Diaconie en armenwetgeving
Wie zich wil bezighouden met de vraagstukken op het gebied der armenwetgeving en daarbij rekening wenst te houden met de eisen der Schrift, zal wèl doen, zich te bezinnen op wezen en taak der Diaconie.
Menige lezer moge dit een vanzelfsprekendheid vinden en misschien wel tamelijk overbodig ; toch meen ik, dat dit alleszins noodzakelijk is. Een artikel over dit onderwerp uit „Koningin en Vaderland" wekt bij mij ernstige twijfel, of de schrijver van wezen en taak der Diaconie wel voldoende doordrongen was.
In de Schrift vinden we zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament herhaaldelijk vermaningen, zorg te dragen voor de armen. In de Mozaïsche wetgeving komen verschillende regels voor ter bescherming van de armen. Ex. 23 vs. 6 : „Gij zult het recht uws armen niet buigen in zijn twistige zaak". Bij het oogsten moest de Israëliet voor de arme de hoek des velds laten staan. De arme moest geholpen worden (Deut. 15) met milde hand. De Spreukendichter zegt : „Die zich over den arme ontfermt, leent den Heere, en Hij zal hem zijn weldaad vergelden".
Niet alleen het Oude Testament, doch ook het Nieuwe Testament eist de verzorging der armen. Rom. 15 : 26 zegt: „Want het heeft die van Macedonië en Achaje goed gedacht, een algemene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen, die te Jeruzalem zijn". Gal. 2 vs. 10 : „Alleenlijk dat wij den armen zouden gedenken, hetwelk ik mij ook benaarstigd heb te doen".
't Behoeft dan ook niet te verwonderen, dat Handelingen 6 ons melding maakt van de instelling van het ambt der diakenen, die de tafelen moesten dienen. Het formulier tot bevestiging van ouderlingen en diakenen verwijst hiernaar en omschrijft dan het ambt der diakenen als volgt, uit welke plaatsen genoeg te zien is, welk het ambt is der diakenen, n. l. ten eerste, dat zij in alle getrouwheid en naarstigheid de aalmoezen en goederen, die den armen gegeven worden, verzamelen en bewaren ; ja, ook vlijtig zijn om te helpen toezien dat tot hulp der armen vele middelen gevonden mogen worden. Het tweede deel van hun ambt bestaat in de uitdeling, waartoe vereist wordt niet alleen gave van onderscheiding en voorzichtigheid om de aalmoezen niet te besteden, dan waar 't nodig is, maar ook blijmoedigheid en eenvoudigheid om met een bewogen hart en toegenegen gemoed de armen te helpen, gelijk de apostel eist. Waartoe zeer goed is, dat zij niet alleen met de uiterlijke gift, maar ook met troostelijke reden uit het Woord Gods aan de armen en ellendigen hulp bewijzen.
Was het diaconaat door de apostelen ingesteld, langzamerhand is het in de Roomse verwording weggezonken en van zijn karakter beroofd. De Reformatie, teruggaande tot de Schrift, deed ook het diaconaat herleven, zoals het hierboven geciteerde formulier mede bewijst. Met de geestelijke op- en neergang onzer Vaderlandse Kerk, ging ook het diaconaat op en neer, en werd zijn ware karakter meermalen niet meer gezien en niet meer gehandhaafd. Het is echter duidelijk, dat het de roeping der Christelijke Kerk is, de armen te verzorgen. De inzameling der gaven in de godsdienstoefening is een bestanddeel, dat daaraan niet mag ontbreken. Het is de primaire taak der Diaconie, der Kerk haar arme medeleden in stoffelijk opzicht bij te staan. Ik geloof, dat dit principe moeilijk ontkend zal kunnen worden. Het is dan ook uitermate bevreemdend, te moeten lezen : „De Diaconale armenzorg heeft allereerst een functie ten opzichte van de persoonlijke moeilijkheden der kerkleden. De materiële hulpverlening, die daarmee gepaard kan gaan, mag m.i. subsidiair, een aanvullend karakter dragen".
Hier worden de zaken op de kop gezet. De Schrift leert duidelijk, dat de hulp aan de arme in de eerste plaats van stoffelijke aard is.
O, zeker, de geschiedenis is mij niet onbekend. De Kerk is vele jaren niet in staat geweest alleen in de noden der armen te voorzien. Maar de omstandigheden zijn gewijzigd, door de uitgebreide sociale wetgeving is het aantal armen belangrijk verminderd. Maar er zijn toch nog altijd mensen, die ondanks de sociale wetgeving hulp nodig hebben. Het is dan m.i. eis der Schrift, dat de Diaconie tracht deze mensen zo mogelijk volledig te helpen. Thans is dit voor vele Diaconieën ook inderdaad mogelijk geworden, Ik acht het een ernstige miskenning van het Diaconaat, dat tegenwoordig in bredere kring de neiging bestaat, dit af te schuiven op de overheid. Pas wanneer de Diaconie deze primaire Schriftuurlijke taak vervuld heeft, kan zij m.i. verder gaan en zo mogelijk haar taak uitbreiden.
Ik acht daarom het bestaande beginsel in de Armenwet, dat de kerkelijke en bijzondere armenzorg primair is, juist. Dit doet aan de Kerk recht wedervaren.
Wat echter te denken van een opmerking, dat het niet zo eenvoudig is om de hand op te houden, zelfs al is het een broederband, en dat men vrij en frank de kerkdiensten wil bijwonen ?
Deze opmerking maakt wel duidelijk, hoe ver we van huis zijn en hoe weinig begrip er van het waarachtige Diaconaat is !
En dan moeten we ons hierbij zeker maar neerleggen en deze roeping der Kerk eigenlijk maar afschaffen ! Ik begrijp niet, hoe iemand in het licht der Schrift met zulke beweringen kan komen !
Ik ben van oordeel, dat het èn aan diakenen èn aan hulpbehoevenden duidelijk moet worden, dat er om Christus' wil geholpen wordt, dat de diakenen gaarne en van ganser harte helpen, en dat zij, die hulp behoeven, daarom dankbaar zijn, dat zij geholpen worden. Maar ja, dat zullen sommigen misschien wel àl te ouderwets vinden !
De schrijver van bedoeld artikel wil, dat de overheid het inkomen van de hulpbehoevenden zal financieren.
Groen zeide 12 Mei 1854 in de Kamer : „Wat is ons verlangen ? Doodsteek aan de wettelijke liefdadigheid ; niet regeling , maar uitroeiïng van de charité legale. Elke kiem van dit verkeerde, van dit heilloze beginsel, moet uit de wet worden gerukt". „De behoeftige heeft aanspraak op medelijden e n een onbarmhartig oordeel zal gaan over hem, die geen barmhartigheid gedaan heeft; een recht van leven tegenover de Staat loopt op vernietiging van Christelijke liefdadigheid uit".
Wat Groen een heilloos beginsel noemt, wordt ons in het bedoelde artikel aangediend als de aanbevelenswaardige weg, die wij thans hebben te volgen. Ik geloof, dat het inzicht van Groen meer aanbeveling verdient dan dat van de schrijver. De gedachte van de schrijver behoort m.i. beter thuis in een socialistisch, dan in een protestants-christelijk milieu. Waarom ? Wel, Groen zei reeds op 13 Mei 1854 : „Ik dacht, dat het niet nodig was hier te doen opmerken, dat, wanneer Chalmers zegt: „de arme heeft geen recht van leven tegen de Staat", dit schijnbaar onbarmhartige woord betekent: wanneer gij toegeeft, dat tegen de maatschappij recht om te leven bestaat, moet gij ook erkennen recht op onderstand, recht op arbeid. Indien gij dit denkbeeld, met verwarring van zedelijkheid en recht, van christenplicht en burgerrecht aanneemt, hebt gij de eerste schrede gedaan op een pad, waarlangs gij òf tot teleurstelling na bedriegelijke ophef, òf tot algemene verdeling der goederen geraakt.
In navolging van Groen, hebben wij aan de geest der eeuw niet toe te geven, maar deze te wederstaan.
D. SCHOUTEN.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1950
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's