De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

In vindenstijd

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

In vindenstijd

7 minuten leestijd

„Hierom zal U een ieder heilige aanbidden in vindenstijd". Psalm 32 vers 6.

Psalm 32 loopt evenwijdig met Psalm 51. Beide liederen zijn ontstaan in de donkere tijd van Davids zonde. Zij worden wel eens genoemd : „Het lied van de verloren zoon". Met dit verschil, dat de ootmoedige klacht uit Psalm 51 „Gena, o God, gena, hoor mijn gebed !" aansluit bij het „ik zal opstaan en tot mijn vader gaan", terwijl Psalm 32 aansluit bij het ogenblik, waarop de verloren zoon de kus der vergeving op het voorhoofd voelt branden. Rustend in de vaderarmen na de verre zwerftocht, zingt het in de ziel : „Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven, die van de straf voor eeuwig is ontheven !"

Paulus haalt deze Psalm aan in de brief aan de Romeinen, wanneer hij uit de Schrift aantoont dat God de zondaar rechtvaardigt om niet, en een kerkvader (Augustus meen ik) gaf als zijn wens te kennen, dat hij in vrede de adem mocht uitblazen onder het lezen van deze Psalm.

Het zesde vers spreekt van de ware aanbidding. Die aanbidding wordt geboren in de vindenstijd, wanneer God Zich neerbuigt over die in ootmoed smekend tot Hem komen.

Als de dichter de hemel aanziet, het werk van Gods vingeren, de maan en de sterren, die Hij bereid heeft, rijst de aanbidding omhoog : „Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt !"

Dit is de aanbidding van Gods Majesteit.

Heerlijker nog is de aanbidding vanwege Gods barmhartigheid, bewezen aan een verloren zondaar. En daarvan doet David belijdenis in Psalm 32.

Toen David van die barmhartigheid niet spreken kon, was er een drukkend zwijgen, dat hem zelfs lichamelijk ten onder bracht, zó leed hij daaronder. „Zijn beenderen werden verouderd in zijn brullen de ganse dag".

Het was niet goed tussen David en de Heere. Het kan nooit goed zijn tussen een mens en de Heere, zolang schuld onverzoend is.

David weet het, en tóch kan David niet zover komen dat hij voor God op de knieën komt. Hij zweeg !

De Heere laat David niet los, en het bewijs daarvan is : dag en nacht rustte Gods hand zwaar op hem !

De Heere behandelt David niet op voorzichtige wijze. Krachtig grijpt de Heere hem aan in zijn geweten èn in zijn levensomstandigheden.

Zijn geweten wordt open gelegd en dit geweten spreekt van schuld. Alleen van schuld! Want alle voorwendsel voor de zonde wordt door het eigen geweten het zwijgen opgelegd.

De levensomstandigheden worden dag aan dag zwaarder en moeilijker en David proeft daarin Gods recht, het bitter van Gods toorn.

God worstelt mèt David en in David om hem op zijn plaats te brengen, maar...... hij zweeg !

Dat is het toppunt van alle beproevingen, door Gods hand in de engte gedreven te worden, zó, dat de zondaar bemerkt, dat hij te doen heeft met die Rechter, Wiens toorn en gestrengheid buiten de eeuwige dood nog ontelbare „doden" bevat. „Duizend zorgen, duizend doden, kwellen mijn angstvallig hart", klaagt Psalm 25.

In die engte wordt het zwijgen gebroken en breekt het schuldbewustzijn open in een schuld belijden.

Waar David zichzelf niet brengen kan, brengt hem de Heere.

Zolang drukt Gods hand op David, totdat hij aan de handen Gods niet langer ontkomen kan om in de handen Gods vallende, te ervaren, dat Gods handen goedertieren handen zijn, de schuldige weliswaar geenszins onschuldig houdende, maar oprichtend die in het stof neergebogen ligt.

In drie woorden schreit David zijn lang ingehouden schuld uit.

„Mijn zonde maakte ik U bekend".

David gaat eindelijk aangifte doen van zijn misdaad. Na ernstig overleg ! Want het vonnis draagt David in zijn beschuldigend geweten om. Dan gebruikt David een woord voor „zonde", dat eigenlijk betekent , „zijn doel missen".

Als herdersknaap was David tot koning verkoren om God te verheerlijken in Israël. Wat is het einde ? Zijn daad heeft God van Zijn eer beroofd en schande gebracht over Israël. David heeft zijn doel gemist.

„Mijn ongerechtigheid bedekte ik niet". Hoe zou David het kunnen nu hij door God zelf bij zijn ongerechtigheid gebracht is, van aangezicht tot aangezicht. Om van te huiveren ! En dan gebruikt David voor „ongerechtigheid" een woord dat betekent „een kromme weg gaan, buiten God en Gods gebod om".

Nu, krommer kon het niet. Doodslag en echtbreuk in één daad

„Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen". God heeft een grens gesteld : Zijn wet. Tot zover maar niet verder. Doch David heeft willens en wetens de grens overschreden. Dat is even dodelijk als wanneer iemand de electrische leiding niet acht.

Is het dan niet aanbiddenswaardig, dat in de gerichts-engte geleerd wordt: „en Gij vergaaft de ongerechtigheid mijner zonde".

Dát is nu de reden waarom ieder heilige de Heere aanbidden zal in vindenstijd. Omdat God vergeeft, zonde bedekt en ongerechtigheid niet toerekent!

Weer gebruikt David drie verschillende woorden nú om het wonder van de vergiffenis te bezingen.

„Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven is". Vergeven is opheffen, zodat het niet meer is, wegnemen, zodat het niet gevonden kan worden. Wat wordt weggenomen ? Schuld, die eeuwig tegen een mens getuigt. Zonde, die eeuwig strafwaardig is. Geworpen in de zee van de vergetelheid Gods. Hij denkt er niet meer aan.

De zware last weggenomen van de schouders en het juk opgeheven en gebroken. Dan blijft er toch niets anders over dan te roemen in vrije gunst, die eeuwig Hem bewoog.

„Wiens zonde bedekt is".

Over de zonde die nooit meer ongedaan te maken is, (wat blijven er een lidtekenen achter met schrikkelijke gevolgen), legt de Heere een bedekking. Het alles bedekkende bloed van het Lam Gods.

Het gestelde doel van ons leven was God liefhebben boven alles. Wij hebben het doel gemist, want wij hebben God niet erkend in Zijn grootheid. Dat loopt uit op een eeuwig Godsgemis.

Is het nu niet eeuwig verwonderlijk dat de Heere verknoeide levens toedekt, dat hun ongerechtigheid niet aan de dag treedt ?

Nu kan de duivel er niet meer bij om beschuldiging in te brengen tegen de kinderen Gods. En het allergrootste, God wil er niet meer naar omzien. Voor eeuwig bedekt zal geen verdoemenis treffen die in Christus Jezus zijn.

Werkelijk „welgelukzalig is de mens dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent".

De Heere wil over uw rekening praten. Weet gij al met welk tekort deze rekening sluit ? „Al de geboden Gods overtreden en geen daarvan gehouden en nog steeds tot alle boosheid geneigd".

Toen David dit tekort onder de ogen kreeg werden zijn beenderen verouderd ! Hoe moest dat ooit terecht komen !

Is dat ook al uw klacht lezer (es) „Hoe moet het ooit met mij terecht komen !"

Er valt met den Heere te praten. Dat wil David in deze psalm doorgeven voor het ge­val er bedrukten zijn, die Gods hand zwaar op zich voelen rusten. Daarom staat er boven Psalm 32 „Een onderwijzing van David".

We hebben te doen met een God, Die David de ongerechtigheid niet toerekende. Niet om Davids tranen en Davids oprecht berouw (ofschoon wel in een weg van tranen en berouw). Maar wel om Christus' tranen en om Christus' trouw.

De Heere rekende Zijn Zoon de schuld van David toe en Hij rekende David de gerechtigheid Zijns Zoons toe.

Eeuwig geprezen zij zulke genade !

De ongerechtigheid op rekening van David werd op rekening van Christus gezet. Het kan niet anders, dan moet ieder heilige zulke vrije liefde aanbidden. De schuldige onschuldig en de Onschuldige schuldig.

Waar dat geheimenis aan het hart verklaard wordt, is het vindenstijd.

Vindenstijd is Immanuëls tijd.

Dan gaat het er op of er onder.

Maar het gaat niet ten onder !

„Een zee van ramp moog' met haar golven slaan,
hoe hoog zij ga, zij raakt hem zelfs niet aan.

Voorthuizen.
I. SCHIPPER.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

In vindenstijd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1950

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's