich op voor liet staan verdraagzaam te zijn, en voor mensen van andere overtuiging ook plaats liet in de kerkeraad, zonder daarvoor concessies te vragen.
Dat nu een ouderling, die in de kerkeraad nooit enige actie voerde, niet herkozen kon worden, getuigt van een heel andere geest. Het woord verdraagzaamheid is ingewisseld voor een ,,ga heen" tot hen, die gaarne hun krachten gaven voor de bloei en uitbouw van onze gemeente, dit echter met behoud van beginsel.
Ten slotte volgen hier de vragen, die wij in de kerkeraad hebben gesteld :
1e. Erkent de kerkeraad de principiële verschillen, zoals die er in onze gemeente liggen ?
2e. Acht zij het in de lijn van Gemeenteopbouw, tot een geforceerde eenheid te komen, door uitsluiting uit ambten van die zich met deze samenvloeiing niet kunnen verenigen ?
3e. Zo ja, is zij bereid deze vraag aan het oordeel der Synode voor te leggen ?
Zo neen, wil zij dan medewerken de rechte verhouding bij verkiezing te herstellen ?
Hierop is door de kerkeraad en het kiescollege met uitdrijving geantwoord-
Wij meenden u met deze gang van zaken op de hoogte te moeten stellen, maar konden dit helaas slechts doen door middel van deze brief, daar „Kerknieuws" voor boven genoemde bezwaren geen plaatsruimte afstaat. Reeds eerder werd op deze grond een artikel van ons geweigerd, hoewel men om reactie had verzocht.
De Koning der Kerk geve ons getrouwheid in het belijden van Zijn volbrachte werk als de enige grond onzer zahgheid. Hij doe ons daaruit leven en zo nodig daarvoor ook lijden, gedachtig aan Zijn Woord : „Houd dat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme".
De ouderhngen :
P. van der Borden.
J. H. Bastemeijer.
M. A. Deurloo.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 december 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's