Alleen nog dit jaar
Het moet in Schotland gebeurd zijn op een Nieuwjaarsmorgen. Een Schot was vroeg naar zijn kantoor gegaan om daar wat te rommelen. Onverwachts hoort hij een tik op de deur en meteen stapt iemand binnen. Het is zijn predikant. Man — zegt hij — ik schrik van je. Had je mij dan niet verwacht ? vraagt zijn bezoeker. Helemaal niet, antwoordt hij. En dan de dominee : maar als ik nu de dood eens geweest was ? Mooi zegt u, moet u nu direct met de dood beginnen ? Zeker, ik zal u zeggen waarom. Wij zijn een nieuwe tijdkring begonnen. Voor sommigen uit onze lezers, mogelijk ook voor u, zal het een zeer bizonder jaar zijn. Zij zullen n.l. dit jaar sterven.
U moet mij niet vragen wie, want dat weet ik niet. Ik weet alleen, dat er uit ons sterven zullen en dat ik van niemand kan zeggen : gij niet. Laten wij nu eens erg voorzichtig zijn. Het voorzichtigste zal wezen, als ieder van zichzelf denkt: ik ga misschien dit jaar sterven, ik zal leven alsof het vast staat dat ik het ben. Zou dat niet het verstandigste zijn : er rekening mee te houden dat de dood dit jaar komen zal ? Hoe moeten we dan ons leven dit nieuwe jaar inrichten ?
Ik weet twee mogelijkheden. De ene is, vervat in de aansporing : laat ons lekker eten en drinken en vrolijk zijn, laat ons dit jaar nog eens echt van het leven genieten, want morgen sterven wij. Hebt u er zin in, doe het dan.
De andere is begrepen in het woord : strijdt om in te gaan door de enge poort: zoekt het Koninkrijk Gods.
Vindt u het moeilijk om te kiezen ? Dan zal ik u helpen. Als u de eerste raad opvolgt, hebt u naar 't lijkt een makkelijk leven. Wat u maar in de gedachte komt, kunt u doen. Ja, doch ik zal het maar ineens zeggen : het einde zal vreselijk wezen.
Als u de tweede raad opvolgt, krijgt u het niet makkelijk. Dan moet u breken met uzelf, de wereld en de zonde. Dat kost tranen. Maar het einde is het eeuwige leven, de eeuwige vreugde. Nu mag iemand zeggen : wat een vreselijke gedachte, dat ik dit jaar sterven zou. Ik antwoord : begin er eens anders over te denken: wat een zegen, dat gij nu, heden, nog leeft! Wat een stuk, lezers, wij zijn er allemaal nog. Och, zegt iemand, is dit leven dan zo geweldig ? Alles is zo duur, je kunt dat dure goed toch niet kopen. Och, man, zeg ik, houd op, je kunt het eeuwige leven, de genade van onze Heere Jezus Christus, je kunt de zaligheid krijgen.
Wat ? zegt de wereld, dat je weer een huis, nieuwe boeken, een fiets, een auto, een radio en die dingen kunt krijgen, dat maakt het leven begeerlijk. En als dan de dood u dit jaar komt opeisen, wat heb je dan aan je huis met je radio en je nieuwe fiets ? Ik blijf er bij, dit jaar hebben we mogen beginnen, omdat de Heere ons nog zalig wil maken. Het hoofddoel aller dagen is het eeuwige leven. Alles in de wereld stelt teleur, maar 's Heeren vrees is rein. Zij opent een fontein van heil, dat nooit vergaat.
Wilt u dat wel eens nader toegelicht horen uit Gods Woord ? Dan gaan we luisteren naar Lucas 13 vs. 6–9.
De gelijkenis.
De toepassing op de Joden.
De toepassing op ons.
Daar was eens een lief kind Gods jarig, en hij bad die dag om wat hij het meeste nodig had. Heere — bad hij — geef, dat ik mij nu eindelijk eens bekere. De Schrift zegt van deze bekering van Gods kinderen : „die heilig is, dat hij nog geheiligd worde". Men is er niet zo spoedig mee klaar. De Heere wil ons met lichaam en ziel in Zijn dienst hebben, zodat wij helemaal voor Hem leven.
Een onbekeerde heeft zichzelf op het oog, maar een bekeerde heeft God en zijn naaste op het oog. Daarom, als iemand bekeerd is, moet vrouw en kind, vader en moeder, knecht en maagd, buur en vriend, ja, koe en konijn het kunnen merken. Prof. Tholuck kreeg eens bezoek van een schoenmaker, die hem met blijdschap vertelde : professor, ik mag geloven, dat ik tot God bekeerd ben. Dat verheugt me zeer — antwoordde de professor, want daar verwacht ik voor mijzelf veel nut van ! Waarom?? Wel, ik verwacht dat ge mijn schoenen nog beter zult maken dan tevoren.
Over die bekering spreekt de Heere Jezus in ons tekstgedeelte. Want als de bekeerden bekering behoeven, hoeveel meér onbekeerden. Eerst zegt de Heiland iets anders, n.l. wat ik ook al enigszins gezegd heb. Mensen, gij gaat sterven en ge gaat al spoedig sterven, en dat op een vreselijke manier. Hoe kwam dat zo in het gesprek te pas ? Ge weet, het Joodse land was vol oproer. Daar was een bezetter, daar was ook een illegale beweging. Nu hadden sommigen van hen een plannetje gemaakt, maar dat plan was aan Pilatus verraden. Pilatus had die Galilese verzetplegers laten doden, voor ze konden beginnen.
De Farizeërs waren tegen Rome, maar ook tegen het illegale verzet. Zij vertellen het aan Jezus, als om te zeggen : zorg maar, dat Uw prediking niet op zo'n bloedbad uitloopt, want uit de dood van deze Galileërs blijkt, dat de Heere God niet met hen is. En dan zegt de Heiland : mannen, mag ik u eens wat zeggen ? Als gij u niet bekeert, zult gij op dezelfde wijze door Romeinse wapens omkomen.
Deze mensen waren geen groter zondaars dan gij, maar zij waren onbekeerd, en gij zijt onbekeerd, want gij wijst beiden de weg, die Johannes de Dooper en Ik u gewezen hebben, af ! Dan voegt de Zaligmaker er een voorbeeld bij en zegt: de toren van Siloam is pas geleden ingestort en heeft 18 mensen gedood. Ook dat was een oordeel, voor u tot een waarschuwing, want als gij u niet bekeert, zullen de torens van Jeruzalem over u heenstorten. En dan gaat de Heere Jezus vertellen, dat de Joden hun tijd hadden als een proeftijd, en daarmee bewijst Hij ons een grote dienst, want nu weten wij tegelijk, waar wij dit jaar voor gekregen hebben. Want tegen ons zegt de Heere : Gij hebt gezien hoe Hitler met al de zijnen vergaan is. Ge hebt gezien, hoe vele inwoners van Nederland vergaan zijn. Gij moet echter niet menen, dat zij groter zondaars waren dan gij : als gij u niet bekeert, zult gij allen insgelijks vergaan.
Hitler en de zijnen zijn bij mensenwetenschap onverzoend de eeuwigheid ingegaan. Duizenden Nederlanders zijn dat ook; gij gaat ook de eeuwigheid in, als gij u niet bekeert, met schuld beladen. Want meent niet dat zij groter zondaars waren dan gijlieden. Dat zegt de Heere Jezus.
Maar nu eerst de gelijkenis. Een zeker man had een vijgeboom. Daar verwachtte hij vrucht van. Daar is ook geen naarder iets, dan een vruchtboom, die geen vrucht draagt, vooral niet als hij in kostelijke grond staat. Dat stond deze vijgeboom, want hij stond in een wijngaard, moet ge weten, en daarvoor werd altoos de beste grond uitgekozen. Bovendien werd de grond van een wijngaard met de uiterste zorg behandeld. Als een vijgeboom ergens goede vrucht draagt, dan zeker hier.
De eigenaar is ook niet onverschillig voor de boom. Zodra men redelijkerwijs vruchten kon verwachten, ging hij ze zoeken. Dat was niet een vluchtig langs de boom heenlopen, maar kijken onder de grote bladeren en overal, waar slechts een vruchtje verscholen kon zitten. Jaar op jaar vindt hij niets. Daardoor raakt het geduld van de eigenaar uitgeput. Op die zelfde plek kon wat anders groeien, deze boom moet er maar met wortel en tak uit. Dat is echter ook zo wat, zo'n mooie boom zo maar tot brandhout maken. De wijngaardenier stelt voor, het nog een jaar te proberen. Hij wil er dan nog eens extra zorg aan besteden, door rondom hem te graven. Dat laatste is echt Oosters. Het kan graven wezen, om de grond doorlatend te houden, ook om greppels te graven voor de bewatering, maar in beide gevallen heeft men met metaalharde grond te doen, vooral onder zo'n boom.
Dat graven is een verschrikkelijk zwaar werk in het Oosten. De wijngaardenier krijgt stilzwijgend toestemming en de boom zijn proeftijd. De bijl ligt wel aan de wortel, maar de lankmoedigheid staat zegenend boven de boom.
De toepassing op de Joden is deze. De vijgeboom is het volk Israël. De eigenaar is beeld van God. De Heere heeft Israël geplant, opdat het vrucht dragen zou. Dat was een bizonder volk, wat z'n verzorging betreft. De Heere heeft aan dat volk bizondere voorouders gegeven, die voorbeelden zijn geweest hoe men met de Heere moest wandelen. Dat volk mag God kennen. Dat volk mocht wonderen ondervinden. „Aldus heeft Hij aan geen volk gedaan, en Zijn rechten kennen ze niet". Als vrucht mag van het volk verwacht worden, dat het de Heere erkent : de almacht des Heeren, de heiligheid des Heeren, de getrouwheid des Heeren. De Heere wist, dat het een zondig volk was. Hij heeft niet het onmogelijke van ze geëist. Weliswaar heeft de Heere ze een wet gegeven, opdat zij Zijn wil zouden kennen en tegelijk de afwijkingen huns harten verstaan, maar de Heere heeft ook een dienst der verzoening ingesteld. De Heere heeft gezegd : al zondigt ge nog zo, ge zijt toch Mijn volk, als gij maar tot Mij wederkeert met belijdenis van schuld. „Al waren dan uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw"......... En Gods offers zijn een gans verbroken geest. Zacht heeft de Heere met dit volk gehandeld. Telkenmale weken ze af. Daar was bij de afgoden zoveel meer wereldse vreugde, dat zij telkens weer hun feesten en hun offerplaatsen bezochten. Dan sloeg de Heere hen met de roede. Maar als zij dan tot Hem riepen, verloste Hij ze. De Heere is goed voor Zijn volk geweest. Nooit riep het tevergeefs om Zijn hulp. Het is ook niet zo, dat Hij hen maar aan hun lot overliet ! Hij heeft ze gewaarschuwd, vele malen en op velerlei wijze.
Maar het liep alles daarop uit, dat Israël de verloren zoon was en bleef. Een volk, een mens, kan heel wat waarschuwingen in de wind slaan. Israël bracht, hetgeen het van de Heere ontvangen had, in de dienst der afgoden door. Toen kwam de wegvoering van de tien stammen. Er veranderde niets door. Toen kwam de brand van Jeruzalem en de ballingschap in Babel. Daarvan is Israël geschrokken. Het werd gelijk de oudste zoon, maar het gaf z'n hart niet aan de Heere.
Toen kwam Jezus, voorafgegaan door Johannes de Dooper. Het volk verwerpt Jezus. Ieder koos het zijne en de smalle weg van het navolgen van Jezus, de Heiland, werd niet betreden. Daar was geen diepgaande kennis der zonde, er was geen gebroken en verslagen hart en geen begeerte om God alleen te dienen, te eren en lief te hebben.
De Farizeën bleven bij hun wet, de priesters bij hun tempel, het volk bij zijn beslommeringen, en de Heiland bleef alleen. De godsdienstige mens werd verheerlijkt. Vormendienst, van buiten schoon schijnend, van binnen vol doodsbeenderen. Niets hielp om tot waarachtige bekering te komen. Nu moet Israël maar uitgeroeid worden. Doch Jezus bidt aan 't kruis: „Vader, vergeef het hun". Dan krijgen ze nog 40 jaar. Toen was er nóg geen vrucht. Dan komt de ondergang. 40 jaar na Golgotha : Jeruzalem verwoest, tienduizenden gedood, het overschot verstrooid, het volksbestaan verbroken, de vijgeboom uitgehouwen. Gods lankmoedigheid had opgehouden. Israël is nog een uitgehouwen boom, ook nu het in Palestina terug is.
't Is een geweldig aangrijpende gedachte, dat God zich een volk heeft uitverkoren. Hij heeft er alle arbeid aan besteed, en dan blijft alles zonder vrucht.
En nu onze wereld. Wij heten Christenvolken. Maar hoevelen onder die millioenen hebben zich bekeerd ? Het gaat Israël achterop. Is Nederland een bekeerd volk ? Zeg ik te veel, als ik zeg dat het precies is, zoals in Jesaja 6 staat: hier en daar één ?
Wij zijn Gereformeerde Bonders : zijn er veel bekeerden onder ons ?
Och, wat geeft het wat een ander is.
Bent ù bekeerd ?
Natuurlijk, ik begrijp wat gij vragen wilt, u wilt vragen, wat ik dan onder bekering versta. Ik zal u antwoorden. Maar laat mij toe, dat ik eerst opmerk dat het in dit leven om dit éne ding alleen gaat : dat gij bekeerd wordt, dat zegt onze tekst. Hiervoor is ook de Heiland gestorven, n.l. om Israël te geven bekering en vergeving van zonden.
Wat is bekering ?
Ik moge volstaan met de hoofdpunten. Als een mens bekeerd wordt, breekt hij met zijn vorig leven, de wereld en de zonde. De verloren zoon verliet het vreemde land. Ieder, in wie de bekering begint, gaat anders leven. Is het niet altijd uitwendig, toch zeker inwendig. God, hemel en hel, eeuwigheid en verdoemenis, het worden levende werkelijkheden voor hem. De nieuwste mode, het lieve geld, de modernste dansen, het zedige leven; verliest z'n smaak. Het is een totale omkering van binnen. Wordt deze mens dan een volmaakte ? Verre daarvan. Maar als hij uit zwakheid in zonden valt, dan kan hij er toch niet in blijven. Waarom niet? Omdat hij wat anders zoekt, n.l. wat de dichter bedoelde : Gelijk een hert schreeuwt...... Het is, zoals wel eens meer gezegd is : armen en benen kunt ge missen, maar God kunt ge niet missen. Dat heeft een mens gevoeld in wie de bekering gewerkt wordt, en daarom is hij in de eerste tijd altijd bedroefd. Hij heeft nergens rust. Hij heeft het ook benauwd. Psalm 116 zegt : „Ik vond benauwdheid en droefenis".
En waarom is deze mens dan zo diep bedroefd ? Hoe komt het dat hij wel eens hier of daar een verborgen plekje opzoekt om uit te wenen ? Hij mist God.
Lezers, hoe is uw leven ? Stort gij wel eens tranen om het gemis van God ? Als u het nooit gedaan hebt, staat het er slecht met u voor. Zeér slecht! Want slechts zij, die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien. Zie, lezers, wij moeten geestelijk leren wat de verloren zoon zo uitdrukte : ik verga van honger. Als iemand bekeerd wordt komt hij in een toestand, waarin hij zegt : als ik zo blijf, moet ik voor eeuwig verloren gaan. Hij wordt verder, overtuigd van de noodzakelijkheid van Christus. Is dat ook uw ligging geworden : buiten Christus voor eeuwig verloren ?
Dat is de weg der bekering, en dit werk wordt voltooid door een groot wonder. Als de verloren zoon tot bij huis gekomen is, openbaart zich zijn vader, loopt op hem toe en omhelst hem. Als gij overtuigd van de noodzakelijkheid van Christus tot de Heere vlucht, alles loslatende en komende, doet God zich kennen in het aangezicht van Jezus Christus en wordt gij door de hemelse Vader omhelsd. Gij krijgt een nieuw kleed en een ring aan uw vinger en nieuwe schoenen, m.a.w. gij krijgt vergeving van zonden en een recht op het eeuwige leven en een vernieuwd hart om naar Gods geboden te leven.
Deze bekering hebben wij allemaal nodig. In het paradijs zijn wij God kwijt geraakt en nu moeten wij door Christus met de Heere verzoend worden.
Dat moest de vrucht wezen der weldaden Gods en in het bizonder van de prediking van het evangelie. Helaas, zijn millioenen gedoopten in de wereld en zelfs in ons land onbekeerd. Millioenen leven in ons land zonder naar Gods geboden zelfs uitwendig te vragen. Het scheen in de afgelopen tijd, dat de Heere besloten had ons volk uit te houwen. Het schijnt ook, dat er toen voor ons gebeden is. Op aarde is zeker gebeden, er zal ook in de hemel gebeden zijn. Wij zijn gespaard. Maar onder ons volk is van bekering weinig te zien. Mocht dat in dit jaar anders worden, want zo niet, 't loopt op de duur, als Gods geduld uitgeput is, slecht af.
Zo zijn onder de lezers vele onbekeerden. Wij moesten nu eindelijk tot zelfkennis gekomen zijn en de weg naar het kruis, de weg van Bunyan hebben leren vinden. Helaas, de Heere roept ons naar de hemel en wij wandelen naar de hel. Wat heeft de Heere een zorg aan ons allen besteed. De Heere Jezus is op aarde gekomen en heeft Zijn leven gegeven tot een losprijs voor velen. Wij zijn in de naam van een Drieënig God gedoopt, om ons daarvan te verzekeren, dat Hij onze zaligheid wil. Het evangelie is ons verkondigd, wij zijn gewaarschuwd, wij zijn genodigd, er zijn dingen in ons leven gebeurd, die ons tot nadenken moesten stemmen, en wat is de vrucht geweest ? Bij zeer velen ziet men niet anders dan een doorgaan in de wereld, alsof er geen sterven en geen oordeel voor de deur staat.
En nu is 1950 weer begonnen. Ik hoop, dat wij allen in dit jaar bewaard mogen worden. Het is echter de gewone gang, dat sommigen sterven. Ik hoop dat een ieder zó leven mag, alsof hij dat wezen zal.
Oude onbekeerde mensen, volwassen onbekeerde mensen, de Heere geeft u dit jaar nog een proeftijd. Denk nu maar : ik ga sterven en dan begint een eeuwige nacht. Daar zal voor u wening zijn en knersing der tanden. Houw hem uit, zal het dan wezen. Deze, die niet heeft gewild dat Ik over hem zal Koning zijn, brengt hem hier en bindt hem aan handen en voeten, werpt hem in de buitenste duisternis.
De Heere geve, dat iedere onbekeerde Gods dreigingen geloven mag en dat hij nu in een proeftijd is. Maar ook dit. Wat wilde de eigenaar van de boom het liefst ? Natuurlijk dat de boom vrucht droeg. Daarom stond hij toe dat de wijngaardenier om hem groef en hem mestte.
Wat wil de Heere van u, oude en sterke mannen en vrouwen ? Dat gij tot Hem wederkeert en u laat zaligen. Gij leeft nog onder Gods lankmoedigheid. Bezie zo uw leven eens. Of het met Nederland in 1950 goed zal komen of niet, zullen we moeten afwachten. Dat is ook het voornaamste niet. Maar of het met ù goed zal komen, of gij een Borg voor uw schuld zult vinden, dat is wèl het voornaamste.
Wij moeten allemaal bekeerd worden. Laten wij niet uitstellen, wat geen uitstel kan lijden. Wij behoeven nergens op te wachten. Denk eens : met al het goed van deze wereld zullen we te gronde moeten gaan. Nu heeft de Heere nog een zaligheid, een uitredding aan ons geboden. Laat ons die zaligheid aangrijpen.
De Heere heeft ons ook middelen aangewezen om tot die zaligheid te komen. Het eerste middel is : het gebed. De apostel Paulus zegt : „Bidt zonder ophouden". Denk u het gevaar eens in. U kunt ieder ogenblik sterven, en als ge dan geen Borg hebt voor uw schuld, waar moet ge dan heen ? Gij moet u iedere dag afzonderen en tot God roepen. Bidt, en u zal gegeven worden. Ieder van ons kan tot de kennis der zaligheid komen. Bidt er maar om.
Een ander middel is de prediking. Als de prediking kan gehoord worden, moeten wij dat doen. Daar is zoveel Goddelijke wijsheid in de rechte prediking. Wij moeten, niet vragen of wij lust hebben in de prediking. Wij moeten het doen uit plicht. En dan is God vrij om ons de Heilige Geest te geven, zodat, wat wij uit plicht begonnen, in liefde eindigt.
Een derde middel is de overdenking. „Mijn overdenking van Hem zal zoet zijn". Gij moet eens overdenken, op welke weg gij wandelt. Gij moet overdenken de geboorte, het leven, het lijden en sterven, de opstanding en hemelvaart van Christus. Des Heeren Woord spreekt zalig : die 's Heeren Woord, blijmoedig dag en nacht, herdenkt, bepeinst en ijverig betracht.
Een vierde middel is het spreken met elkander over de weg tot Christus en met Christus. Dat wordt niet genoeg gedaan.
Zie, dat is het programma voor 1950, uw proeftijd. Houdt het altijd voor ogen : als ik niet verander, word ik uitgehouwen. Maar het is nu nog de welaangename tijd.
Gij, ouden, denkt er eens om, gij zijt nog onbekeerd. Denkt er eens om, dat ge uzelf niet bekeren kunt. Denkt er eens om, hoe erg het wezen zal: eeuwig rampzalig. Bedel er om bij God, om bekeerd te worden.
Gij, jongen, denkt er eens om dat er geen groter vastigheid is voor het leven dan de Heere Jezus. Dan hebt ge de hemel, en bovendien eten en drinken, een dak boven je hoofd, een positie in de wereld, want alle dingen zullen je toegeworpen worden.
Kinderen Gods, dankt de Heere dat ge vruchten draagt; wat een rust, als ge het geloven moogt: straks plant de Heere mij over in Zijn heerlijk paradijs. En nu moogt ge mee helpen graven en mest er om leggen voor uw kinderen en voor allen, die u ter harte gaan. De Heere is machtig genoeg. Hij kan wel een groot gezin helemaal bekeren.
Bekommerden, gij klaagt, dat ge een onvruchtbare boom zijt, en enigszins terecht, maar er worden al bloesems bij u gezien. Denkt er aan, dat de Heere u nog spaart, omdat Hij geen lust heeft in uw dood, maar daarin, dat gij u bekeert. En mocht iedere lezer eens ernst gaan maken, ernst in daden, met de eeuwigheid.
Zo zij het.
Papendrecht.
L. VROEGINDEWEIJ.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's