De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het geloof in god

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het geloof in god

8 minuten leestijd

Uw hart worde niet ontroerd ; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. (Joh. 14 vs. 1).

Het is niet twijfelachtig, wat hier bedoeld wordt met het geloof in God. De Heere Jezus spreekt tot Zijn discipelen. God is de God der Schriften, het is de God Israëls : de enige en waarachtige God, die zich aan Israël heeft geopenbaard, de God van het Oude Testament.

Is deze God nu Dezelfde, die door de verdedigers van de nieuwe theologie wordt aangeduid als God-in-het-algemeen, het hoogste Wezen, het Opperwezen ?

De heidenen spreken van goden. Dat zijn afgoden, zeggen wij in navolging van de Heilige Schrift. De philosophen spreken van een God, of liever van een Godsidee. Als de wijsgeer zo spreekt, heeft hij het dan over God ?

Ook dit is niet moeilijk uit te maken. Het is immers voor ieder, die nadenkt, gemakkelijk te begrijpen, dat een idee is een gedachte, die, om met Calvijn te spreken, in de hersenen rondzweeft. Een Godsidee is een hersenschim en dat is iets gans anders dan de levende God. Ook dat is een afgod.

Maar als de gelovige Israëliet van zijn God getuigt, zoals in zo menige psalm, dan spreekt hij over de levende God. Hij zegt, dat Hij goedertieren is, rechtvaardig en lankmoedig, dat Hij de hemel en de aarde heeft geschapen, dat Hij woont in het verhevene en bij de nederige.

Hij spreekt dan over een werkelijkheid, over de levende God. Daaraan echter beantwoordt een werkelijkheid des geloofs, waarbij zijn ganse zieleleven in beweging is. Gij zult de Heere liefhebben met uw ganse hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met alle kracht. De ganse mens is daarbij betrokken en het belijden van die God komt uit al deze roerselen der ziel op.

Nu zal niemand beweren, dat de voorstellingen, gevoelens en zielsbewegingen — op zich zelf genomen — God zijn. Wie de Godsvoorstelling des geloofs — op zichzelf bekeken — voor God zou houden, zou in dezelfde fout vervallen als de man, die een wijsgerige Godsidee voor God houdt. Dat dit laatste geschiedt, willen wij niet ontkennen, maar dat de ware gelovige zijn geloofsvoorstellingen en gevoelens voor God zou houden, is onjuist. Dit zou afgoderij zijn. Men kan dat echter niet met toepassing op het waarachtig, geloof zeggen. En toch gebeurt dat.

Ieder mens, die enigermate over deze dingen heeft nagedacht, is tot het inzicht gekomen , dat zijn voorstellingen de dingen zelf niet zijn. Hij ziet zijn huis en heeft een voorstelling van zijn huis en hij weet zeer wel, dat die voorstelling, welke hij ook voor zijn geest kan roepen, als hij ver van huis is, zijn huis zelf niet is. Hij maakt echter onderscheid tussen de voorstelling van zijn eigen huis en een voorstelling zijner verbeelding.

Er is immers een levende betrekking tussen zijn huis en de voorstelling daarvan, welke actueel is, als hij zegt : ik zie mijn huis. Uit die levende betrekking spreekt hij over zijn huis. Niemand kan die levende betrekking naar het wezen ontleden. Het eigenlijke zien, horen, gevoelen is een verborgenheid.

Zo kan ook niemand van God waarachtige kennis dragen zonder een levende betrekking, welke wij aan de verlichtende, wederbarende, dus openbarende werking van de Heilige Geest toekennen. De kracht der waarheid ligt alzo in deze openbarende werking, waaraan het geloof correlaat is. Ook deze openbarende werking des Heiligen Geestes valt buiten het bereik onzer kennis en voltrekt zich in de verborgenheid. Uit deze verborgenheid komt ook het geloof op. Het valt onder de openbarende werking van de Heilige Geest.

In dit licht kan ook het onderscheid van geloof in de enige en waarachtige God en de dienst der afgoden worden opgemerkt.

Het gaat immers om de betrekking, met de levende God, m.a.w. buiten de openbarende werking van Gods Heilige Geest geen Godskennis, welke op waarheid kan aanspraak maken. Wat uit die openbarende werking niet werd geboren, mist het waarheidskarakter.

De vraag is nu, of de afgoderij in haar verschillende vormen, dan toch nog iets met het feit der openbaring van doen heeft. Herinnert de afgoderij nög aan een schemering van de Godheid, welke verklaring moet vinden in een openbarende daad Gods ?

Anders gesteld — schuilt in het menselijk spreken over God, de Godheid, een Opperwezen, toch nog een glimp van openbaring ? Afgoden moeten dan worden gehouden voor valse voorstellingen, hersenschimmen, eigen maaksels en hun verering voor valse religie.

De Heilige Schrift getuigt inderdaad in Rom. 1 vs. 18 v.v. van een „kennelijke Gods" en schrijft dat toe aan een openbarende daad Gods. Zij spreekt van een moedwillig ten onder houden van de waarheid en zegt, dat het heidendom de heerlijkheid des onverderflijken Gods veranderd heeft in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijke mens, en van gevogelte en van viervoetige en kruipende dieren.

Niet ten onrechte spreekt Calvijn dus van een zaad der religie, dat de mens ingeplant is en noemt de heidense religie valse religie. Er is alzo in de wereld een besef der Godheid, hetwelk overeenkomstig Rom. 1 vs. 18—20 wel degelijk betrekking heeft op een openbarende daad Gods, doch in ons gevallen en verduisterd geslacht in afgoderij wordt verkeerd.

Het is dan ook wederom in overeenstemming met de Heilige Schrift, als Calvijn zegt, dat wij buiten de Schrift tot waarachtige kennis van God niet komen en hij onderscheidt ook zó nog een meer algemene Godskennis van de bijzondere Godskennis uit het genade-verbond, welke God voor Zijn volk in Christus heeft weggelegd.

Hoewel wij derhalve de afgoderij wèl moeten onderscheiden van de waarachtige Godskennis, mag men ter wille der waarheid een algemene Godskennis niet loochenen of zonder meer voor afgoderij houden.

Christus' woord, dat wij boven hebben aangehaald, maakt onderscheid tussen het geloof in God en het geloof in Hemzelf.

In het aangehaalde hoofdstuk openbaart Hij zich zelf klaar en duidelijk als de Zoon van die God. Hij leidt Zijn discipelen niet van het geloof in Hemzelf tot het geloof in God de Vader, maar vanuit het geloof in God, dien Israël ook met de Vadernaam heeft leren aanroepen, leidt Hij hen tot het geloof in Hemzelf door de herhaalde verklaring, dat die God Zijn Vader is en dat Hij van Hem is uitgegaan.

Dan gaat Hij zichzelf bekend maken als de Weg des levens, de Waarheid en het Leven en deelt hen een verborgenheid mede, die zij uit zichzelven nimmer hadden kunnen ontdekken : Gij zijt tot Mij gekomen, en gij zijt Mijn discipelen, maar weet, dat gij tot die God, in Wien gij gelooft, niet kunt komen dan door Mij.

Indien gij Mij gekend hadt — zoudt gij ook de Vader gekend hebben, en van nu kent gij Hem en hebt Hem gezien. (vs. 7).

Voor zover zij in God geloven, zijn zij dus door de Zoon zelf geleid en in de kennis van de Zoon is de kennis van de Vader, want de Zoon is in de Vader en de Vader is in de Zoon. Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien, (vs. 9). De Zoon verklaart zich alzo eens wezens met de Vader en getuigt, dat Hij de verborgen Leidsman Israëls is.

Zó hadden zij het blijkens dit goddelijk onderwijs niet verstaan, maar daardoor heeft Hij een licht ontstoken over het Oude Testament en de leiding van Zijn volk; hetwelk na de uitstorting van de Heilige Geest zijn klaarheid zou vertonen in de prediking der apostelen.

Het is daarmede volkomen in overeenstemming te zeggen, dat er geen waarachtige Godskennis is buiten de Christus, maar het is daarmede evenzeer in overeenstemming, dat er een geloof aan God — en tot zekere hoogte zelfs in God kan zijn, zonder dat het tot waarachtige kennis van de Zoon en van God als Vader in Christus is voortgeschreden, in welke betrekking wij van het kindschap Gods spreken.

Daarmede stemt ook overeen, wat Calvijn zegt in zijn grote werk : „En hier roer ik nog niet aan die soort van kennis, door welke de in zichzelf verloren en vervloekte mensen God als Verlosser aangrijpen, in de Middelaar Christus, maar ik spreek slechts van die eerste en eenvoudige kennis, tot welke de ingeboren, natuurlijke orde ons zou leiden, indien Adam in de staat der rechtheid was gebleven. Want, ofschoon in deze val van het menselijk geslacht wel niemand zal gevoelen, dat God zijn Vader of de bewerker zijner zaligheid is, of hem op enigerlei wijze genadig is, totdat Christus als Middelaar komt om Hem met ons te verzoenen, zo is het toch iets anders te gevoelen, dat God, onze Schepper, ons door Zijn macht schraagt, door Zijn voorzienigheid bestuurt, door Zijn goedheid onderhoudt en ons elke soort van zegeningen schenkt, dan de genade der verzoening, in Christus ons voorgesteld, te omhelzen, wijl dus de Heere zich eerst enkel als Schepper zowel in de formering der wereld, als ook in de algemene leer der Schrift, en vervolgens in het aanschijn van Christus als Verlosser vertoont, vloeit hieruit voort een tweevoudige kennis Gods : van welke de eerste nu behandeld moet worden en de andere daarna op haar beurt zal volgen. Hoofdst. II, 1. Vertaling Sizoo. Cursivering van ons).

In onze tijd worden deze dingen vergeten of genegeerd en zo geheel anders voorgesteld. Van een algemene leer der Schrift, waardoor God als Schepper gekend en geëerd wordt, wil men niet weten, hoewel de ervaring leert, dat velen, die in de kerk geboren zijn, geen blijken geven ooit verder gevorderd te wezen.

Het schijnt, dat men alle geloof voor geloof in Christus houden wil, als ging de kennis van de Vader als onze Verlosser in Christus buiten Zijn gemeenschap om.

Zo komt ook deze familiare kennis niet tot haar recht.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Het geloof in god

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's