De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het sluitstuk van de kerkorde

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het sluitstuk van de kerkorde

12 minuten leestijd

De vicaris wordt door prof. Van Ruler voorgesteld als het sluitstuk van de kerkorde. In het ontwerp van Nunspeet zou z.i. op dit punt iets willekeurigs en ijls gebleven zijn. Wij achten deze verandering echter geen verbetering. De visie van prof. Van Ruler wordt ditmaal beheerst niet door het apostolaat der kerk, waarvoor hij in ander verband in de bres is getreden, zelfs als zou het apostolaat het wezen der kerk uitmaken. Destijds hebben wij reeds gewezen op 1 Corinthe 12, waar ons het wezen der kerk zo geheel anders getekend wordt.

Het kan voorts niet toevallig zijn, dat zijn beschouwingen aangaande de vicaris nu juist aan deze materie raken, n.l. aan de verhoudingen van ambt en gemeente, waarover de apostel Paulus in het genoemde hoofdstuk handelt, en wel onderscheidenlijk met het oog op de kerk in het algemeen en de gemeente in het bijzonder. Het is dan ook over deze verhouding, dat prof. Van Ruler handelt
Hij merkt op, dat het bijzondere geestelijke ambt niet vanuit het algemeen priesterschap der gelovigen te verstaan is, alsof de gelovigen, wat zij zelf hebben en zijn, terwille van de orde en de practijk overdragen aan sommigen hunner. (Vgl. Weekblad, blz. 198).
Met dit laatste zijn wij het eens. Het ambt is niet een instelling vanwege en vanuit de gelovigen, als ware het initiatief bij de gemeente te zoeken. De duidelijke uitspraken van de apostel Paulus in 1 Cor. 12 vs. 28 en Efeze 4 vs. 11, zijn genoegzaam, om te doen verstaan, dat God zelf in en door Christus de ambten heeft gesteld (Cor.) of gegeven. (Efeze).
Dit duidelijke getuigenis geeft ons dan ook grond om in de structuur van de vicaris, die ons wordt voorgesteld in de beschouwingen van prof. Van Ruler, een willekeur op te merken, die door de apostolische leer wordt gewraakt.
Want al wijst hij er terecht op, dat het ambt, niet uit het algemeen priesterschap moet worden verklaard, wijl het een instelling Gods is, (hij spreekt van prædestinatie), dit involveert nog niet, dat de ware Christen krachtens zijn geloof niet in mindere of meerdere mate de kenmerken zou dragen van de gaven, welke in het ambt op een officiële wijze krachtens de roeping tot het ambt werkzaam zijn. Het is juist dat officiële waardoor het ambt onderscheiden is.
Ten slotte is het Christus, de hoogste Profeet en Leraar, de enige Hoogepriester en eeuwige Koning, die zich door het ambt laat dienen, op Wiens gezag en bevel het zijn roeping vervult, en het is diezelfde Christus, de hemelse Apostel en Overste Leidsman des geloofs, die Zijn gemeente vergadert. (Vgl. 1 Cor. 12 vs, 1—11).

Prof. Van Ruler wil dan ook opmerken, dat de gaven Gods in het ambt niet geheel iets anders zijn dan de gaven Gods in de gemeente. Maar dan valt ook alle gewicht op het feit, dat God in de gemeente sommigen heeft gesteld, ten eerste apostelen, en ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna, gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. (1 Cor. 12 vs. 28).
En Dezelfde (Christus) heeft gegeven sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraren. (Efeze 4 vs. 11).
In dat gesteld zijn en gegeven zijn is de kracht en betekenis van het ambt gelegen en de verhouding tot de gemeente.
Duidelijk is ook, dat Paulus zeer onderscheiden over de ambten spreekt in graden van ondergeschiktheid overeenkomstig de eerbied, aan de onderscheidene ambten verschuldigd. Ten eerste wijst hij op de zeer bijzondere betekenis van het apostelambt, waarbij hij de evangelisten aansluit (wij denken aan Jacobus, Barnabas, Silas) en op de profeten. Ook is duidelijk, dat Paulus in deze opsomming bepaald het belang der ambten op het oog heeft. Men vergelijke daartoe het eerste gedeelte van het hoofdstuk, waar het niet zozeer om het ambt, als wel om de gaven van de Heilige Geest gaat.

God heeft de ambten in de gemeente gesteld.
Ondanks alle bezwaren tegen dominocratie ingebracht, bezwaren, die niet zelden overdreven worden aangedikt en bovendien met de decadentie van het kerkelijk leven saamhangen, achten wij, dat juist de goddelijke instelling aan het ambt een plaats geeft, die men ten onrechte zoekt te nivelleren, alsof het ambt krachtens die goddelijke instelling, zijnde gesteld onder het Hoofd der gemeente, niet de kenmerken daarvan zou dragen en dientengevolge ook over de gemeente zou gesteld zijn. Het eerste gewicht valt niet op het dienen der gemeente door het ambt, al is die kant er ook aan, n.l. dat de gemeente de Heere dient door het ambt, maar voornamer is, dat de Heere door het ambt Zijn gemeente regeert. Het ambt staat, om zo uit te drukken, aan de zijde van het Hoofd.
Dit te weerspreken, zou moeilijk steun in de leer der apostelen kunnen vinden.
Mèt de successie-leer der Roomse kerk heeft dit op zichzelf genomen, niets te maken, evenmin met het onuitroeibaar karakter van de wijding tot het ambt. In ieder geval mag de Roomse visie op wijding en ambt ons niet verleiden aan de goddelijke instelling van het ambt tekort te doen door de invoering van een tweeslachtige figuur, als in de vicaris wordt voorgesteld.
Wel doen de beschouwingen van prof. Van Ruler vermoeden, dat hij in de grond der zaak tegen de consequenties van zijn apostolaat-beschouwingen te velde trekt. Indien hij enige aanleiding heeft om een zachte critiek op het ontwerp van Nunspeet te oefenen, schijnt het ons toe, dat hij tegen zichzelf in het geweer komt. De stelling van het apostolaat der kerk heeft de belangen van de geïnstitueerde gemeente en het gewone herderlijke werk inderdaad wel wat op de achtergrond gedrongen. Vandaar, dat wij herhaaldelijk hebben gewezen op het overwegend belang van de bearbeiding en instandhouding der plaatselijke gemeente, met name ook op het feit, dat de Hervormde kerk een plattelandskerk is. Voor een deel kwam ook ons protest tegen Raden en Commissies daaruit op.

Allerminst kunnen wij in de instelling van het vicariaat een geneesmiddel of een tegemoetkoming aan dit euvel zien.
Men kan velerlei behulpsels instellen om waar te nemen, wat anderen niet kunnen doen terwille van ambt en gemeente. Verstaan wij de apostel wèl, dan neemt hij die behulpsels zeer ruim en mogelijk kan men hieraan een ruime toepassing op het terrein van diaconie en inwendige zending ontlenen. Ook de term regeringen, door de apostel genoemd, kan heel wat arbeid onder het ambt der ouderlingen brengen, desnoods de behartiging der stoffelijke belangen.
Maar als het over de ambten gaat, kent de apostel behalve de uitzonderlijke van apostel en profeet, die van evangelisten (zendingsarbeid) en leraars, terwijl hij elders spreekt van herders en leraars. Duidelijk is ook (1 Tim. 5 vs. 17), dat het leerarenambt met dat van de herder is saamgesmolten reeds in de apostolische tijd.
Wij wezen reeds op de ouderling, die in het Woord arbeidt (1 Tim. 5 vs. 17) en op de engel der gemeente. (Openb. 2). Men zou hieruit wel een afzonderlijk doctorenambt kunnen herstellen in verband met bijzondere gaven, maar men zal tenslotte de zielszorg ook aan de leraar niet kunnen onttrekken, en dan komt men toch weer tot de Herder en Leraar.

Doch een Herder, die geen leraar der gemeente is, en dan wel sacramenten, mag bedienen, is een figuur, die geenszins past in het beeld, dat de Heilige Schrift ons tekent. Uit de afzonderlijke plaats van de Leraren en de saamkoppeling Herder en Leraar, kan men dus afleiden, dat het onderwijs allengs aan de ouderlingen werd opgedragen. Dat komt ook overeen met de eis, door de apostel aan de ouderling gesteld. (Vgl. 1 Tim. 5 vs. 17 en Titus 1 vs. 9). Hij moet bekwaam zijn om te leren en om te wederleggen, die de gezonde leer weerstaan.
Dat is wat anders dan een herderlijke toespraak houden en sacramenten bedienen.
Wij zijn dan ook van oordeel, dat deze vinding in strijd is met het apostolisch gezag, waarvan de kracht en betekenis voor de kerk der eeuwen als blijvend dient te worden erkend. De kerk op aarde staat op het fundament der apostelen en profeten en door de Heilige Schrift nog altijd onder de leiding van het apostolaat. Het kan toch niet zonder zin zijn, dat de Heere Jezus bidt voor degenen, die door hun woord geloven zullen. (Joh. 17 vs. 20).

Telkens weer wijst prof. Van Ruler op de kennis der grondtalen van de Dienaar des Woords. Hij merkt ook met enige nadruk op, dat de Dienaar des Woords zodanig is in het Rijk Gods, terwijl de apostel Paulus spreekt van in de gemeente. De Rijksgedachte, zoals prof. Van Ruler die poneert, breekt hier door het apostolische woord heen. De juistheid daarvan menen wij nochtans te moeten betwijfelen.
Het valt voorts niets te ontkennen, dat de Heere Zijn openbaring in het Hebreeuws en Grieks heeft gegeven. Het Pinksterwonder echter heeft het Evangelie uit de engte der tweetaligheid uitgeheven. Zij hoorden een iegelijk de grote werken Gods in zijn eigen taal.
Niemand zal ons er van verdenken, dat wij de kennis der grondtalen verachten, maar een scheiding enerzijds praedestinatiaans, cultureel, eschatologisch en anderzijds sacraal-liturgisch, is moeilijk verenigbaar met de apostolische leer der gaven en der instelling van het ambt, zoals die in 1 Cor. 12 wordt gegeven. Ook psychologisch is dit niet verantwoord.
De moeilijkheid der talen doet zich bovendien niet in de eerste plaats voor op het terrein van de geïnstitueerde kerk, die beschikt over de vruchten van eeuwenlange studie der grondtalen, maar op het zendingsveld. Het merkwaardige nu is, dat de opleiding der zendelingen in de historie niet bepaald de nadruk heeft gelegd op de kennis der grondtalen.
Ook is het een feit, dat het charisma en de genegenheid tot voortgezette studie der grondtalen, aan weinigen is geschonken, zodat de meerderheid van Dienaren uit de arbeid van weinigen leeft.
Dat wil niet zeggen, dat wij niet van harte voorstander zijn van een universitaire opleiding der Dienaren des Woords, Herders en Leraars, Integendeel, het is immers niet wel mogelijk zelfs de hulpmiddelen voor de kennis en uitlegging der Schriften te bestuderen zonder voldoende kennis der grondtalen en nog wel wat meer.
Indien het merendeel der Herders en Leraren een zodanige opleiding niet zouden hebben genoten, zou dit zonder twijfel schade voor het aanzien en de waardigheid der kerk ten gevolge hebben.
Met alle kracht komen wij op voor het volwaardige ambt van de Dienaar des Woords als Herder en Leraar der gemeente en dus, zolals de apostel die ziet: de ouderling, die arbeidt in het Woord. Deze arbeid eist een volledige opleiding ook ten dienste van wat genoemd wordt het sacraal-liturgische, omdat dit niet anders zijn mag dan dienst des Woords.

Het minst belangrijke acht prof. Van Ruler, dat door de instelling van de vicaris, tegemoet wordt gekomen aan de personele en financiële nood. Intussen wordt in verband met de geldelijke aangelegenheden van ramspoedige toestanden gewaagd. Het argument van financiële nood is dus toch in het spel bij deze kwestie !
De domineeskerk moet weg. De dominee moet leren werken met de vicarissen, die niet onder hem, maar naast hem staan. (25—40 % tegenover 75—60 % vicarissen tegenover dominees).
Klaarblijkelijk wordt in deze gedachtengang aan de vicarissen een predikantsplaats toegedacht. Immers de vicaris staat niet onder de predikant, werkt niet onder leiding en verantwoordelijkheid van het ambt, maar hem is een zelfstandige positie toegedacht. Zoals wij hebben gezegd, hij zou eigenlijk een soort ouderling moeten zijn, niet in de Schriftuurlijke zin van ouderling, die in het Woord arbeidt, n.l. Herder en Leraar, maar zoiets van een Herder en Bedienaar der sacramenten.
Het valt wellicht ietwat uit de toon, maar de gedachte aan een surrogaat-dominee ligt voor de hand.
En hoe zal men die man aanspreken ? Als vicaris ? Of als dominee ?

In geen der beide gevallen zal de domineeskerk ophouden. Als de vicaris het leven der kerk van Christus kent, zal hem mogelijk de volwaardigheid vanwege de gemeente in menig geval gemakkelijker worden toegekend dan vanwege de Universitair gevormde echte dominee. En zo niet, dan zal hij een ongewenste halfheid blijven.

De kwestie van de toga zal wel een weg vinden, tenzij de toga het onderscheidend ornaat van de echte dominee blijft. In ververband met de volwaardigheid ook nog niet zonder consequenties !

De dominee (de echte dan) zal zich in de toekomst alleen kunnen handhaven als hij zijn opleiding uitbuit, meent prof. Van Ruler, met andere woorden, als hij studeert en leidsman kan zijn. Hij wil dit enigermate toelichten, als hij zegt, dat de predikanten de handen vol hebben aan de wika's van tegenwoordig.
Dit roept eigenaardige gedachten op. Wij nemen dit oordeel niet over. Indien dat in het algemeen echter zo zou zijn, hetgeen wij niet onderstellen, vragen wij toch, is het dan met een opleiding van voorbereidend-Hoger-Onderwijs gedurende zes jaren en vier à vijf jaar Universitair en kerkelijk Hoger Onderwijs wel in orde, indien de wika's meer geschikt zouden zijn ?
Prof. v. Ruler neemt hier nog al wat op zijn verantwoording.
De grondtalen maken het hem wat moeilijk, maar toch is men geneigd te vragen, ware het niet meer radicaal, als prof. van Ruler voorstelde om de hele predikantenstand maar op te ruimen en te doen vervangen door vicarissen ?
Het ontwerp-kerkorde draagt reeds de kenmerken van het achteruit-dringen van de predikant, wellicht ook wegens de gevreesde dominocratie. In dit licht gezien zou de instelling van een vicariaat ook een sluitstuk kunnen heten; geen dominees-kerk, maar een vicarissen-kerk.
Wij houden het maar liever met de apostel Paulus : De Dienaar des Woords, ouderling, die in het Woord arbeidt en daarom Herder en Leraar.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het sluitstuk van de kerkorde

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 januari 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's