Het besef der Godheid algemeen
Het is bekend, dat Calvijn in het begin van de Institutie begint er de nadruk op te leggen, dat de ervaring leert, dat in de menselijke geest een zeker besef van de Godheid is en „dat wel door een natuurlijke ingeving".
Wij hebben daarop reeds eerder gewezen, maar het kan zijn nut hebben op twee dingen de aandacht te vestigen.
Ten eerste dient er op gelet, dat men dit feit in onze tijd tracht te weerspreken. En hoewel de ervaring dit feit iedere dag bevestigt, is het toch van belang er op te wijzen, dat de ontkenning van deze werkelijkheid ook tekort doet aan het getuigenis der Heilige Schrift en mitsdien aan het getuigenis van de Heilige Geest.
Aan die ontkenning ligt een opvatting der openbaring ten grondslag, welke haar grond vindt in vooronderstellingen, die worden bepaald door wijsgerige speculaties over tijd en eeuwigheid.
Wij zouden dit zo ernstig niet nemen, indien de opvattingen, welke daarmede verder saamhangen, slechts in de theologische beschouwingen van sommigen werden ten beste gegeven, omdat zij voor de ongeleerde mensen en zelfs voor velen, wier opleiding hen daarboven verheft, schier onbegrijpelijk zijn.
Er zijn echter altoos geesten, die er begeerte in hebben nieuwigheden, of wat er voor gehouden wordt, onder de mensen te verbreiden en ingang te verschaffen. En het is een merkwaardig verschijnsel, dat zij daarbij gaarne steun zoeken bij gezaghebbende leraren der kerk, als zouden die in dezelfde zin geleerd hebben.
De geschiedenis toont verder aan, dat de theologen in hun beschouwingen over de dingen des geloofs dikwijls een eigen weg zijn gegaan en niemand zal zeggen, in hoeveel dwalingen en ketterijen iemand kan verstrikt raken en toch nog een Christen zijn.
Dit neemt echter niet weg, dat diezelfde geschiedenis ook kan aantonen, hoezeer de gemeente en het kerkelijk leven als geheel schade kunnen lijden door leringen, die met de algemene leer der Schriften en met het geloof in de enige Middelaar Jezus Christus als Verlosser en Zaligmaker in flagrante strijd zijn.
Wij zijn van oordeel, dat ook de „nieuwigheden", welke in onze dagen worden geleerd, zulke gevaren meebrengen en dat het nuttig kan zijn, daarop de aandacht te vestigen. Het gaat ons daarbij niet om de bestrijding van personen, maar van leringen, die naar onze overtuiging als dwalingen moeten worden aangemerkt.
Ten tweede willen wij er op wijzen, dat er een schijn van billijkheid in is, als men zich met hand en tand verzet tegen de stelling ener „natuurlijke Godskennis". Men wil dan de verheven Majesteit van God hooghouden door de kennis van God wel te onderscheiden van alle kennis der z.g.n. „natuurlijke" dingen. God geeft zich niet gevangen aan ons menselijk verstand. Wij kunnen over God maar niet beschikken en Hem opsluiten in onze menselijke begrippen, zo zegt men. Dat is ook zo, en het is slechts dwaze verbeelding, als iemand het er voor zou houden.
Daarom echter zal een mens, die zijn hart tot God verheft, aan zulk een dwaasheid, als die bij hem werd gevonden, ook wel ontdekt worden.
Wij ontkennen ook niet, dat een z. g. n. „natuurlijke theologie" zich groot gemaakt heeft ten koste van de Godgeleerdheid, die uit het geloof der Schriften opkomt. Mogelijk, dat misverstand vroeger en later in het spel is geweest en nog is, wijl ook Calvijn b. v. spreekt van „natuurlijke ingeving". Wie op de klank afgaat, kan in zulk een misverstand vervallen, doch wie met onderscheiding leest, kan zich daarvoor bewaren.
Calvijn denkt bij het woord natuurlijk aan de menselijke natuur, zoals die uit de hand van haar Schepper is voortgekomen en dus aan een daad van God. God zelf heeft in allen een zeker begrip Zijner Godheid gelegd, opdat niemand zijn toevlucht zou nemen tot het voorwendsel van onwetendheid. Hij vernieuwt gestadig de herinnering daaraan. Hij doet herhaaldelijk nieuwe droppelen indruppen, daar allen zonder uitzondering inzien, dat er een God is en dat die hun Schepper is. (I. 3, 1).
God schrijft een bewustzijn der Godheid in aller harten in. De afgoderij is er om te bewijzen, dat de indruk aangaande de Godheid zeer krachtig is, want de natuurlijke opgeblazenheid daalt uit eigen beweging tot de laagste dingen, om zo God te eren. (Vgl. I. 3. 1).
Wie derhalve alle besef der Godheid botweg voor afgoderij houdt, zonder op die daad Gods te letten, heeft te bedenken, of hij in zijn ijver niet wijzer wil zijn dan God, als hij met verwerping van een natuurlijke Godskennis (naar zijn opvatting) ook een algemene openbaring loochent.
Deze wordt ook niet te niet gedaan, omdat er vele mensen zijn, die van God niet willen weten en met Hem geen rekening wensen te houden, terwijl zij hun eer brengen aan een drom van afgoden. Dit is ook aan Calvijn niet ontgaan, want hij merkt op, dat ook de goddelozen zelf hiervan een voorbeeld zijn, dat in de harten van alle mensen zekere kennis van God krachtig leeft. (I. 3. 2).
Hoezeer wij ook het pogen prijzen om de mensen van onze tijd te ontdekken aan de ijdelheid der afgoderij, dreigt men toch in zijn eigen zwaard te vallen, als men het doet ten koste der waarheid en het moment der openbaring in het algemeen besef van God negeert, zoals verdedigers van een z. g. n. nieuwe theologie tegenwoordig plegen te doen.
Hoe kan een mens zich afgoden maken, als er niet een besef der Godheid in hem is?
Bovendien maakt men de enige en waarachtige God tot een God onder de goden. Dit geschiedt met name, als men aan de afgoden werkelijkheid toeschrijft en de God der openbaring voorstelt als een bijzondere God. De werkelijkheid der afgoden is geen andere dan de verbeelding, welke de goddeloosheid aangrijpt om zich zelve goden te maken en daaraan eer te geven, instede van de enige en waarachtige God te eren. De werkelijkheid van het Godsbesef ligt in een daad van God.
Het doet van deze waarheid niets af, dat de ongelovige mens die daad van God niet erkent. Het geloof, dat uit de Godsopenbaring leeft, ziet het en dat behoort ook het uitgangspunt der theologie te zijn.
Een theologie, welke van uit de werkelijkheid van het ongeloof redeneert, verwerpt haar eigen grond.
Ofschoon Calvijn dan ook zeer wel inziet, dat er nauwelijks één op de honderd gevonden wordt, die de ontvangen kiem in zijn hart koestert, en niemand in wie: zij rijpt, en allen de ware kennis van God verbasteren, houdt hij zich toch aan de leer der Schrift. (Rom. 1 vs. 18 v., Hebr. 11 vs. 3, Psalm 19).
Ook onze geloofsbelijdenis, welke immers uit het geloof spreekt, komt daarmede overeen. (Art. 2). En het is volkomen in overeenstemming met de Heilige Schrift, dat de kerk belijdt, dat God zich te kennen geeft door de schepping, onderhouding en regering der wereld.
Men moet dat dan ook verstaan uit het geloof en kan deze belijdenis niet verwerpen, omdat de wereld zo vol afgoderij is. Het heeft ook geen zin, deze belijdenis aan te vallen op grond van de stelling, dat de menselijke rede niet bij machte is in de hemel op te klimmen. Want het gaat niet om de grenzen van ons redevermogen, maar om het geloof in de Godsopenbaring.
Het theoretisch oordeel zegt, uitgaande van zijn onderstellingen, dat Godskennis een menselijke onmogelijkheid is, maar het geloof verheugt zich in de kennisse Gods. „De Heere God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid, die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, die de ongerechtigheid, en overtreding, en zonde vergeeft; die de schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen". Ex. 34 : 6).
En als Calvijn nadrukkelijk de kennis van God, de Schepper, naar de algemene leer der Schrift onderscheidt van de kennis van God de Verlosser in Christus Jezus, (het zaligmakend geloof), dan wijst hij er niettemin op, dat de gevallen mens ook tot die eerste kennis niet opklimt buiten de Schrift en niet buiten het geloof. Wat hij onder de algemene leer der Schrift saamvat, ziet ook op een kennis des geloofs. Want men moet uit de Schrift leren, dat God de Schepper der wereld is en onderscheiden van de afgoden. God heeft van den beginne jegens Zijn kerk, behalve de algemene bewijzen, Zijn Woord aangewend. Elders zegt hij, dat de mens nooit zonder het Woord Gods is geweest en Hij heeft ook altijd gemaakt, dat Zijn Woord aanvaard werd met een ontwijfelbaar geloof.
Want, zegt hij, hoewel de mens ernstig zijn ogen behoort in te spannen tot het beschouwen van de werken Gods, daar hij in deze zo schitterende schouwplaats gezet is om hun toeschouwer te zijn, behoort hij toch voornamelijk zijn oren te spitsen naar het Woord, opdat hij beter vorderingen moge maken. (Vgl. I. 6. 1 en 2).
Altijd weer wijst Calvijn op het geloof, als hij over de Schrift spreekt.
Hij ziet klaar in, dat het Schriftgeloof valt buiten de gewone orde (I. 8. 1) en derhalve hecht hij geen waarde aan z.g. theoretische bewijzen. Indien deze zekerheid, die hoger en sterker is, dan elk menselijk oordeel, niet aanwezig is, zal het gezag der Schrift tevergeefs door bewijzen verdedigd, of door het eenparig gevoelen der kerk bevestigd, of door andere hulpmiddelen versterkt worden. (I. 8. 1).
Wij kunnen ook op dezelfde gronden daaruit nemen, dat men vergeefs door allerlei redeneringen en spitsvondigheden bewijzen tegen het gezag der Schrift zal kunnen voortbrengen.
Daarom hinkt de gebruikelijke of althans veelvuldig gebruikte woordspeling van een onmogelijke mogelijkheid in de z.g. nieuwe theologie op twee gedachten. Immers de onmogelijkheid wordt geponeerd uit verstandelijke overwegingen, de mogelijkheid kan slechts door het geloof worden ontdekt.
Intussen kan gebleken zijn, dat het geloof in de algemene openbaring onmiddellijk raakt aan de waarde der Schrift als vallende buiten de gewone orde. Dat heeft dus ook onmiddellijk betrekking op de waardering der Heilige Schrift.
Het is juist die waardering, welke in de ontwikkeling der nieuwere theologie van die der reformatie is afgeweken.
Wij willen daarom ook op dit punt nader horen, wat Calvijn daaromtrent heeft geleerd.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's